Oersterke verliezer

Honderdvijftig jaar geleden werden in Duitsland de botten ontdekt van een oermens met een rare schedelrand: de Neanderthaler. Hij was stoer maar weinig creatief....

Het is zondag, maar er zijn nog nauwelijks bezoekers op het veldje in het Neandertal aan het riviertje de Düssel. Achttien roodwitte stokken markeren er zo’n beetje de plek waar, deze maand 150 jaar geleden, de Neanderthaler werd ontdekt, resten van 40 duizend jaar oud. Hier kun je je koptelefoon inpluggen om te horen hoe dat ging.

Zodoende hoor je ook over een spectaculaire nieuwe ontdekking. Op de plaats waar nu de roodwitte stokken staan, vonden archeologen in 2000 een jukbeen en een stukje schedel. Ze bleken precies te passen bij het Neanderthal-schedeldak dat deel uitmaakte van de vondsten van anderhalve eeuw geleden.

Joachim Neander, zijn dal en de vreemde beenderen uit de grot.

Joachim Neumann was componist, dichter en dominee in het 17de-eeuwse Düsseldorf. Zoals wel meer artiesten destijds, vergriekste hij zijn achternaam en noemde hij zich Neander. Hij was zo populair dat een dal naar hem werd vernoemd, vijftien kilometer ten oosten van Düsseldorf, vlakbij het stadje Mettmann. Het Neanderthal dus, toen nog met een ‘h’. Een stuk hiervan was zeer nauw: de Düssel stroomde strak langs de vijftig meter hoge wanden van kalksteen met grotten erin.

Vanwege de industrialisatie ontstond in de 19de eeuw behoefte aan steeds meer kalk. Hanteerbare stukken kalksteen werden daarom met springstof uit de natuur geblazen, ook uit het Neandertal, dat steeds minder nauw werd.

Op een dag in augustus 1856 gingen twee arbeiders een van de grotten in de kalksteenwand binnen, de Feldhofergrot, twintig meter boven de dalbodem. Ze hadden opdracht alle rommel, voornamelijk leem, uit de grot te scheppen voordat de collega’s met springstof zouden komen om de dalwanden met grotten en al op te blazen.

Behalve rommel vonden de arbeiders het dak van een rare schedel, botten van dijbenen, armen en ribben. Een deel kwam met de rommel beneden in het dal terecht, maar een ander gedeelte werd door de voorman van de arbeiders bewaard en getoond aan de lokale amateur-natuurhistoricus Johan Karl Fuhlrott.

Fuhlrott zag meteen dat het om de resten van een afwijkend type mens ging. Dat was gewaagd, want de meeste mensen, ook wetenschappers, geloofden nog in het bijbelse scheppingsverhaal volgens welk de mens in zijn huidige vorm door God was gecreëerd. Darwin publiceerde zijn evolutietheorie pas in 1859.

Begrijpelijk dus dat Fuhlrott en zijn medestander Hermann Schaaffhausen lang niet alle handen op elkaar kregen. Rudolf Virchoff bijvoorbeeld, Duitslands invloedrijkste wetenschapper destijds, stelde dat de dikke beenderen van de Neanderthaler en de rare schedelrand boven diens ogen het gevolg waren van ziekte.

Maar de evolutie-gedachte rukte op. Met vallen en opstaan kreeg de Neanderthaler zijn erkenning als oude mensensoort. Een lawine van nieuwe ontdekkingen in Europa hielp daarbij, zoals de vondst van bijna duizend Neanderthaler-beenderen in Kroatië. Oudere vondsten uit België (1830) en Gibraltar (1848) – destijds afgedaan als curiosa – konden nu bij de Neanderthalers worden ingedeeld.

Erkenning als oermens hield niet in dat iedereen wist hoe deze soort er precies uitzag. Nog begin vorige eeuw concludeerde de Franse paleontoloog Pierre-Marcellin Boule dat de Neanderthaler een primitieve, aapachtige tweevoeter was. Schrijvers en filmmakers populariseerden dit beeld en maakten er de bekende woesteling van die zich met knots en wijkend voorhoofd grommend door een weinig subtiel bestaan sloeg.

Een oersterke jager, zorgzaam en misschien een kannibaal.

De Neanderthaler was inderdaad grof gebouwd. Zware beenderen had hij, een brede bouw en dito neus. Hij was oersterk. Zijn hele lichaam toonde aanpassing aan de koude tijden waarin hij voor een groot deel leefde.

Wannéér hij leefde, is een kwestie van definitie. De eerste oermensen vestigden zich zo’n 500 duizend jaar geleden in Europa (in Spanje eerder) en worden Homo erectus genoemd, of Homo heidelbergiensis, de Europese variant daarvan. Homo neanderthalensis zou zich pas vanaf 150 duizend jaar geleden manifesteren, vanaf het begin van de laatste ijstijd. Maar er zijn ook onderzoekers die alle Europeanen van 500- tot 30 duizend jaar geleden Neanderthalers noemen, omdat ook de oudste van deze fossielen Neanderthaler-trekken vertonen.

En hoezo Europa trouwens? Er zijn ook H. neanderthalensis-resten opgegraven in Irak, en nog oostelijker: Oezbekistan. In het zuiden reiken de vondsten tot Israël. Maar niemand weet of die de werkelijke grenzen van het Neanderthaler-gebied aangeven. Voor de noordgrens geldt hetzelfde. In Nederland hebben ze in elk geval wél geleefd, gezien de gereedschappen (maar geen fossielen) die hier zijn gevonden.

Met hun deels stenen gereedschap – speren, schrapers, vuistbijlen – gingen de Neanderthalers op jacht en maakten zij hun eten klaar. Vlees was verreweg hun belangrijkste voedsel. Het jagen vergde kennis en planning en daar hadden de Neanderthalers genoeg hersens voor – hun schedelinhoud was zelfs iets groter dat die van de moderne mens. Hun jachtbuit deelden zij met kinderen en andere behoeftigen, en doden begroeven zij.

Maar daarmee houden de feiten en bijna-zekerheden zo’n beetje op en begint de vaagheid. Woonden Neanderthalers in holen, bijvoorbeeld? Veel resten zijn in grotten gevonden, maar dat zegt niet alles. Lang niet overal zijn grotten en de Neanderthalers trokken rond. Maakten zij kunst? Misschien in de laatste millennia van hun bestaan, in navolging van de moderne mens. Deden zij aan kannibalisme? Ondanks sporen daarvan weet niet iedereen dat zeker. Taal? Kleren? Waarschijnlijk wel, maar waar is het sluitend bewijs?

Hun hoge energieverbruik beperkte de Neanderthalers, vermoedt de professor.

‘Er is een paradox bij die Neanderthalers’, zegt hoogleraar archeologie van de oude steentijd Wil Roebroeks in zijn Leidse werkkamer. ‘Ze leefden van de jacht en moesten dus veel kennis van diergedrag en het landschap hebben. Maar: hun werktuigen bleven tienduizenden jaren hetzelfde, gezien de opgravingen, en van kunst hadden ze nauwelijks kaas gegeten.’

Er was nog iets. Roebroeks: ‘Neanderthalers gebruikten veel meer energie dan de moderne mens. Ze moesten bij het jagen sneller naar huis terugkeren om niet uitgeput te raken. Ze konden dus een kleiner gebied bejagen dat zodoende relatief snel leeggejaagd was.

‘Dat noopte ze telkens verder te trekken, vaker dan de moderne mens. Neanderthalers waren dus korter op dezelfde plek en lijken daarin niet geïnvesteerd te hebben. Dat zou verklaren waarom je op Neanderthaler-vindplaatsen bijna nooit aangelegde haarden hebt of resten van een hut. Van de moderne mens heb je die wel. Die kon met zijn zuiniger energieverbruik een groter gebied bejagen. Hij had ook een grotere range aan prooidieren dan de Neanderthaler en at bijvoorbeeld ook veel vis.’

Betekent dit dat het de beperkte vermogens van de Neanderthaler waren die hem 30 duizend jaar geleden de das omdeden?

De Verdwijning: wie het weet, mag het zeggen.

Waardoor de Neanderthalers van het toneel verdwenen – Roebroeks haalt er de schouders over op. Hij geeft niet zo veel om niet toetsbare theorieën. Zijn eigen gedachtegang ziet hij slechts als werkmodel voor onderzoeksgebruik, zonder speculatie. Het voorspelt bijvoorbeeld dat Neanderthalers uit efficiency-overwegingen vooral op grote dieren joegen. Misschien dat Roebroeks bevestiging vindt bij opgravingen in Duitse voormalige bruinkoolgroeven waarbij hij betrokken is.

Maar er zijn genoeg andere onderzoekers die wél veelomvattende, niet toetsbare theorieën bouwen over het Grote Verdwijnen van de Neanderthaler. Vanaf zo’n 30 duizend jaar geleden is er plotseling geen fossiel meer te zien van deze oude, vertrouwde bewoners. Ze lijken verdwenen.

Wel wemelt het van de sporen van de Homo sapiens, die vermoedelijk al 40 duizend jaar geleden Europa binnenkwam vanuit Afrika. Een mensensoort die ‘moderner’ gereedschap had (betere speerpunten, naalden) en kunst maakte (grottekeningen, beeldjes). Hoe kon deze duidelijk slankere mens, die lichamelijk minder goed aangepast leek aan de kou, de robuuste Neanderthaler verdringen?

Die is niet verdrongen, luidt een theorie; die leeft in ons voort. Zijn genen zijn opgegaan in de onze. Er zijn niet veel onderzoekers meer die dit geloven. De moderne mens is echt in de plaats gekomen van de helemaal verdwenen Neanderthaler, luidt de groeiende consensus.

Maar hoe dan? Roept u maar. De Neanderthalers waren tóch niet zo goed aangepast aan de kouder wordende omstandigheden, is een gedachtegang. De steeds schaarser wordende jachtbuit kon hun energieverslindende lichaam niet meer voeden. Ze konden met hun primitievere gereedschap niet zo goed kleren maken en onderhielden hun vuur slecht.

Anderen zoeken het in de grotere beweeglijkheid van de moderne mens. In tegenstelling tot Homo neanderthalensis dreef Homo sapiens handel, stelt onder anderen de Tilburgse econoom Erwin Bulte. Daardoor had de moderne mens toegang tot betere jachtspullen. En de Spaanse paleoantropoloog Juan Luis Arsuaga zoekt het in het vermogen van de kunst makende H. sapiens om met behulp van symbolen en betere spraak bondgenootschappen te sluiten met verre soortgenoten die in tijden van nood te hulp schoten. De Neanderthaler kon zulke allianties niet smeden.

Maar ook met dít alles zijn nog lang niet alle vragen beantwoord. Stierf de Neanderthaler langzaam uit, doordat moderne mensen hem terugdrongen in steeds kleinere gebieden met almaar minder overlevingsmogelijkheden? Roeide de H. sapiens hem uit? Of allebei?

Het is niet eens zeker of de beide mensensoorten elkaar ooit hebben ontmoet. Zelfs niet of ze tegelijkertijd hebben geleefd – datering met koolstof-14 voor deze vroege periode is problematisch. En al verbeteren de researchtechnieken, echt uitsluitsel over het Grote Verdwijnen komt er vermoedelijk nooit.

Het jubileum is een expositie en een congres waard.

Vierhonderd meter van de Neanderthaler-vindplaats – de Fundstelle, – ligt het Neanderthaler Museum, tien jaar geleden geopend. Aan het eind van de zondagmorgen is het er druk geworden. Veel gezinnen met kinderen.

Ter gelegenheid van het jubileum heeft het museum de expositie Hautnah ingericht over de manier waarop tot voor kort nog velen tegen de Neanderthaler aankeken. Enorme portretten van de meest weerzinwekkende aapmensen hangen vanaf het plafond tot bijna de vloer. Ze contrasteren sterk met de mooie diorama’s in de permanente tentoonstelling, waarin vredige, zeer menselijk uitziende Neanderthalers figureren.

In één ervan hebben een Neanderthaler-kleinkind en haar oma een gesprek. Praten konden ze, dat weet het museum zeker, zoals het zeker weet dat deze oermensen in hutten woonden.

Op de gelegenheidsexpositie na is in het museum niets te merken van het jubileum. Evenmin in het stille stadje Mettmann, dat geen zichtbaar Neanderthaler-toerisme heeft. In Bonn was er wel iets: een wetenschappelijk jubileumcongres, eind juli. En het Neanderthaler-museum brengt volgende week een zilveren herdenkingspenning uit, in samenwerking met de Kreissparkasse Düsseldorf. Jazeker: de Neander-Taler.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden