Niks Gods ideale Hof van Eden. De natuur in al haar ruwheid

Van rups tot Gods vlinder

Met haar prachtige tekeningen van planten en dieren in Suriname baarde Maria Sibylla Merian rond 1700 veel opzien. Nog altijd raken deskundigen er niet over uitgepraat.

Beeld Lisa Klaverstijn & Marie Wanders

Anderhalve eeuw na dato geloofden sommige van haar geleerdere lezers nog altijd hun ogen niet. Een spin, zo groot dat hij vogelkens vangt en doodt? Dat moest voorwaar toch de overspannen verbeelding van een vrouw zijn. Door de Surinaamse hitte bevangen misschien?

Maar wat ze had gezien was waar, de Duits-Nederlandse natuurtekenaar Maria Sibylla Merian die in 1699 van Amsterdam naar Suriname reisde en daar het materiaal verzamelde voor een prachtig boek. Komende week vergaderen in het Amsterdamse Tropenmuseum honderden experts, van botanici en entomologen tot wetenschaps- en kunsthistorici, om van elkaar te leren over dat wonderlijke Metamorphosis Insectorum Surinamensium. Publiek is welkom.

Een boek op folioformaat dat, zoals de titel al verraadt, in zestig handgekleurde platen de gedaanteveranderingen van insecten van ei en rups of larve naar pop en vlinder, mot, kever of vlieg demonstreert. Plus enkele spinnen, slangen, padden, hagedissen, salamanders. In kopergravures. Op ware grootte. En in bijzonder fijnzinnige kleuren.

Prent 18 toont de vogelspin in kwestie, een groot zwart beest dat op een dode kolibri zit. Eromheen takken van de struik waar het tafereel zich heeft afgespeeld en een haast terloopse parade van gigantische mieren.

Maria Sybilla Merian: Metamorphosis insectorum Surinamensium Uitgeverij Lannoo; 200 pagina's; euro 119,00.

Op en top Merian, wijzen de kenners meteen. De detaillering van het insect, tot de haartjes aan toe. De levensechte pose. De struik en de andere dieren, die een haast moderne aandacht voor de ecologische samenhang verraden. Ook veelzeggend: de vraat aan de bladeren en stengels. Niks Gods ideale Hof van Eden. De natuur in al haar ruwheid. Een wereld waarin rupsen uitwerpselen achterlaten.

En in het Nederlands, een soms haast verontschuldigend persoonlijk proza dat uiteenzet hoe het tot dit boek gekomen is. Dat ze geen punten gebruikt maar alleen komma's, maakt de vertellingen en observaties tegelijk toegankelijk en gehaast.

Beeld Lisa Klaverstijn & Marie Wanders

Maria Sibylla Merian wordt in 1647 in Frankfurt geboren in een kunstzinnig uitgeversmilieu. Haar vader sterft als ze 3 is, waarna haar moeder hertrouwt met de bloemenschilder Jacob Marrel die haar al vroeg de fijne kneepjes van het pigmentwrijven en aquarelleren bijbrengt. Als kind verzamelt ze rupsen, kweekt vlinders en tekent die. Haar oudst bekende werk, een granaatappelboompje met vrucht en vlinder, is meteen Merian ten voeten uit. Ze trouwt met de schilder Johann Graff en vestigt zich in Neurenberg, waar ze adelijke dames schilder- en borduurles geeft en zich toelegt op het kweken van insecten. Hun huis aan de Milchmarkt staat vol kweekbakken met levende planten en dozen opgezette vlinders, kevers, vliegen en rupsen. In 1679 verschijnt haar eerste rupsenboek, waarin ze de stadia van plaatselijke vlinders afbeeldt. Met, dat is voor het eerst, hun voedselplanten. In 1683 verschijnt een vervolg.

Haar huwelijk met de jaloersige Graff verloopt intussen moeizaam. In 1685 vertrekt ze met haar moeder en twee dochters naar het Friese Wieuwerd, waar ze lid worden van een strenge geloofsgemeenschap, de labadisten. Schilderen en tekenen zijn er uit den boze, maar onderzoek doen mag wel.

Merian legt direct een nieuwe verzameling insecten aan. In Friesland ziet ze voor het eerst tropische insecten in de verzameling van wijlen de gouverneur van Suriname, Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck (1637-1688), een broer van de freules die de labadistenkolonie bestieren. Als de gemeenschap wordt getroffendoor ziekten, vertrekt Merian naar Amsterdam. Ze begint er aan de Spiegelstraat een handel in exotische specimens, van insecten tot vissen op sterk water, en kijkt haar ogen uit in de kabinetten van burgemeester Nicolaas Witsen en anatoom en meesterpreparateur Frederik Ruysch. In 1699 verkoopt ze haar hele voorraad en al haar prenten om een reis te bekostigen die opzien baarde. Naar Suriname, om er de natuur te bestuderen. Voor het geval haar iets overkomt, laat ze haar testament opmaken.

Beeld Lisa Klaverstijn & Marie Wanders

Maria Merian en haar jongste dochter zullen twee jaar in Paramaribo en de binnenlanden blijven, verzamelend, tekenend en schilderend, de namen van de planten en dieren noterend die ze van de plaatselijke indianen horen. In 1701 kan ze de hitte en het vocht niet langer verdragen en keert met kratten materiaal en een indiaanse hulp terug naar Amsterdam, vermoedelijk lijdend aan malaria. Daar zijn kunstliefhebbers en verzamelaars idolaat van haar tekeningen en schetsen en dringen aan op een drukwerk. Dat zal in 1705 het licht zien, in een kleine oplage. De prenten van veel exemplaren zijn op folioformaat en met de hand in aquarel ingekleurd, het graveerwerk is goeddeels uitbesteed. In de begeleidende teksten legt Merian uit wat we zien en hoe ze een en ander gevonden heeft. Hoe de planten in het Indiaans heten en hoe de wortels, bladeren en vruchten te gebruiken zijn.

Of de aanvreting van de planten en vruchten zo natuurgetrouw bedoeld was als ze nu lijkt, is maar de vraag. Merian zag in de natuurlijke taferelen ook een metafoor voor het goddelijke. De rups was de sterfelijke en falende mens, de pop de - tijdelijke - dood. En de vlinder of kever de ziel die uiteindelijk naar God opsteeg.

Het boek brengt haar faam en bewondering en de zaken aan de Spiegelstraat gaan uitstekend, tot ze in 1715 door een beroerte wordt getroffen. Haar jongste dochter neemt de zaak over en houdt de aandoening van haar moeder goeddeels geheim. Merian is een merk geworden. In de eerste dagen van 1717 koopt de lijfarts van tsaar Peter de Grote haar studieboeken en twee albums met 254 prenten en verscheept die naar Petersburg. In januari 1717 sterft Maria Merian, net geen 70 jaar oud. Ze wordt op het Leidse kerkhof aan de Amsterdamse Raamgracht zonder veel vertoon begraven.

En Merians vogelspin? Die bestaat, schrijft de op en top romantische natuurvorser Redmond O'Hanlon in zijn inleiding bij de imposante facsimile-uitgaven van het Surinameboek, vorig jaar uitgebracht door de Koninklijke Bibliotheek (Lannoo). Hij verhaalt zoals alleen O'Hanlon dat kan van een nacht in de Surinaamse jungle waarin hij, volgewreven met muggenolie, een doffe klap op zijn regendek hoort en in het schijnsel van zijn zaklamp de grootste spin ziet die hij ooit heeft gezien. Merians vogelspin, geland na een grote sprong.

Waarna de indianen die O'Hanlon vergezellen het beest met een stok doodslaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.