Noordzee-blues of de derdewereldarmoede

'WIE de literatuur leest, leest de geschiedenis', meent Michiel van Kempen met betrekking tot Suriname. Hij bewijst het met zijn bloemlezing Mama Sranan - 200 jaar Surinaamse verhaalkunst....

Mama Sranan begint met de oudst bekende Surinaamse literatuur, de sprookjes en verhalen van inheemse stammen en van de slaven die uit India, Indonesië en Afrika werden geïmporteerd. Het zijn ongelooflijke verhalen, die in niets lijken op Westerse sprookjes. Er is meer moord en doodslag, en er zijn vooral veel gedaanteverwisselingen: mensen veranderen om de haverklap in vogels of vissen en desnoods ook weer terug. Soms zit er naar Westerse maatstaven weinig samenhang en structuur in de verhalen; er zijn er die slechts bestaan uit een reeks magische gebeurtenissen. De vertellers onderbreken zichzelf met liedjes, uitroepen of toelichtingen: 'Té, zo wordt het verhaal nog verteld. Het wordt verteld. Zo heeft het plaatsgevonden.'

Moderne Surinaamse auteurs grepen later terug op deze oude verhalen, vooral toen men, met de opkomst van het nationalisme, op zoek ging naar een eigen cultuur. Een verhaal als 'Mooiboetoe' (1921) lijkt bedoeld om hardop verteld te worden: 'Hola, Wat's dat/ Tjoep! tjoept tamboer-majoor tegen den grond, buitelt'ie op z'n handen. Buitelt'ie al maar door. A panni pabro.'

Het bleek niet eenvoudig in de overgeleverde verhalen een eigen Surinaamse kern te vinden. In een land, dat dank zij 'de beweeglijkheid van de mens' is ontstaan, zoals Van Kempen het uitdrukt, komen van oudsher zoveel culturen, religies en talen voor, dat eigenheid er slechts verscheidenheid kan betekenen. Dat probleem houdt veel van de hier verzamelde schrijvers bezig.

'De plee' bijvoorbeeld, een verhaal uit 1968 van R. Dorbu, gaat over de onmogelijke liefde tussen een creoolse jongen en een hindoestaans meisje, die elkaar in het geheim in het pleehokje ontmoeten. Zoals het de nationalist Dorbu betaamt, schreef hij delen van het verhaal in Sranan, al vertaalt hij dat ook meteen. Het loopt allemaal goed af met de gelieven: 'Intussen zouden er twee leuke halfraskleuters meer zijn onder ons zich dagelijks meer en meer mengend volk'.

Met dat mengen van het volk ging het minder hard dan Dorbu verwachtte. In 1997 verscheen er een verhaal van Alphons Levens, waarin hij zich kwaad maakt over de verdeeldheid in Suriname die 'van boven af' wordt geïnstitutionaliseerd. De overheid zou volgens hem de bouw van nieuwe tempels, moskeeën en gescheiden begraafplaatsen niet moeten toestaan, en het onderwijs mocht niet langer worden ingedeeld 'naar ras en geloof'.

En er is wel meer waarover deze schoolmeester zich kwaad over maakt. Hij vond het maar niks dat de regering iedereen dwong zijn putten te dempen, omdat er een waterleiding zou komen. Toen de waterleiding echter altijd stuk bleek, begon men in het geheim weer putten te graven. Het lijkt alsof de jaren niet voorbij zijn gegaan, besluit hij mismoedig.

Dat de tijd stilstaat in Suriname, is ook een klacht van Iwan Brave. Na te zijn opgegroeid in Nederland keerde hij terug. In een column in de Volkskrant deed hij kritisch verslag van zijn ervaringen in zijn geboorteland. Hij is verbaasd over 'de onbeholpen infrastructuur', en in plaats van een idylle ziet hij 'schrijnende derdewereldarmoede' en morele degeneratie. Als hij naar zijn geboortedorp terugkeert, schrikt hij van wat hij daar aantreft en keert er nooit meer terug: 'Ik heb te veel moeite met zoveel stilstand.'

Brave's verhaal is opgenomen in de afdeling 'Droom en schrikbeeld: Suriname in het oog van migranten 1968-1999'. Daarin staan meer kritische bijdragen, zoals het chagrijnige fragment uit Verworpen vaderland van René de Rooy. Voor het overige is dit deel gevuld met nostalgische stukken, soms in Sranan of Surinaams-Nederlands, met veel aandacht voor de couleur locale. Een fragment uit Edgar Cairo's Bimba Loda bijvoorbeeld gaat over een vrouw met olifantsbenen: 'Míjn wereld, is nie déze wereld. En deze wereld die je ziet, si nie van mij! Nee baja, nee me schat! Is nie ìk heb 't gemaakt en 't gaat nooit van mij worden.'

Onder de titel 'Noordzee-blues' zijn ook verhalen over ervaringen van migranten in Nederland opgenomen. Anil Ramdas vertelt in een subtiel stuk hoe het voelt om migrant te zijn. Hij vergelijkt het met te laat komen op een feestje: 'de onrust dat je plaats is vergaan, dat alle welwillendheid en gastvrijheid is vergeven', wat hem een gevoel van 'misbaarheid' oplevert. Maar niet emigreren lijkt al net zo moeilijk. 'Als die gasten uit Holland kwamen, dan gaven ze je een gevoel van minderwaardigheid, dat wij achterblijvers waren', merkt een meisje op in 'Hortend bestaan' van Ellen Ombre.

Ook de relatie met de eigen geboortegrond moet soms opnieuw worden bepaald. De verhouding van de stadsmens tot de woeste natuur van het regenwoud is een terugkerend thema. Vaak gaat het erom dat het woud de held confronteert met een primitiever aspect van zichzelf. Dat geldt bijvoorbeeld voor de fragmenten uit romans van Astrid Roemer en Frits Wols, en ook voor de prachtige novelle uit 1928 van Albert Helman, Mijn aap schreit. Een man raakt in paniek wanneer hij een aap heeft gekocht als huisdier, en ermee wordt geconfronteerd hoe menselijk het beest is. Het idee dat wij zo dicht bij de apen staan, vindt hij onverdraaglijk en uit wraak bezorgt hij de aap een onmenselijke dood.

De novelle van Helman is een van de eerste zuiver literaire teksten in het boek. Daarvoor schreven de auteurs veelal met een maatschappelijk doel voor ogen. De eerste kolonisten wilden vooral de lezers in het moederland informeren over Suriname. Soms klinkt het als regelrechte reclame, zoals wanneer een enthousiaste reiziger schrijft dat het land 'stof biedt, tot bewondering, tot eerbied, tot verrukking'. Daarnaast waren er ook verhalen die exclusief waren bedoeld voor mede-kolonisten, bijvoorbeeld om de gedragsregels vast te leggen in een land waar die minder vanzelfsprekend waren dan thuis.

Het mooiste voorbeeld daarvan is van een onderwijzer die schuilging achter het pseudoniem Kwamina. Zijn roman Jetta: schetsen en beelden uit een vreemd land is uit 1869: een tijd waarin er veel was veranderd in de kolonie. De slavernij was zes jaar eerder afgeschaft, en er ontstond een nieuw soort kolonist, die niet lang in Suriname bleef en vasthield aan Europese gewoonten.

Kwamina verwijt hen dat zij te zware kleren dragen, te laat opstaan en 's middags te lang slapen. Bovendien legt hij de nieuwelingen het een en ander uit over de Surinaamse moraal door ze een verhaal te vertellen over de mulattin Jetta, de onechte dochter van een planter en een slavin. Aan een dergelijke verhouding was 'niets aanstootelijks' in Suriname, bezweert Kwamina zijn lezers, al benadrukt hij voor alle zekerheid dat hij niet de bedoeling heeft 'den heilzamen invloed van het huwelijk op het maatschappelijk en huiselijk leven te betwijfelen'.

Zo waren er meer voorzichtige verdedigers van de Surinaamse cultuur in wat Van Kempen merkwaardigerwijs de 'cultureel weinig opwindende negentiende eeuw' noemt.

Schrijvers als Kwamina en Winkels leefden in een tijd waarin zich in Nederland een culturele democratisering voltrok. Een uitvloeisel daarvan is te zien in Suriname, waar tijdschriften en genootschappen als paddestoelen uit de grond rezen. Naast genootschappen als De Surinaamsche lettervrinden en De Surinaamsche Landbouw had je ook 'Oefening kweekt kennis', 'Inrigting tot vooruitgang in kennis en beschaving', het muziekgenootschap 'Zelfoefening' en 'De kolonist, tijdschrift toegewijd aan de welvaart van Suriname'.

Helaas blijft in Mama Sranan onvermeld wat de rol was van de niet-blanke Surinamers in zulke kringen. Zeker is dat de zwarten in de kerk maar al te welkom waren. Een merkwaardig voorbeeld van de negentiende-eeuwse zendingsdrang is het 'Skrekiboekoe': het 'Boek der verschrikkingen' van Johannes King. Het is een Surinaamse versie van Dante's Hel; King wordt er door de Heer persoonlijk rondgeleid om een blik te werpen op de straffen die de goddelozen te wachten staan: 'Kijk, ik laat je de ketels zien, waarin wij de mensen stoppen'. Die zijn gevuld met kokende olie.King krijgt de opdracht om, terug op aarde, de anderen van deze verschrikkingen te vertellen. Tevens krijgt hij te horen wat de weg is die leidt naar 'de tuin van God'. Dit soort verhalen moet King, een Matawai die zich had aangesloten bij de Evangelische Broedergemeente, hebben gebruikt voor zijn zendingswerkzaamheden onder de bosnegers.

Bijna alle verhalen uit Mama Sranangaan op een of andere manier over Suriname. Bovendien hebben ze veelal een politiek, maatschappelijk of religieus doel. Wat helaas niet duidelijk wordt uit de inleiding van Van Kempen is in hoeverre dit te maken heeft met zijn definitie van 'Surinaamse literatuur'. Dat is immers een ingewikkelde kwestie, met de vele bevolkingsgroepen, even zoveel talen, migranten, emigranten, immigranten, kolonisten, missionarissen, repatrianten, enzovoort.

Het enige wat Van Kempen zegt over zijn keuze, is dat het moet gaan om auteurs 'die hun lot definitief met Suriname hebben verbonden'. Dat is nogal vaag, zeker voor Van Kempen, die binnenkort hoopt te promoveren op dit onderwerp. Eerder gaf hij wel een definitie van de Surinaamse literatuur. Het zou gaan om teksten 'waaruit een (historisch gefundeerd) bewustzijn blijkt van te horen tot Suriname en bij te dragen aan de uitbouw van het Surinaamse cultuurgoed'.

Het ziet ernaar uit dat Van Kempen hier stilzwijgend deze definitie heeft gehanteerd, zonder in te gaan op het probleem dat zich daarmee voordoet. Is het niet zo dat je met die definitie alleen maar uitkomt bij teksten die Suriname tot thema hebben? Zodat je de niet-geëngageerde, zuiver esthetische literatuur bij voorbaat uitsluit? Van Kempen omzeilt zulke kwesties door zijn inleiding te kort en te oppervlakkig te houden. Wie meer wil weten, zal op zijn proefschrift moeten wachten. Het is een gemiste kans dat van Kempen dit boek niet heeft gebruikt om alvast een tipje van de sluier op te lichten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden