Oorlog als bron van vreugde

‘Vechten is de grootste vreugde die je kunt beleven met je broek aan’, zegt Martin van Creveld, emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Hebreeuwse universiteit van Jeruzalem....

Martin van Creveld (63) werd geboren in Rotterdam maar verhuisde op 4-jarige leeftijd met zijn ouders naar Israël. Hij staat bekend om zijn krijgslustige en provocerende opvattingen. Oorlog is niet alleen een bron van ellende, maar ook van vreugde. Mannen zijn krijgers, vrouwen houden van krijgers. Een wereld zonder oorlog is onmogelijk omdat dan ook menselijke emoties als agressie, haat en wraak zouden moeten worden afgeschaft.

Het is nobel om vreedzaam te zijn, zegt Van Creveld, maar vroeg of laat kom je vijanden tegen die wél van geweld houden. ‘Als Europeaan kun je je in het paradijs wanen. Maar intussen gaat het leven, dat vaak rauw en gewelddadig is, gewoon door. Nederland is overigens minder vredelievend geworden. Vóór 1990 kreeg ik zelden een uitnodiging om hier te komen spreken. Sinds een jaar of tien kom ik een keer of twee, drie per jaar. Dat komt door Srebrenica.’

De pijnlijke confrontatie tussen de brave overste Karremans en de brute slager Mladic liet zien dat een vreedzame cultuur niet alleen voordelen heeft. De Nederlandse militairen stonden weerloos tegenover het rauwe geweld van de Balkan.

Oorlogscultuur begint met het oefenen van de manschappen en eindigt met het herdenken van de gevallen helden. ‘De oorlogscultuur is geraffineerd, maar kwetsbaar’, zegt Van Creveld. ‘Een parade is een optocht van mannen die zich op een vreemde manier voortbewegen. Een vlag is niet meer dan een bont doek. Dat weten we best. Tegelijkertijd vormen zij krachtige symbolen, waarvoor mensen bereid zijn hun leven op te offeren. Die paradox maakt de oorlogscultuur gemakkelijk te vernietigen.’ Een oorlogscultuur is echter noodzakelijk, meent hij. Want hoewel vechten een bron van vreugde is, zullen maar weinig mensen spontaan hun leven wagen op het slagveld. De oorlogscultuur dwingt hen in het gelid.

Is het zo erg als die oorlogscultuur verloren gaat?

‘Ja. Een land kan weerloos worden tegenover zijn vijanden. Maar ook het tegenovergestelde kan gebeuren: door het ontbreken van een oorlogscultuur kan een land juist gewelddadiger worden. De vechtlust wordt dan niet meer gekanaliseerd in een gedisciplineerd leger. Dan krijg je woeste horden die moordend, plunderend en verkrachtend rondtrekken, zoals in Bosnië, Oost-Timor of Soedan.’

Maar geregelde legers kunnen toch ook verschrikkelijk huishouden? In 1945 hebben Russische soldaten tienduizenden Duitse vrouwen verkracht.

Van Creveld, op lichtelijk agressieve toon: ‘Feministische Blödsinn! Er zijn veel vrouwen verkracht, dat wil ik helemaal niet bagatelliseren. Maar het Rode Leger was geen woeste horde. De soldaten hadden geen permissie voor zulke excessen. Die hebben plaatsgevonden toen de oorlog ten einde was. Het was lang niet zo erg als in landen als Sierra Leone.’

Het werk van Van Creveld is sterk beïnvloed door de Joodse geschiedenis. In oudtestamentische tijden waren de Joden vervaarlijke krijgers, maar in de diaspora werden ze vreedzaam en voorzichtig. Als minderheid waren ze doodsbenauwd om de christelijke meerderheid te provoceren.

De zionistische voorman Theodor Herzl vond de Joden laf en fysiek gedegenereerd. De zionistische strijder Ze’ev Jabotinsky sprak van ‘de Jood die altijd bang is, die schrikt van het geluid van een vallend blad’. De Jood werd overal weggejaagd en beledigd, constateerde hij. Dit gebrek aan oorlogscultuur kwam de Joden duur te staan in de Tweede Wereldoorlog, meenden militante Joden.

Israël kreeg daarom een sterke oorlogscultuur. Het land heeft zich ontwikkeld tot een regionale reus, zegt Van Creveld, die niet meer direct bedreigd wordt door zijn Arabische buurlanden..

Wat heeft de oorlogscultuur Israël opgeleverd? Zitten de Israëliërs niet gevangen in een eindeloze cyclus van geweld en vergelding?

‘Daar ben ik het helemaal niet mee eens. Israël is een enorm succes, als je bekijkt hoe het land er honderd jaar geleden bij lag. Het meeste geweld heeft plaatsgevonden tussen 1948 en 1973. Alles wat daarna kwam, stelde relatief weinig voor. Een bomontploffing hier, een mes daar, misschien een raket.

‘Maar in 1973 werden we aangevallen door een half miljoen Arabische soldaten, met duizenden tanks en vliegtuigen. We vreesden voor het voortbestaan van Israël. De kans bestond zelfs dat de strijd zou escaleren tot een mondiale kernoorlog. Het einde van de wereld leek denkbaar.

‘Jongere Israëliërs kennen dat gevoel helemaal niet. Zij hebben alleen kleine oorlogen meegemaakt, in Libanon of de Gazastrook. Laatst werd ik gebeld door een jonge journaliste. Ze vertelde dat ze oorlog zo vervelend vond, omdat het dagelijks leven erdoor werd verstoord. Daar moest ik erg om lachen. Jongeren hebben geen idee meer wat een echte oorlog is. Ik denk dat ook voor Israël de tijd van grote oorlogen voorbij is.’

Bent u dan niet bang voor een Iraanse kernbom?

‘Ik geloof dat Israël weinig te vrezen heeft van zo’n bom. De Golfstaten wel, maar daar kan Israël weinig tegen doen. We kunnen Bahrein niet redden van Iran. Dat moeten de Amerikanen maar doen.’

Waarom heeft Israël niets te vrezen?

‘Omdat Israël de nucleaire middelen heeft om terug te slaan. President Peres heeft in het openbaar gezegd: ook Iran kan verwoest worden. Ik zou het nog iets minder diplomatiek willen formuleren: binnen een half uur kunnen we van Iran een radioactieve woestijn maken.’

Uw strijdlustige opinies maken nieuwsgierig naar uw eigen gevechtservaring.

‘Die heb ik nauwelijks. Ik heb een keer onder Syrisch artillerievuur gelegen toen ik een kibboets bij de Golanhoogvlakte bezocht. Maar ik werd 18 in 1964. Dat was het enige jaar in de Israëlische geschiedenis dat er meer mensen dan wapens waren. Het was dus gemakkelijk om onder je dienstplicht uit te komen. Al wilde ik dat niet. Ik was een idealist die mijn land wilde verdedigen.

‘Maar ik heb een probleem met mijn gezicht: een hazenlip, en een gespleten gehemelte. Ik mocht toen wel in dienst, maar ik moest een papier ondertekenen waarop stond dat het leger niet verantwoordelijk zou zijn als er iets met mijn gezicht gebeurde. Dat heb ik geweigerd, en ik ben naar de universiteit gegaan. Ik ben een theoreticus, ik probeer ideeën te overwinnen. Dat is mijn uitdaging.’

Dat doet een beetje denken aan Goodbye to All That, de herinneringen van Robert Graves aan de Eerste Wereldoorlog. De frontsoldaten zijn het geweld allang zat, schrijft hij, maar de mensen die veilig thuis zitten prediken de oorlog.

‘Die opvatting kom je ook tegen in Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Plato is ooit naar Sicilië gegaan om de troonopvolger van Syracuse op te leiden. Hij wilde zijn ideeën over de koning-filosoof in praktijk brengen, zodat mensen niet konden zeggen: ach, die Plato, die kletst alleen maar. Dat is overigens helemaal mis gegaan: de troonopvolger is uiteindelijk als slaaf verkocht. Ik heb mijn ideeën niet in praktijk gebracht. Ik hoop dat ik niet zomaar wat klets, maar dat zal pas achteraf blijken.’

Waarom gelooft u niet in een wereld zonder agressie?

‘Agressie, haat, wraak – het zijn allemaal menselijke gevoelens. Als je ze helemaal wilt uitbannen, krijg je heel vlakke mensen. Een soort robots. In dit gesprek zit ook veel agressie. U daagt me uit.’

Maar dat is toch mooi? We trekken geen messen, maar sublimeren onze agressie.

‘Ik zou niet in een wereld willen leven waarin alle agressie gesublimeerd wordt. Dat heeft iets onsmakelijks. Sublimatie is onecht.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden