Old Shatterhand, maar met een stijf been

TWEEMAAL IN zijn schrijverscarrière haalde Willem Brakman de voorpagina's, een opvallendheid in een krantenwereld die de letteren als frivoliteit pleegt te gedogen, maar er zelden nieuws in ziet....

ARJAN PETERS

De eerste keer gebeurde het evenwel toen bekend werd dat Brakman de P.C. Hooftprijs 1981 was toegekend, die de winnaar volgens gebruik moet komen afhalen in het Letterkundig Museum te Den Haag.

In november 1997 was het wederom raak, zij het dat de aanleiding minder feestelijk was: hetzelfde Letterkundig Museum had besloten jeugdige auteurs als Grunberg, Giphart en Landvreugd in de permanente expositie op te nemen, ten detrimente van 25 vooral oudere auteurs. Ellen Warmond, Alfred Kossmann, Willem van Toorn, H.C. ten Berge en anderen werden uit de vitrines verwijderd, terwijl de ververste tentoonstelling bedacht werd met een titel die niet anders dan wrang kon aandoen: 'Gaan waar de woorden gaan'.

Ook Brakman moest het veld ruimen. Dat geschiedde niet zonder dat hij per vlammende brief, afgedrukt in Het Parool, had laten weten wat hij van de opruiming vond: '(. . .) niet in het dansen op het ritme van het algemeen, het beamen, bevestigen en onderschrijven van de alzijdige druk der samenleving in haar zo grote veelvormigheid, is het heil, of het nu gaat om het alles begrijpende kinderboek, de voor alle filmclichés gezwichte revolutionair, kunstschilderende tycoon of de toptien van boek en plaat, maar in kunst als kritiek op de samenleving waar zij deel van uitmaakt.'

Dat hij eruit moest, betekende in zijn ogen een vingerwijzing dat nu zelfs het Letterkundig Museum het oor laat hangen naar de mode en de grootste gemene deler. De eenling die Brakman zelf is en die hij in zijn omvangrijke oeuvre telkens omineus laat botsen op de terreur van de groep, moest weer eens ervaren dat hij niet op daadwerkelijke steun van zogenaamde geloofsgenoten hoefde te rekenen.

Hij is het type schrijver dat er het liefst royaal de tijd voor neemt uiteen te zetten dat hij nergens bij hoort - maar dat in woede ontsteekt als anderen dat op meer of minder pijnlijke wijze bevestigen. Een zelfverklaard dissident heeft immers altijd nog de trots zijn status van afzijdigheid eigener beweging uit te roepen. Wordt men door hogerhand, bovenbaas of de macht van het getal aan de kant gezet of veronachtzaamd, dan zit men niet uit vrije wil maar noodgedwongen alleen thuis met zijn gelijk. Dat zit toch anders.

Wat kan een schrijver daartegen uitrichten? Wat hij altijd moet en doet. Schrijven. En voor Willem Brakman houdt dat in: het onzalige heden hoofdschuddend de rug toekeren, en afreizen in de herinnering naar de momenten waarop de allesbepalende breuklijn voor het eerst zichtbaar was; toen de woordloze harmonie van de jongeling met zijn omgeving werd verstoord door boze krachten van buiten (ziekte, verval, dood, lelijkheid, manipulatie en machtsmisbruik) en woekerende van binnen (de ontdekking individu te zijn, per definitie anders dan anderen, nooit meer in staat volledig met iets of iemand samen te vallen). Redenen te over, het op een levenslang zeuren en treuren te zetten, ware er niet de taal, dat onuitputtelijke reservoir voor een stilist als Brakman wiens temperament eerder de vloed dan de eb is toegenegen.

In vorige romans bewees hij reeds dat niet alleen directe jeugdervaringen, maar ook jeugdboeken een kervende invloed op zijn vorming hebben gehad. De avonturen van Dik Trom, Fulco de minstreel, De scheepsjongens van Bontekoe en Met Pieter Pikmans het zeegat uit hebben hun sporen nagelaten in Brakmans leven en werk.

In zijn nieuwe roman Ante Diluvium voegt hij daar De dood van Winnetou van Karl May aan toe. Dit boek inspireerde de verteller en zijn vrienden toen ze een jaar of twaalf waren tot het oprichten van een jongensclub. Ze noemden zich Old Shatterhand, Winnetou, Roze Wolk, Zoon van de Slang, Zingende Pijl en Kleine Vos, ze vergaderden in hun eigen rovershol en lurkten daar broederlijk aan de vredespijp.

Het oogde als een onschuldig tijdverdrijf, dat samenhokken in het geheime honk, maar tegelijk realiseert de verteller (hij was Old Shatterhand) zich vanwaar de behoefte kwam om een club te vormen. De bedreigingen van het harmonieuze leven zijn immers op je twaalfde al haarscherp in kaart te brengen. Zo is daar de heerschappij van de bovenbazen, hier gepersonifieerd in schoolmeester Mager, die met wellust zijn stok kon laten dansen op de trillende billen van zijn pupillen. In een vlaag van razernij heeft Mager in later jaren zijn martelwerktuig gericht op een been van Old Shatterhand. Sedertdien hompt hij met een stijf been ('alles wat men spier noemt is van mij heengegaan') door het leven.

Mager wilde zijn leerlingen drillen. De schoolklas is 'de oermal en het compendium van alle historische onheil'. Daar worden karakters voorgoed geknakt, daar leert men wat de barse maatschappij van het individu verlangt: onderwerping, aanpassing, op straffe van uitstoting.

Een broekje is niet in staat zich te verweren zoals een kunstenaar dat later vermag. Hij is beperkter in zijn mogelijkheden tot weerwerk. Daarom laaft Shatterhand zich aan avonturenromans over jongens die er frank op uit trekken, sluit hij zich aan bij zijn eigen club en bespreekt daar hoe de tirannieke Mager het wreedst gestraft kan worden.

Het stijve been dat Old Shatterhand altijd met zich mee sleept, wat hem op afkeer en schaterlachen van zijn medemensen komt te staan, is symbool voor de kwetsuren die ieder gevoelig mens in zijn jeugd opdoet. Maar ook benadrukt het been dat de drager afwijkt van de 'gezonde' goegemeente, het krijgt de vorm van een vitaal uitroepteken. Dit heeft u mij aangedaan, roept de manke bij wijze van spreken, zonder de mond te openen.

En wat is die jeugd een formidabele lachspiegel, als je er op en in kunt terugkijken zoals Brakman doet. De willekeur waarmee superieuren op een school hun macht uitoefenen en bevestigen (want zolang niemand hun regels kan volgen, kan niemand hen controleren), het stoeien en stompen van de kinderen onderling als onheilszwangere voorbode van het maatschappelijk gevecht, en de club als beschutting voor de onschuld maar ook als onneembare vesting voor jongens die er zielsgraag bij willen maar niet mogen, en als broedplaats van snode plannen waar ongetwijfeld slachtoffers bij zullen vallen: Brakman leeft zich uit, alsof hij blij is dat de wonden die hem in zijn voortijd werden toegebracht, tientallen jaren later niet geheeld blijken.

Hij slaat terug, niet met een stok, maar wel met een geestdrift vergelijkbaar met die van Mager. Misschien heeft de masochistische verteller wel eenzelfde doel als de sadistische meester: een vlammend protest aantekenen tegen de noodlottige scheiding tussen 'het ik en de rest'. De erkenning dat oud zeer zeer blijft doen, en de rekenschap van de verwantschap tussen de frik en zijn slachtoffer, houdt hem op de been - zijn goede.

Het mooiste zou natuurlijk een club zijn met mijzelf als enig lid, mijmert Old Shatterhand. Die eenmansclub krijgt van Willem Brakman alsnog de oprichtingspapieren, in de vorm van Ante Diluvium. Hij richt zogezegd een virtuele vitrine in voor zijn eigen jongensboekheld. Een nieuwe aanwinst voor de permanente expositie van zijn oeuvre, dat niet gaat waar de woorden gaan. De woorden blijven jaarlijks komen.

Arjan Peters

Willem Brakman: Ante Diluvium.

Querido; 142 pagina's; * 29,90.

ISBN 90 214 5417 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden