Oranje exhibitionisme in collectieve roes

HOLLANDERS, meenden de medici in de zeventiende eeuw, zijn tot in het bot en de hersenen aangetast door vocht, zowel uit de lucht als uit de bodem....

Dergelijke opvattingen mogen het nageslacht komisch in de oren klinken, ze zijn niettemin buitengewoon hardnekkig gebleken, betoogt Herman Pleij in een artikel over het veronderstelde tekort van de Nederlandse taal, opgenomen in zijn bundel Hollands welbehagen. De traditionele 'humorenleer' was allang uit de medische handboeken verdwenen, toen Potgieter oordeelde dat de Nederlandse literatuur gebukt ging onder de 'kopieerzucht des dagelijkschen leven'.

Potgieter, oprichter van De Gids, de 'blauwe beul' onder de culturele tijdschriften, leefde anderhalve eeuw geleden, maar van het stempel kwam men niet meer af. Sterker nog, de Nederlander ging er zelfs in geloven. Hij raakte er innerlijk van overtuigd dat het niet mogelijk is iets groots te scheppen uit het niets, louter en alleen met woorden.

Zo wordt, aldus Pleij, in de literatuur tot op de dag van vandaag gezanikt over kleinhuiselijk ongerief en persoonlijke geschiedenissen. Daarom ook blijft het Nederlandse lied steken in een misplaatste ode aan de gezelligheid en knusheid.

De Nederlander houdt niet van het grootse gebaar of het drama in het leven, maar maakt alles klein, met als gevolg 'een algehele democratisering van elk lief en leed dat ooit de mens bewogen heeft'. Het beste bewijs daarvan levert Marco Borsato, 'die inmiddels zijn hele hormonale kringloop in de etalage van zijn zangonderneming heeft gezet'.

Onder de noemer 'Hollandse eigenaardigheden' behandelt Pleij een variëteit aan onderwerpen, van Sinterklaas tot studeren in de vroege jaren vijftig en van schaatsen tot oranje polonaises. De titel van het boek, Hollands welbehagen, verraadt eigenlijk al welke houding hij tegenover deze eigenaardigheden inneemt.

Pleij spot, sniert en ironiseert, maar torst zijn Nederlanderschap blijmoedig. Hij kan er zelfs van genieten. Tenslotte is hij evenzeer een product van de poldergeest die deze beschaving heeft voortgebracht - en om dat te onderstrepen put hij volop uit zijn verzameling anekdotes en verhalen uit zijn Hollandse, al te Hollandse jeugd.

Pleij schrijft gemakkelijk en wie houdt van overdrijving en licht ronkend proza, kan zijn hart ophalen. Maar bij alle vrolijkheid zal de lezer allicht uit het oog verliezen dat de Amsterdamse hoogleraar in de historische letterkunde toch ook nog iets probeert aan te tonen. Dat geldt in ieder geval voor essays als 'Oranje boven?' en 'De kunst van het gedogen'. Die pretenderen meer licht te werpen op de collectieve mentaliteit van de Nederlanders.

Juist op die inhoudelijke kant van zijn verhalen valt wel wat af te dingen. Een voorbeeld hiervan is de verklaring die gegeven wordt van de onstuimige, luidruchtige en overdreven collectieve roes waarin Nederland steeds vaker lijkt te raken - of het nu gaat om een elfstedentocht, het wereldkampioenschap voetballen, Sail Amsterdam, een rommelmarkt of een dreigende watersnoodramp. Werkelijk gevaarlijk of kwaadaardig is dit nationalisme niet, al doet het soms agressief aan.

Pleij brengt deze 'koorts', dit 'oranje exhibitionisme', in verband met een behoefte het verlies van het traditionele nationalisme, besmet door oorlogen en racisme, te compenseren. Bij alle ingrijpende veranderingen in de wereld, de 'overweldigende technocratisering' en 'verbijsterend snel oprukkende eenvormigheid' in sociaal, cultureel en politiek opzicht is de natuurlijke behoefte aan saamhorigheid en identiteit allerminst verdwenen.

In Nederland, dat de laatste decennia sterk is veranderd, heeft zich volgens Pleij om die reden een heftig 'inhaalnationalisme' gemanifesteerd. Niet toevallig kwam dit nationalisme vooral naar voren rond de sport: de sport vormt immers het terrein 'waarop wij in bepaalde onderdelen mondiaal kunnen meespelen en dus een echo kunnen vermoeden van de verloren grootheid van weleer'.

In de sport, aldus Pleij, kan bovendien de cultus van gelijkheid, 'gewoonheid' en 'gezelligheid' worden botgevierd. 'Zijn die jongens en meisjes immers niet de ware exponenten van alles wat deugt in ons volk?'

Tegen de voorstelling die Pleij van het massaal beleefde 'wij-gevoel' geeft, is wel wat in te brengen. Wie enige notie heeft van de welhaast goddelijke status van de campionissimi in landen als Italië of Colombia, zal al snel concluderen dat de verering van sporthelden toch moeilijk kan worden teruggevoerd op enigerlei trek in het Nederlandse volkskarakter.

Datzelfde geldt voor de opgewonden en 'kneuterige' verslaggeving rond de bijna-watersnoodramp in 1994. Bij een vluchtige kennismaking met het journaal van een gemiddeld televisiestation in de Verenigde Staten of een Franse regionale krant verbleken Pleij's kwalificaties.

Onderwijl blijven enkele interessante aspecten van de door Pleij zo plastisch en hilarisch beschreven manifestaties onderbelicht. Zo kan men zich afvragen waaraan de Nederlandse samenleving, die altijd weer wordt getypeerd als individualistisch, zo'n sterke samenhang en homogeniteit ontleent. En hoe is het mogelijk dat de Nederlandse cultuur, die eeuwenlang, tot in de jaren vijftig, een toonbeeld was van soberheid en ingetogenheid, in zo'n korte tijd zo'n verandering in temperament en gedrag heeft kunnen ondergaan?

Het feit dat vele door Pleij gesignaleerde verschijnselen zich niet tot Nederland beperken en al evenmin per definitie betrekking hebben op nationale gebeurtenissen - zoals de dood van prinses Diana liet zien - wijst erop dat de veranderingen in de Nederlandse cultuur nauw samenhangen met de groeiende 'medialisering' van het openbare leven. Een hoofdrol daarin speelt de televisie, de grote gangmaker achter vele rituele hypes die door Pleij worden beschreven.

Ten slotte kan men zich al speculerend afvragen of het carnavaleske karakter van de tegenwoordige volksfeesten niet als een verlate rekening van de traditionele katholieke gezinspolitiek moet worden beschouwd. Het lijkt er althans veel op dat de sombere voorspelling van dominees en andere godvrezende publicisten uit de jaren vijftig is uitgekomen.

Nu ongeveer de helft van de bevolking bestaat uit nakomelingen van het eertijds vrome en vrolijk roomse volksdeel, heeft Nederland zijn 'protestantse volkskarakter' voorgoed verloren. Het voelt zich er blijkbaar niet minder wel bij.

Frank van Vree

Herman Pleij: Hollands welbehagen.

Prometheus; 156 pagina's; ¿ 19,90.

ISBN 90 5333 630 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden