NOOIT MEER MOTREGEN

Met de goeie oude regen is het ook al niet meer wat het is geweest. Vroeger motregende het knus op straat en ook in de poëzie....

Wat is er met de regen aan de hand? Nog niet zo lang geleden kwam ze gewoon gestaag naar beneden. Soms regende het hard, soms regende het zacht. Soms motregende het. Maar altijd was er sprake van regelmaat, van een vast ritme. Regen om bij weg te dromen, regen om uren uit het raam te staren, slaapverwekkende regen, hypnotiserende regen, melancholieke regen. Regen waarvan je wist dat-ie voorlopig niet zou ophouden, voorspelbare regen.

We spraken van druilerig, miezerig weer. Grijze luchten, laaghangende bewolking. De wind had grip op de regen, die nooit helemaal recht naar beneden viel. Hollands weer, begrafenisweer, de-eerste-dag-weer-naar-schoolweer. Vestdijk- en Voskuilweer. Leesweer. Gerard Reves beroemde ‘weer van alle mensen’.

Maar nu? Pijpenstelen. Plensbuien. Wolkbreuken. Regen die loodrecht naar beneden valt. Regen die begint, weer ophoudt en dan weer begint. Regen waar geen pijl op valt te trekken.

Regen om te schuilen. Op de hoek van het Amsterdamse Sarphatipark en de Ceintuurbaan staan we met de fiets aan de hand onder een reusachtige terrasparasol te wachten tot het over is. Anderen moeten of willen door. Ze komen voorbij op het fietspad, een enkeling sprintend, voorovergebogen en met verwrongen blik, alsof er aan de situatie nog iets valt te redden. Anderen hebben zich met hun lot verzoend: ze worden kletsnat. Een enkeling grijnst naar het groepje schuilers.

Ook wandelaars met paraplu zijn niet veilig. Passerende auto’s veroorzaken reuzengolven. Het is wachten op een slachtoffer. Dat komt, in de persoon van een voetgangster met paraplu en hond. Verbijstering, een begin van verontwaardiging, maar daar komt weer een nieuwe auto; het is wijzer het hazenpad te kiezen.

Even plotseling als het begon houdt het op met regenen. Er breekt zelfs weer een zonnetje door. We stappen op de fiets en vervolgen onze weg, in haast nu. Gefopt. Honderd meter verder gaat het fout. Een nieuwe hoosbui. Een nat pak in tweede termijn.

Over ‘de kunst van het natregenen’ schreef Koos van Zomeren alweer jaren geleden een mooi stukje op de voorpagina van NRC. De tweede helft van ‘Buien’ gaat zo:

Tot op je huid!

Dan: het welgemeende ‘hèhè’ bij thuiskomst, het aflikken van de lippen, het druipen van het hoofdhaar, het huiverend verwijderen van de buitenste kledinglaag, het probleem van natte vingers met natte veters, het enigszins wijdbeens naar boven lopen, het beloeren van het eigen aangezicht in de badkamerspiegel, het afstropen van de overige kleding, het bewerken van huid met handdoek, het aantrekken van spullen die een schoon, droog, warm gevoel geven.

Dat je na dit alles bij de tv gaat zitten voor de Waalse Pijl en tevreden een sigaar opsteekt.

Van Zomeren gaat er dan wel vanuit dat het natte pak wordt opgelopen op weg naar huis. Maar het natregenen gebeurt net zo vaak op weg naar werk, naar kantoor. Dan moet je nog een hele dag.

Wat is er met de regen aan de hand? Natuurlijk: buien zijn van alle tijden, maar deze buien? Dat heeft niets meer met miezeren te maken. Evenmin met lage, grijze luchten. De ene wolk volgt de andere op en allemaal droppen ze hun lading in een keer, alsof het voedselpakketten zijn. Wolken als grijpmachines die Gods water in een klap op Gods akker lozen.

Begrafenisweer? Dat was motregen, mist, nevel. Stemmig weer. Met paraplu en lange regenjas was het goed te doen. Schoenen die een beetje bleven plakken in de modder, dat hoorde erbij.

Maar nu? In Vorden, in de Achterhoek, sloeg de bliksem in tijdens een begrafenis. Twee doden, drie gewonden. Het onweer kwam volkomen onverwacht, zeiden ooggetuigen. ‘Plotseling sloeg het weer om.’ Vrijwel alle leden van het christelijke fanfarekorps Sursum Corda sloegen tegen de grond toen de bliksem de boom trof waaronder ze beschutting zochten. De harmonie had zojuist ‘Veilig in Jezus’ armen’ gespeeld.

Dat de fanfareleden metalen blaasinstrumenten droegen kan ze noodlottig zijn geworden, omdat metaal een goede geleider is. Was het niet zo tragisch echt gebeurd, dan zou je denken aan een filmscène. Maar dan wel een Italiaanse filmscène. In elk geval een filmscène die speelt in een warm land.

In Nederland hoort begrafenisweer voorspelbaar te zijn. Grauwe, grijze regelmaat. Hier horen ook geen mensen te sterven tijdens begrafenissen.

Monique Somers van het KNMI meldde dat in Nederland per jaar gemiddeld een à twee doden vallen door blikseminslagen. Het totaal ligt dit jaar al op drie. Dat is op zijn minst een toename van vijftig procent en op zijn meest een verdriedubbeling.

Het woord zingt rond: broeikaseffect. We zijn op weg naar een klimaat met tropische trekjes. Nooit meer motregen, nooit meer druilerigheid. Geen echte kou meer, alleen maar zon en tropische buien. Onze hele identiteit komt in het geding. Over honderd jaar begrijpt niemand meer wat van de ‘factor Weder En Wind’ (Reve) in de Nederlandse literatuur van nu.

Wat bedoelt Rutger Kopland met ‘godvergeten vermotregend land’? Hoe moet het verder met het omvangrijke oeuvre van Simon Vestdijk dat door criticus Gabriël Smit werd getypeerd als ‘een permanente motregen’?

De boeken van Voskuil, waarin de druilerige regen over de pagina’s sijpelt, moeten we die in Nederland situeren? En het werk van Maarten ’t Hart, die het Hollandse weertype niet aflatend heeft beschreven, begrijpt iemand er straks nog iets van? Wat blijft er over van het calvinistische levensgevoel als het bijbehorende weertype wegvalt? Moeten we nu ook Latijnse trekjes gaan vertonen?

Natuurlijk, het gebruik van motregen, wind en mist in de Nederlandse literatuur dient voornamelijk ter onderstreping van somberheid, miezerigheid en godvrezendheid. Vrolijk is anders. Maar het is wel onze motregen, onze miezerigheid en onze godvrezendheid. En dan biedt die druilerigheid opeens troost. Vandaar dat de vraag van belang is: staat ‘het weer van alle mensen’ op punt van verdwijnen?

Bellen met het KNMI is vragen om ontnuchtering. Hoewel: volgens Rob Sluijter, voorlichter van de klimatologische dienst, spreken hij en zijn collega’s intern van een ‘broeikaszomer’ van het zuiverste water als ze het hebben over de afgelopen juli- en augustusmaand. ‘De droge en hete julimaand en de hoge-intensiteitsbuien van augustus, dat past feilloos in onze klimaatscenario’s voor de toekomst.’ En zijn collega Rob van Dorland zegt: ‘De kans op dit soort zomers neemt toe.’

Maar de vraag of het miezerweer dan verdwijnt, of de motregen zijn langste tijd heeft gehad, is moeilijker te beantwoorden. Op dat punt moeten de nodige slagen om de arm worden gehouden. Alleen al de definitie van motregen is lastig. Voor het gemak wordt aangenomen dat de diameter van motregendruppeltjes kleiner is dan 0,5 millimeter. Motregen ontstaat ook anders dan gewone regen. Grof gezegd: Motregen valt uit laaghangende bewolking waarin de temperatuur boven nul is.

Ook uit mist kan motregen ontstaan. Motregen valt langzaam naar beneden. ‘Het zit eigenlijk tussen vallen en zweven in’, zegt Rob Sluijter. Als de druppels de dikte van 0,5 millimeter overschrijden wordt gesproken van ‘lichte regen met geringe intensiteit’. Dat levert overigens een even druilerig straatbeeld op.

De KNMI-scenario’s voorzien dat de neerslag in het algemeen tot 2050 iets gaat toenemen vanwege de oplopende temperaturen. Maar ook de ‘droge tijdvakken’ nemen toe. Dat betekent dat als het regent, het meteen intenser regent .

Of, zoals Rob Sluijter zegt: ‘Het aantal events neemt toe.’ Simpel gezegd: het gaat vaker hard regenen en het gaat vaker niet regenen. Het aantal dagen waarop het licht regent neemt af. Dus, luidt de conclusie van de leek: het is waar, de motregen verdwijnt.

Het is gedaan met de laaghangende bewolking en de mist.

Maar Rob Sluijter vindt die conclusie vooralsnog te ver gaan. ‘Het is waar dat het aantal dagen met weinig regen afneemt, maar dan kan het nog best urenlang motregenen. Je moet ook onderscheid maken tussen zomer en winter. De neerslag zal vooral toenemen in de winter. In de winter zal de regen ook minder buiig blijven dan in de zomer. En motregen valt doorgaans in de winter.’

Overigens is Nederland volgens Sluijter helemaal niet zo’n motregenland. ‘In Engeland, Ierland, Schotland en Noorwegen is het veel erger. Dat geldt ook voor de gewone regen. Het regent in Nederland maar 7 procent van de tijd. Dat valt toch best mee.’

Volgens Rob van Dorland staat de bergachtige westkust van Noorwegen bekend om de eeuwige motregen. ‘Daar is ook een grap over. Een Amerikaan die er is gaan wonen vraagt na twee maanden aan zijn Noorse buurman: ‘Motregent het hier altijd?’ Waarop de buurman zegt: ‘Dat weet ik niet, ik woon hier pas twee jaar’.’

Weer een mythe ontrafeld. Nederland bezit geen exclusiviteit op motregen. Vlamingen dus evenmin, hoewel ook zij een deel van hun identiteit ontlenen aan grijze luchten en grauwe dagen. Het Vlaamse landschap leent zich er ook voor. Willem Elsschots novelle Het Dwaallicht speelt zich vrijwel volledig af in de regen. De regen beïnvloedt zelfs de loop der gebeurtenissen. Dat wordt al duidelijk bij de openingszinnen.

Een ellendige Novemberavond, met een motregen die de dappersten van de straat veegt. En mijn stamkroeg ligt, helaas, te ver in ’t Westen om op te tornen tegen dat kille gordijn. Voor het eerst sedert zeer lang, want de jaren vlieden, zal ik ditmaal naar huis gaan, waar mijn ontijdige intrede beschouwd zal worden als een stap op den weg die tot inkeer leidt.

Maar wij zitten nu opgescheept met de warmste julimaand ooit en de natste augustus sinds honderd jaar. Niet met gestaag vallende, geduldige regen, maar met slagregen, ontwrichtende regen. Meerdere plekken in Nederland stonden binnen de kortste keren blank, de warme zee en koude lucht dreven samen de spot met duinen en dijken, de waterballast werd er gewoon overheen geheveld. Is dat het toekomstbeeld, wordt dat het nieuwe decor van ‘Weder En Wind’?

Het KNMI sluit het niet uit. Rob Sluijter zegt: ‘Ik moet denken aan een verzwaarde dobbelsteen. Tot nu toe gooiden we met een eerlijke dobbelsteen. De kans dat je zes gooide was 1 op 6. Maar in de toekomst zal de dobbelsteen volgens de scenario’s niet meer helemaal eerlijk zijn. De kans zes te gooien wordt groter.’

Maar voor de hele korte termijn, dat wil zeggen de komende maand, valt het mee, zegt hij. ‘Dit soort extreme weerperioden duurt meestal vier tot zes weken. Het einde van de hevige regen lijkt nu in zicht. Misschien krijgen we nog een mooie nazomer.’

‘Wacht even’, zegt Sluijter dan. ‘Hier op de buienradar zie ik dat er morgen in Amsterdam een goede kans is op motregen. Dat is sterk, hè? Er komt zachte lucht het land binnen, die schuift onder de koude lucht door. Dat duidt op een ommekeer in het weer.’

En inderdaad: de volgende dag, afgelopen donderdag, valt er motregen. Een grijs gordijn van mist hangt over Amsterdam en er valt vieze regen uit. Weer waarvan je, heel vertrouwd, zou willen dat het ophoudt. Heerlijk mopperweer.

Het is goed en het is nodig, zo af en toe. Je zou willen dat het niet voor altijd verdwijnt. Omdat het mooie gedichten oplevert. En omdat het troostrijk weer is dat ons met het allerergste verzoent. In de geest van Slauerhoffs Herdenken:

Deze winter is ’t gekwelde weer

Niet tot rust gekomen: door de boomen

Trok de storm, in onophoudlijk stroomen

Sloeg het leger van de regen neer.

’t Licht heeft afscheid van het land genomen

In een vale bui en keert niet weer.

Men denkt soms aan een warm zuidlijk meer

Waar ’t geluk woont, maar kan niet ontkomen.

En ik vind dat ’t zoo blijven moet:

Grauw, zoo wordt de dood met warmte ontmoet

Doet ’t denken aan zijn komst geen zeer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden