Nu ga ik vijftig jaar niet drinken

De langverwachte grote roman van Doeschka Meijsing, schreef Aleid Truijens vorige week in haar recensie, is de geschiedenis van een ondergang....

IN DE TWEEDE MAN schrijft Doeschka Meijsing over de dichter en classicus Robert Martin, die al vroeg door zijn moeder en zijn veel oudere broer, de charismatische Alexander, werd verlaten.

Als deze Alexander in zijn huis op Cyprus overlijdt, erft Robert niet alleen diens vriendenkring en ettelijke miljoenen, maar ook een mysterieuze steen. Hij gaat op zoek naar de betekenis van die steen en ontdekt dan een andere kant van zijn broer - en van de geschiedenis. Dan blijkt hoe zwak de fundamenten van zowel de Griekse beschaving als het christendom zijn en stort Roberts wereld in. Hem blijft niets anders over dan zich dood te drinken, net als zijn broer, omringd door een stelletje stuurloze vrienden.

Voor iemand die een boek heeft geschreven over zulke ontredderde mensen, komt Doeschka Meijsing merkwaardig gelukkig en ontspannen over. Alsof het leven op deze zonnige ochtend niet zo uitzichtloos is als ze in haar boek beschrijft. Meijsing is niet blind voor de 'aardige' kanten van het bestaan. Voor haar is het schrijven van romans 'een van de meest aardige bezigheden' die ze kent.

- Toch is De tweede man niet zozeer een aardig, alswel een desolaat boek.

'Het is een zeer negatief boek. Ik vind het einde kei- en keihard. Geen soelaas. Het is echt afgelopen met Robert Martin. Een nietsnut, iemand - en dat is zijn tragiek - die veel gewild, maar niets bereikt heeft. Die altijd net de plank misslaat. Hij staat voor de westerse man die op drift raakt omdat hij zich aan niets gebonden weet, zich nergens toe verhoudt.

'Wat voor Robert geldt, geldt voor de meeste mensen in dit deel van de wereld. Dat menselijke tekort typeert Robert, die niet tegen het leven opgewassen is. Het heeft niet met mij persoonlijk te maken. Robert is niet zoals Jona, uit De beproeving, die veel dichter op mijn huid zat. Robert blijft een personage, al vind ik zijn lot deerniswekkend.

- Je praat over Robert alsof jij, de schrijver, geen enkele invloed hebt op zijn levensloop, alsof zijn ondergang zich buiten jouw wil om voltrekt.

'Ja, je wilt de hele tijd roepen: Robert, doe het nou anders. Net als bij dat groepje jongens op Cyprus, die lapzwansen en zwervers en landlopers. Je hebt zin om ze eens flink door elkaar te rammelen. Deed Robert dat ook maar, maar hij is niet zo'n figuur. Hij probeert wel eens kwaad te worden, maar dat blijft bij leeg machtsvertoon. Dan denk ik: dat zet toch geen zoden aan de dijk, Robert!

'Maar je kunt van mijn personages zeggen wat je wil: het zijn áárdige mensen. Ze gaan kapot en ze doen het niet goed en er blijft niets dan leegte achter, maar in feite is het allemaal alleraardigst, het beweegt zo aardig om elkaar heen, het leeft. Wat wil je nog meer? Als er geen doel is, is dat toch het mooiste wat er is; al dat gedraai en gekrioel van mensen. Over het algemeen vind ik de mensen in al hun verschijningsvormen erg leuk. Soms rij ik met de bus door een drukke winkelstraat, en dan denk ik: hier moet ik eens met God doorheen lopen, en dan zullen we tegen elkaar zeggen: ''De mensen doen toch maar hun best, wat goed is dat.'' '

- Dat klinkt wel vrolijk, maar je verhaal heeft meer gewicht dan alleen het gezellige gedoetje van de mensen.

'Ja, het gaat over de westerse existentie, over het feit dat we ons nergens aan gebonden hebben en nergens verantwoordelijk voor zijn. Dat we stinkend rijk zijn, maar radeloos. Net zoals Robert radeloos is. Het verhaal is en passant een zoektocht naar de pijlers van onze beschaving. Daar blijft niet veel van over. Dan blijkt Alexander de Grote niet zo heldhaftig te zijn als hij wordt voorgesteld, en blijkt het christendom echt gemaakt te zijn in plaats van organisch tot stand gekomen, zoals wij, westerse christenen, denken. Want christenen zijn we, ook al belijden we niet meer. We hebben alleen afstand genomen van die poppenkast van de kerk.

'Niet dat ik moest afrekenen met mijn eigen katholieke jeugd, hoor, want die is voor een kind juist heel leuk. A Roman Catholic childhood is a joy for ever, als je schrijver bent. Zoveel verkleedpartijen en geheimzinnigheid. Ik heb daar niet onder geleden, ik moet er achteraf alleen een beetje om lachen. Maar geloven is wat anders, natuurlijk.

'Ik zeg, laten we nou eens naar de feiten kijken, naar wat er in die eerste eeuw werkelijk gebeurd is. Om te zien of de arrogantie van het Westen, het idee dat wij de beste moraal hebben en het beste geloof, wel ergens op berust. Laten we eerst eens even onze eigen bronnen raadplegen, voor we verkondigen dat wij de beste levenswijze aanhangen. Ik ben tegen de vergoddelijking van Christus, net als ik tegen de vergoddelijking van Alexander de Grote ben. Historisch is het allemaal volstrekt onjuist.

'Die vergoddelijking van Christus, daar zeggen we in de twintigste eeuw van: dat kan niet. Ikzelf vind het een omweg. Het lijkt wel of de mensen geen onzichtbare God aankunnen. Alexander de Grote was net zo min een God. Hij was een genie, maar hij dronk zich dood op zijn 33ste. Alexander is door de woestijn getrokken, en toen hij weer boven water kwam, begon het pas goed met zijn alcoholisme. Misschien loop je juist in de woestijn tegen het einde van jezelf aan, tegen het niet-bestaan van God. Als mensen dingen heel goed doorzien, is het heel moeilijk om nog gewoon te leven. Want: waartoe? Er is geen waartoe.'

- Dat doorziet Sam Smart, de Amerikaanse liedjeszanger die zich in het gezelschap van Robert dooddrinkt in Dakar.

'Sam is een slimme man, die een goed inzicht heeft in wat er aan de hand is, en die enkele harde noten over alcohol kraakt. Het gedeelte met Sam Smart is het enige autobiografische in mijn boek. Ik ken het uit ervaring, dat alcoholisme van Sam: Ik ben expert op dat gebied. Het zijn een paar harde waarheden die Sam doorheeft. Dat geen enkele liefde tegen de fles op kan, dat je eerst denkt dat je de drank gebruikt om je angsten te bestrijden, tot de drank zelf je grootste angst is geworden.

'Sam is mij dierbaar. Het is zielig als die man doodgaat. Maar hij gaat fier ten onder, houdt tot op het laatst alles zelf in de hand, weet wat hij doet. Hij geeft zich geheel over aan zijn enige grote liefde: de alcohol. En dat is een prachtige overgave natuurlijk.'

- Robert lijkt die waarheden over de drank te ontkennen en zegt dat hij drinkt 'omdat het hemels is'.

'Dat is het ook. Ik heb vijftig jaar gedronken, dat was heerlijk. Ik heb verschrikkelijk leuke tijden gehad met de drank. Drinkers zijn hele vrolijke mensen, altijd opgewekt gezelschap. Nu ga ik vijftig jaar niet drinken. Dat is ook heerlijk. Ik mis het niet, het is een gepasseerd station, een ander hoofdstuk. Moeilijk? Nee, het is gewoon niet drinken.'

- Robert drinkt ook om een aantal waarheden niet onder ogen te hoeven zien.

'Ja, tot de schellen hem van de ogen vallen en hij inziet dat zijn geliefde broer een nare alcoholicus was, dat de bronnen van het christendom iets anders zeggen dan tot nu toe beweerd is, en dat Alexander de Grote ook een beest van een vent was. De oogst is niet zo verfrissend. De catharsis komt helemaal aan het eind, als Robert inziet dat hij zélf de tweede man is, en niet de eerste.

'Dan wordt het principe van de eerste en tweede man duidelijk, een wisselend mechanisme, nu eens is de een eerste, dan weer de ander. Is He faistion, Alexanders helper en minnaar de eerste man, of Alexander de Grote? Dat staat niet vast. De rollen worden voortdurend omgedraaid, afhankelijk van wie wie in zijn ban houdt. Het is altijd wederzijds.'

- Vrouwen lijken buiten dat mechanisme te staan.

'In mijn boeken hebben vrouwen meer autonomie dan mannen, ja. Roberts geliefde Anna heeft de capaciteit om haar leven vorm te geven, zij ziet onmiddellijk wat haar gelukkig kan maken en annexeert het. Robert zíet niet eens wat hem gelukkig kan maken.'

- Robert is ook een dichter, er spelen voortdurend poëziecitaten door zijn hoofd. Helpt de literatuur hem niet verder?

'Literatuur hélpt nooit. Literatuur is wel, zoals Robert zegt, ''de ontsnapping naar een beter inzicht''. En hij krijgt ook wel meer inzicht in zichzelf, alleen geen handgrepen om er iets mee te doen. De poëziecitaten zijn niet bedoeld als puzzel, als literatureluur, nee, die jongen is dichter. Hij leeft in een poëtisch universum, heeft voortdurend versregels tot zijn beschikking. Met de poëzie probeert hij het échec van zijn bestaan te vangen.

'Het gaat mij in de literatuur niet om het esthetische, maar om wat er over de wereld wordt gezegd. Wat een schrijver als Roosenboom over de wereld zegt, wat Mulisch over de wereld zegt, dat geeft me inzicht. Dan licht er even één onderdeel op in al die onderdelen van het bestaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden