Op de weg naar het einde

'Zou bijvoorbeeld niet het lage peil van de televisieprogrammaas het op den duur de burger onmogelijk maken, iets dat inspanning, hoe gering ook, vereist, te appreciëren?'..

De vele komma's en de spelling maken duidelijk dat dit citaat, hoe actueel ook, al wat ouder is. Het is 1962 als een schrijver zich deze vraag stelt, nog in het begin van de grootste communicatieve omwenteling sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. De beeldbuis is net volop begonnen aan te tonen hoeveel makkelijker en verlokkelijker kijken blijkt dan denken en hoe behaaglijk 'de burger' zich in die situatie schurkt. De onheilsprofeet is Gerard Kornelis van het Reve, nog met beide tussenvoegsels en voornamen, en uiteraard in het volle bezit van zijn begenadigde verstand.

Ik haal het citaat uit zijn 'Brief uit Edinburgh', voorin Op weg naar het einde. Kenners hebben het vast herkend, al is het niet typisch Reviaans. Zo serieus hoorde je hem zelden, maar hij zit dan ook op een congres, en tussen alle zuigende observaties over de ongein om hem heen treft hem weleens iets behartenswaardigs, zoals dat op congressen gaat. Hij raakt betrokken. Tenslotte zit hij daar om de kosten van zijn verblijf waar te maken. Hij drinkt gestaag, maar de pen blijft oplettend.

Zo onderschrijft hij de conclusie van een congresganger die voorspelt dat de roman van de entertainende soort het zal afleggen tegen de moderne communicatiemiddelen. Maar dat de Art Novel, volgens die ander 'persoonlijk in vorm, visie en getuigenis', zijn gebied zal behouden, betwijfelt hij. Hij denkt dat 'de geestelijke en materiële relatie met de staat en de maatschappij', al bijna non-existent, nog geringer zal worden.

Nu, na veertig jaar, maken de meeste romanschrijvers zich allerminst druk om Art en schikken zich vlijtig in de nieuwe entertainmentseisen. Ze bewegen mee op het immense terrein van het verwisselbare, en sommigen spelen wat populariteit betreft zelfs quitte met de beeldbuishelden.

En die Art Novel? Ach, Reves voorspelling was juist: het gebied waarop die zich heeft teruggetrokken lijkt inmiddels een impopulair eiland met het etiket 'Omdat Het Moet'. Dit is een vaststelling, geen aanklacht; ik zou niet weten wie je het moest verwijten. Overigens heeft Reve zijn eigen televisiegenieke talenten zonder terughouding getoond, en zonder concessie aan wat deze of gene misschien liever had gezien. Zijn veredelde arbeidershoofd was daarbij een lust voor het oog.

Misschien had ik liever niet geweten hoe dement onze superstilist, onze superzuiger, nu is. Kennisnemen van de voleinding van een leven is zoveel mooier dan je bewust zijn van het proces van verval. Schrijvers die we bewonderen maar niet kennen zijn niet onze vrienden, maar in de onomcirkelbare tijd die je met ze deelt sterken ze je. Je hebt zo vaak aan ze gedacht en hun spinsels hongerig tot je genomen. En je hebt om ze gelachen. Er zijn er eigenlijk niet eens zoveel van wie je dat kunt zeggen. Reve laat het wereldlijk weedom voortaan aan ons, en dat is niet fijn.

Jammer dat hij nooit meer zal getuigen van zijn hekel aan dikdoenerij. In Edinburgh kijkt hij hoofdschuddend hoe landgenoot N., tien jaar jonger maar al zo'n 'mannetje', delibereert over de juiste bereidingswijze van kreeft of van schapenvlees dat wel of niet, of buiten Griekenland misschien toch, nou ja, 'God legge het uit'. M., die er ook is, gedraagt zich al net zo belegen. Reve zelf speelde de volksjongen, wars van flauwsies, en je vermoedt dat het hem om méér ging dan een beetje melige roddel of spot.

In mijn boekenkast blijken diverse Reves te ontbreken die ik toch echt had. Ineens doet het ertoe. Waar is Nader tot u, waar mijn Werther Nieland? Er wachten nu twee taken: de kast aanvullen, synchroon aan het gegeven van dit aflopende leven, en beginnen met herlezen. Dat laatste is hierbij begonnen. De keus voor het boek met die ene brief lag voor de hand, want ik ga binnenkort naar net zo'n PEN-congres en wil net zo onafhankelijk ervaren wat zich daar voordoet. Zo moordend geestig ageren tegen schijnheiligheid (een oordeel dat alle verbieders van het 'abnormale' treft) of onbegrijpelijkheid (bijna iedereen) zie ik mezelf niet doen.

György Konrád heeft, in De oude brug (Van Gennep, 1997), als voorzitter van de Internationale PEN ook zijn congres-ervaringen beschreven, en ook dat was mooi, maar nu is er even alleen maar Reve, en diepe, premature rouw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden