Ook de allerlaatste les

VEEL GROTE dichters houden er een eigen 'hofhouding' op na, een kring van vrienden en bewonderaars, met wie ze corresponderen en converseren....

In Dans om de wereld steekt Verheul zijn bewondering voor de dichter niet onder stoelen of banken.In 1967, toen de twee elkaar leerden kennen, was Brodsky een belangrijk dichter aan het worden. Niet dat hij daar veel aan had. Integendeel, zijn groeiende populariteit was alleen maar een nadeel. Volgens de autoriteiten was hij een 'parasiet', een klaploper die op andermans kosten leefde.Van meer kon men hem niet beschuldigen, want Brodsky was geen dissidente dichter, hij deed geen anti-Sovjet uitspraken in zijn werk; zijn 'burgerlijke' thematiek (liefde, religie) en zijn weinig optimistische toon irriteerden de gezagsdragers, doordat zij in strijd waren met de communistische ideologie. Bovendien wenste de dichter geen lid te worden van de Schrijversbond.In Dans om de wereld staat een stukje van het kafkaëske proces tegen Brodsky in 1964. De rechter stelt vragen in de trant van 'Wie heeft u als dichter erkend?', 'Wie heeft u toestemming gegeven u een dichter te noemen?', 'Heeft u niet geprobeerd een diploma te halen op een hogeschool, waar men wordt voorbereid (. . .), waar men les krijgt?' Op onzekere toon antwoordt Brodsky hierop: 'Ik denk dat het een gave is . . . van God.'Dat antwoord voldeed uiteraard niet, en de dichter werd tot dwangarbeid veroordeeld wegens 'landloperij'. Een jaar later volgde, onder druk van binnen- en buitenlandse intellectuelen, zijn vervroegde vrijlating. Onverstoorbaar hervatte Brodsky zijn poëtische handwerk. Na zijn gedwongen emigratie naar de Verenigde Staten, in 1972, bleven nieuwe gedichten van hem clandestien in Rusland circuleren.Dit zijn allemaal feiten die we niet één of twee keer, maar wel zes keer kunnen lezen in Dans om de wereld. Verheul verzamelde in deze bundel alles wat hij in de loop der jaren over Brodsky heeft geschreven, met als gevolg hinderlijke overlappingen. Bewust heeft hij zijn stukken niet herzien; hij wilde Brodsky niet achteraf beschrijven, 'maar in het heden van toen'. Gelukkig zijn er een paar verhalen die het verdragen om wél een paar keer herhaald te worden.Wat daarin opvalt, is Brodsky's angst voor de stilte: 'Leven en het ten gehore brengen van taal betekende in zijn geval duidelijk hetzelfde. Ook omgekeerd - zwijgen maakte hem duidelijk doodsbang.' Als er stiltes vielen, begon hij moppen te tappen, waar niemand om kon lachen: 'Dat reacties op zijn grapjes uitbleven kwam niet door hun flauwiteit. Ze waren een uiting van onbehaaglijkheid en maakten daardoor ook anderen onbehaaglijk.'Even ongemakkelijk moet het zijn geweest om lang in één ruimte te vertoeven met Brodsky, die 'geen tien minuten kon zitten zonder te gaan ijsberen of midden in een gesprek te zeggen: 'Laten we ergens anders naartoe gaan'.'Vooral de intellectuele onzekerheid van de dichter is opmerkelijk. Zo vraagt Brodsky, de autodidact, Verheul omzichtig of hij denkt dat iemand die weinig weet, toch mooie gedichten kan schrijven. Nog afgezien van Verheuls vraag wat een groot dichter moet met 'zoiets banaals als kennis', staat deze wankelmoedigheid in schril contrast met de erudiete essays die Brodsky later zou schrijven.Zulke biografische wetenswaardigheden blijven voor bewonderaars van Brodsky de moeite waard. Voor het overige zal veel in Dans om de wereld hun al te bekend zijn. Is dat al een bezwaar tegen dit boek, een ander betreft Verheuls stijl. In een artikel over het gedicht 'Aeneas en Dido' geeft hij er blijk van dat stuk nog onder invloed van het werk aan zijn proefschrift te hebben geschreven. De heldere en inspirerende poëzie-analyse wordt onnodig vertroebeld door de academische taal.Als hij had besloten zijn stukken wél te herschrijven had hij niet alleen deze problemen kunnen oplossen, hij had ook meer ruimte gehad voor het grote gebaar. Een aanzet daartoe is in de recensies vaak te vinden, maar hij heeft daar niet de ruimte om zijn ideeën uit te werken. Dat het hem aan ideeën niet ontbreekt, bewijst hij in een lezing waarin hij in één grote beweging een lijn trekt tussen Brodsky's calvinistische ethiek, zijn Byzantijnse esthetica en zijn interesse voor de Nederlandse schilderkunst (Carel Willink) en de Petersburgse architectuur.Alleen hier doet zijn Verheuls essayistiek denken aan het werk van Brodsky zelf. In zijn proza, voornamelijk in het Engels geschreven, wist Brodsky alles op te trekken naar een hoger, abstract niveau. Sommige van zijn uitspraken krijgen daardoor een wat aforistisch karakter. Zo geeft hij in een essay over Achmatova zijdelings een definitie van liefde, geloof en poëzie: 'Liefde is in wezen een houding van het oneindige jegens het eindige. Het omgekeerde is ofwel geloof ofwel poëzie.'Ook Brodsky's autobiografische stukken lopen uit op schitterende essays. Zo is 'In anderhalve kamer' niet alleen een hommage aan zijn overleden ouders, maar ook een poëtische weergave van zijn jeugd. Brodsky spreekt over het gezin als 'het stamleven': de potten en pannen in zijn moeders keuken hebben 'de air van tamtams'.Het ouderlijk huis, 'een vacuüm in de wereldorde', verdween voor hem nadat hij Rusland had moeten verlaten. Hij rouwt niet alleen om de dood van zijn ouders, maar ook om zijn afwezigheid aan hun sterfbed: 'Je wilt van hen ook de allerlaatste les leren: hoe je moet doodgaan.'Zijn jeugdherinneringen zijn gekleurd door een gevoel van onvrijheid, dat hij ervoer in een land dat een 'spiritueel paradijs' had moeten zijn, maar een 'saaie hel, een aftands materialistisch dogma' werd. Alleen al de benauwde huisvesting belemmerde ieders vrijheid: 'Als de ruimte een oneindigheidsaspect heeft, dan zit dit niet in haar uitbreiding maar in haar reductie.'Verheul legt weinig nadruk op Brodsky's geëngageerde houding. Hij behandelt hem in de eerste plaats als een Europese dichter, en zelfs als een 'Nederlandse dichter'. Daarbij baseert hij zich op Brodsky's interesse voor het calvinisme, en tevens op overeenkomsten met Nijhoff, die meteen ook een 'half Russische ziel' toebedeeld krijgt.Hij zegt dat hij zich naast Brodsky 'een schoolmeestertype' voelt, 'die de eer had te mogen omgaan met een dichter omdat hij toevallig uit een ver land kwam en een paar dingen wist'. Wie de stukken van de twee schrijvers vergelijkt, kan dat slechts beamen. Maar ook schoolmeesters hebben hun nut, als ze er tenminste blijk van geven poëzie zo goed te kunnen lezen als Kees Verheul.Yra van DijkKees Verheul: Dans om de wereld - Fragmenten over Joseph Brodsky.Querido; 168 pagina's; ¿ 35,-.ISBN 90 214 8512 5.