InterviewJim Jansen

Op de fiets of onder de douche komt het ineens: Jim Jansen vraagt wetenschappers naar hun eurekamoment

Journalist Jim Jansen sprak meer dan honderd Nederlandse wetenschappers over hun eurekamoment. ‘Het kaasmolentje in Auschwitz, dat maakte de meeste indruk op me.’

null Beeld Marthe van de Grift
Beeld Marthe van de Grift

Vroeg in de ochtend staat een jonge viroloog onder de douche en denkt aan dode zeehonden. Massaal leggen ze het loodje, in de Noord-Atlantische Oceaan, in het jaar 1988. Overal duiken experts op met mogelijke verklaringen. Vervuiling wellicht? Iets anders? De viroloog, ene Ab Osterhaus, laat het water op zijn schouders klateren, terwijl zijn hersenen malen over de geografische verspreiding van de sterfte.

Dit moet een hondenziektevirus zijn, denkt hij ineens. Niet veel later krijgt Osterhaus gelijk. Hij scoort zijn eerste publicatie in het prestigieuze tijdschrift Nature en haalt de wereldpers, van CNN tot BBC.

Het is een van de eurekamomenten in Voetballers zijn net bewegende deeltjes die Jim Jansen de afgelopen jaren optekende. De hoofdredacteur van het populairwetenschappelijk tijdschrift New Scientist interviewde al meer dan honderd Nederlandse wetenschappers over hun eurekamoment.

De boektitel verwijst naar de ingeving die hoogleraar informatica Joost Kok had, die voetballers reduceert tot bewegende puntjes, zo patronen ontdekt en voorspellingen kan doen, bijvoorbeeld wanneer kansrijke situaties voor doelpunten ontstaan.

Het woord ‘eureka’ betekent zoiets als ‘ik heb het’. Het stamt volgens de overlevering af van de Griekse wetenschapper Archimedes, die in bad een natuurkundige wet bedacht voor opwaartse krachten van objecten in vloeistoffen en vervolgens van vreugde naakt door de straten van zijn havenstad rende.

Osterhaus onder de douche, Archimedes in bad. Zo’n moment van ontspanning: is dat cruciaal voor een eurekamoment?

‘Voor Osterhaus was het wel zo’n zeldzaam moment van de dag dat niemand aan zijn kop zeurde. Dat is belangrijk, denk ik. Je moet even afstand kunnen nemen van het dagelijkse werk, de dagelijkse sleur. Een fietsritje is daarvoor ook goed geschikt. Zo sprak ik een hoogleraar genetica die zijn beste ingeving had op weg naar de Jumbo en een hersenchirurg die op de racefiets een pleister bedacht die hersenvochtlekkage kan voorkomen.

‘Maar zo’n ingeving komt natuurlijk niet zomaar, je moet al met het onderwerp bezig zijn. De chirurg in kwestie had al tijdens zijn studententijd meegemaakt hoe een hersenbloeding het leven raakte van de moeder van een vriendin. 7 procent van de patiënten die een hersenoperatie onderging, kreeg last van hersenvochtlekkage en lag daardoor langer in het ziekenhuis. Kan dat nou niet handiger, vroeg hij zich al de hele tijd af. En op de racefiets kwam ineens dat idee. Inmiddels wordt zijn pleister in heel Europa toegepast. Ik geniet enorm van dat soort verhalen.’

Welk eurekamoment maakte de meeste indruk op u?

‘Dat van Frank van Vree, directeur van het NIOD. In het museum van Auschwitz bekeek hij voorwerpen van Joodse slachtoffers. Zijn oog viel op een molentje om restjes kaas te malen. Bij vertrek naar het kamp hadden die mensen dus gedacht: hé, misschien dat dat kaasmolentje nog van pas komt. Ze hadden werkelijk geen idee in wat voor horror ze terecht zouden komen. Voor Van Vree staat dat kaasmolentje symbool voor de onvoorstelbaarheid en absurditeit van dat hoofdstuk in de geschiedenis. Hij omschrijft het als een moment ‘waarop de werkelijkheid totaal binnen kwam’.’

Moderne wetenschap is meestal teamwerk. Ziet u dat ook terug in de ingevingen die onderzoekers hebben?

‘Absoluut. Neem hoogleraar José Joordens, gespecialiseerd in de evolutie van onze voorouders. In Naturalis in Leiden deed ze onderzoek naar fossiele schelpen met vreemde gaten erin. Een collega-archeoloog, Corinne Hofman, keek mee en noemde de gaten ‘typisch menselijk’. Schelpdieren klampen zich met een spier vast aan hun schelp. Om ze op te eten maak je een gat in de schelp en snijd de spier door. De gaten bij deze schelpen zaten precies op de plek van de spier, een duidelijk teken van menselijk handelen. Zo ontdekten ze samen dat een uitgestorven mensensoort die honderdduizenden jaren geleden leefde, de Homo erectus, al zo slim was dat hij met gereedschappen schelpdieren kon eten.’

Uw boek bevat ongeveer evenveel vrouwelijke als mannelijke wetenschappers. Is dat iets waar u bewust op let?

‘Voordat ik in dienst trad bij New Scientist – het had toen nog een andere naam – was het een tijdschrift vol oude, grijze mannen. Bij mijn sollicitatiegesprek zei ik: ‘Ik wil meer diversiteit. Meer vrouwen. Meer jonge mensen. Meer Vlamingen. Als jullie dat niet willen, moeten jullie iemand anders zoeken.’ Kijk, ik kies ook weleens de makkelijke route. Bel ik wéér hersenprof Erik Scherder als ik snel een quote nodig heb over menselijk gedrag. Maar ik durf te zeggen dat ik meestal goed op diversiteit let. Dat je bij een wetenschapper direct denkt aan een man van een jaar of 60; dat beeld is zo totaal achterhaald. We moeten het als wetenschapsjournalisten vooral niet versterken.’

U organiseert met universiteiten het Gala van de Wetenschap, spreekt vaak bewonderend over wetenschappers, komt weleens op borrels bij wetenschappers thuis. Hindert dat u niet om kritisch te blijven?

Jansen wijst naar zijn bovenarm, waar hij net is gevaccineerd: ‘Kijk, dat wij hier nu in dit café samen koffie kunnen drinken, hebben we wel aan de wetenschap te danken, hè? Goed werkende vaccins, met een baanbrekende nieuwe techniek, voor een tot voor kort volslagen onbekende ziekte. En dat binnen een jaar ontwikkeld. Dat is razendknap. Ook bij gesprekken met wetenschappers uit andere vakgebieden denk ik regelmatig ‘wat geweldig dat van die knappe koppen hier zo goed over nadenken’.’

Maar er verschijnt ook veel flutonderzoek. Wetenschappers die aan de lopende band kwalitatief de bocht afsnijden omdat ze worden afgerekend op de publicatie van zo veel mogelijk studies.

‘Dat is absoluut een probleem en het is belangrijk dat wetenschappers onderling en ook journalisten de kwaliteit van onderzoek met een kritische blik bekijken, bijvoorbeeld in factcheckrubrieken. Maar zelf ben ik totaal niet geschikt om dat genre te bedrijven. Laat mij maar focussen op de positieve kant van de wetenschap. Zo van: wow, hier heeft iemand ontdekt dat hij kleine organen kan namaken in het lab en dat kan weleens tot doorbraken voor patiënten leiden. Van zulke verhalen word ik het gelukkigst.’

Wie is Jim Jansen?

Jim Jansen (50) is hoofdredacteur van de Nederlandse editie van het populair wetenschappelijk tijdschrift New Scientist. Hij coördineert daarnaast de wetenschapspagina’s van Het Parool en zijn rubriek Eureka verschijnt in het Algemeen Dagblad. Een van zijn hobby’s is flipperen. Hij schreef daar ook een boek over: No balls, no glory – Twintig jaar pinball in de polder. Zijn oudere broer is cabaretier en presentator Dolf Jansen. De twee schrijven samen het boek DNA tot Z – Over wetenschap en humor, dat in november verschijnt bij Fontaine Uitgevers.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden