Niet meer, Jan, niet meer 'Ik moet niet zeuren. Op mijn vijftigste een verzamelbundel! Je kunt ook een hartaanval krijgen.'

Achtervolgd door deurwaarders. Verketterd door het Fonds voor de Letteren. Verteerd door de Onbereikbare Grote Liefde. Landgenoten opgelet: hier is Jan Kal met 1001 sonnet....

Hun zeggen Johan Cruijff wordt vijftig jaar,

dus in principe is dat een gegeven,

want net als bij het voetbal heb het leven

dat dus de dingen volgen na elkaar.

Je ken in wezen honderd worden, maar

normaal gesproken word je nooit meer zeven.

Op die soort basis is dus veel geschreven,

want als je hier bent, ben je dus niet daar.

Je moet je ergens aan de regels houden,

in een sonnet en op het voetbalveld.

Dat is dus logisch, denk je bij je eigen.

Je wordt wel ouder, maar je blijft de oude.

Jij, Johan, bent nog lang niet uitgeteld,

maar ik moet nu na nummer 14 zwijgen.

(Jan Kal: CRUIJFF 50)

TWEE TRUIEN hangen er klaar over een stoel. Een voor de dichter en een voor zijn gast. Voor als we het straks te fris krijgen. Het bovenwoninkje van Jan Kal in de Amsterdamse Jordaan is voor onbepaalde tijd van gas en licht verstoken. De aanmaningen zijn keurig gerangschikt; onbetaalde rekeningen van jaren. Wie weet, staat hij binnenkort weer op de keien. Huurder Kal lijkt er zijn monterheid onder te bewaren. 'Ik hoop niet dat je wc-papier nodig hebt', zegt hij ter begroeting. 'Dat heb ik niet kunnen kopen, want het winkeltje op de hoek is uitgebrand.'

Handenwrijvend komt hij onder de douche bij een benedenbuurman vandaan en constateert: 'Het is hier veertien graden, geen slecht getal voor een dichter van sonnetten. Toch?' Hij gnuift om zijn eigen vondst, maakt een danspasje en wijst naar een roerloze gedaante aan de overkant van het straatje. 'Dat is tante Koba. Ze zit de hele dag voor haar open raam in het spionnetje te kijken. Meestal heeft ze een vliegenmepper in de hand. Zo verglijden haar dagen. Misschien moet ik inderdaad maar eens een gedicht aan tante Koba opdragen.

'Dat ik daar nou nog niet op gekomen ben' En dan steekt hij kaarsen aan die zorgvuldig in lege wijnflessen zijn gezet. Mont Ventoux-etiket natuurlijk, vanwege zijn succesvolle debuut Fietsen op de Mont Ventoux - uit 1974 alweer. Slechts driehonderd gulden hield hij aan de bundel over, want 'mijn toenmalige uitgever Loeb heeft royalty's verdonkeremaand. Via de drukker kwam ik erachter dat er stiekem veel hogere oplagen waren gedrukt, dan waarvoor Loeb mij betaalde.'

Het beeld van de straatarme dichter kon niet romantischer. Zijn telefoon is afgesloten. Jan Kal (1946) heeft een historie van bijna-huisuitzettingen achter de rug. Al gauw een milletje of veertig aan huurschuld opgebouwd. Zo'n ongemak smeekt om een weldoener. En die is er dan ook. Zonder weldoener geen warme chocolademelk, geen broodje makreel, geen ouwe klare.

Sinds 'de literaire opperste sovjet' (het Fonds voor de Letteren) hem op de nullijn zette omdat zijn werk onvoldoende literaire kwaliteit zou bezitten, schoten vakbroeders te hulp: 'Men houdt bij het koorddansen van Kal keer op keer de adem in.' (Gerrit Komrij); 'Zijn gedichten zijn in ieder geval beter dan menigeen die door het fonds kwistig van beurzen wordt voorzien.' (Drs. P.).

Zelfs staatssecretaris Nuis van Cultuur gooide er in 1995 een vlammend pleidooi in dichtvorm tegenaan: 'Fonds, Heerser van het Al, Weest toch niet zo hardvochtig tegen Kal.' Maar 'het rariteitenkabinet dat 's lands subsidiegelden moet runnen' (Kal) bleek onvermurwbaar.

Ik had er zeer mijn zinnen op gezet,

geen moeite schuwend om te zegepralen,

maar Nederland miskent me tot en met.

Oligofrenen en microcefalen

minkukels in de uitvoering der wet,

u dient een echte dichter te betalen.

(Jan Kal, Duizendste sonnet)

Het werkte averechts. Ook het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds lijkt niet van zins subsidie te steken in Kals 1000 plus één verzamelde gedichten die nu bij de drukker liggen. Niettemin is Kal de afgelopen maanden in menig café glimlachend aangetroffen boven de dummy van zijn dichtersleven, verheugd als een kind dat zijn eerste spelcomputer liefkozend uitprobeert. Met een weekendtas en kilo's drukproeven liep hij in en uit bij zijn uitgever; steeds nieuwe correcties aanleverend, tot zijn redacteur in staat van radeloosheid was gebracht.

'In godsnaam hou op, Jan! Niet meer.'

'Het is bijna volbracht', zegt de dichter, giechelig balancerend langs het bed dat is ingesloten door boekenkasten. (Er liggen stapels onverkochte Kal-bundels van zijn vorige uitgever, die failliet en dood is maar 'sneller kon drinken dan zijn eigen schaduw'.) Jan Kals voorbije week telde al drie doorwaakte nachten. Vannacht moet hij weer door. Met correcties. In de 24-uurs-copyrette, want daar is het warm. 'Man, ik ben zo gespannen als een veer.' Vechtend tegen de slaap heeft hij het gevoel op het keerpunt van zijn leven te staan. Eindelijk.

De Kal-bijbel als balsem voor het verliefde hart dat tientallen jaren obsessief voor Marina zou kloppen - Marina van der Kooi van het Coornhert-lyceum te Haarlem.

De Kal-bijbel als troost voor een dramatisch mislukte medicijnenstudie van ruim twintig jaar die hij na een pauze van veertien jaar weer had opgevat.

Hoe profetisch klonk zijn allereerste sonnet (uit 1966): 'De schrijver denkt waar heb ik voor geleefd/ en ziet niet meer met knarsetanden/ dat het vergeefs was wat hij onderhanden/ gehad heeft en nu heeft.'

'Ik dacht: ik ben begonnen met experimentele poëzie en dit is het enige sonnet dat ik ooit maak. Er komt er nooit meer eentje bij.' Maar alleen al aan Marina, die uiteindelijk niets van hem wilde weten, wijdde hij welgeteld 59 sonnetten. Wanhopige sonnetten: 'O waarom duurt het toch zo lang, Marina!/ Het is alleen bij jou, indien gewillig,/ niet ongerijmd te gaan in een vagina.'

De zoon van een Haarlemse ambtenaar sloeg aan het dichten ('ik dacht, als je een bundel in je kast hebt staan, dan ben je iemand') nadat hij twee jaar door chronische hoofdpijnen was geveld. Door zijn ziekte liep hij zijn plaatdebuut als leadzanger van de beatformatie The Lazy Bones mis, terwijl hij toch zo leuk had geauditeerd. Iets tussen Dylan en Lennon in. Nu heeft het lange haar van de seventies plaatsgemaakt voor beschaafd grijs. Wacht even, lijkt hij niet op de warenhuisverkoper-met-die-geaffecteerde-stem uit de tv-dijenkletser Are you being served?

'Dat heb ik nou nog nooit gehoord', reageert hij lichtjes gechoqueerd. 'Wel heeft een ober me ondanks mijn pigmentaandoening een keer aangezien voor de PvdA-belastingspecialist Flip de Kam. Wanneer Flip van plan was de rekening te betalen, weet je wel.' Maar geen grappen, hier op zijn ijskoude verdieping. Hij staart uit het raam naar tante Koba en vertelt hoe hij de dag voor zijn eindexamen gymnasium bij Marina werd ontboden. Gierend van het huilen had ze de verkering uitgemaakt.

Volgens de rector was Kal een ordinair fuifnummer die aan de lopende band meisjes verleidde. 'Terwijl ik nog nooit met een meisje naar bed was geweest, nog nooit. Van A tot Z gelogen.' Maar de rector onderhield hem voor het front van de hele school. De rector had smerige leugens gehoord (en doorverteld) van Marina's vader, de voorzitter van de oudercommissie; dat Marina slechte cijfers kreeg door de omgang met de seksmaniak Kal. Pa bepaalde voortaan wel met wie zijn dochter mocht omgaan. Zo was de kiem voor een ongelukkige liefde gelegd. In twintig, dertig jaar is het af en toe heel even 'aan' geweest.

Op zijn bijna 51ste kan Jan Kal er een spreekbeurt van uren over houden - af en toe struikelend over zijn eigen zinnen. Alsof in dat halve mensenleven alles ondergeschikt werd aan die ene passie. Alsof hem in de schaduw van de ongelukkige liefde ten slotte niet anders overbleef dan de resterende levensdagen gestaag rijmend aaneen te rijgen, als kraaltjes. Hij grijnst de grijns van een vermoeide paljas na de finale voorstelling. 'Marina heb ik deze maand voorgoed uit mijn hoofd gezet', zegt hij met dunne stem. 'Zij is nu beeldhouweres. Zij heeft veel vrienden. Zij is niet, eh, eenkennig.'

Op een voordrachtavondje in de Amsterdamse sociëteit Arti et Amicitiae zag hij haar naar binnen glippen. 'Toen kon ik alleen maar Marina-gedichten over mijn lippen krijgen. Ze gaf geen enkele reactie. Geen enkele.

'Toen ik in de krant las dat haar vader was overleden, ben ik naar de begrafenis gegaan. Daar komt iemand naar me toe die zegt: Meneer Kal, wilt u op verzoek van de familie niet spreken en achteraan gaan staan?'

Marina's vader was cardioloog. Op zijn 42ste dacht ook Kal toe te treden tot de medische stand. Maar hij miste viertiende punt van zijn schriftelijk examen Interne Geneeskunde. De laatste kans om het doctoraal-oude-stijl te halen, was met die akelige 5,6 op zijn cijferlijst voorgoed vervlogen. 'Mijn wereld stortte in elkaar. Veertien jaar had ik m'n studie onderbroken, wegens geldgebrek. Want in het begin kreeg ik nog drieduizend tot zesduizend gulden per jaar van het Fonds voor de Letteren, maar daar kon ik onmogelijk van leven.

'Ik ben nachtwacht geweest in een crisiscentrum en ben pas weer met studeren begonnen toen ik een deeltijdbaan kon krijgen in de medische bibliotheek van de VU. Nog steeds ben ik bibliotheekmedewerker. Vijftien uur per week. Ik had daarmee mijn schulden deels kunnen aflossen, als het Fonds voor de Letteren in 1990 niet had besloten mijn schamele werkbeurs helemaal in te trekken.'

In scheldsonnetten (bijeengebracht in de bundel Het Schrijvershuis) trok de armlastige Kal verbitterd van leer tegen experimentele dichters als H.C. ten Berge, Lidy van Marissing, Jacques Hamelink en Jac Vogelaar: 'Van die zakkenvullers die met hun verschrikkelijke avant-garde zelf soms tot wel vijftig mille per jaar hebben opgestreken. Vol afschuw over mijn hyperbolen bepalen ze in commissies dat ik maar een zevenderangs dichtertje ben, met een literaire kwaliteit van lik-me-vestje. Dat ik geen cent meer krijg. En zij zelf des te meer. Dat zijn toch wantoestanden?'

Hij dichtte: 'Mijn werk hoort blijkbaar in dit land niet thuis/ Het Fonds lijkt wel de sovjet-schrijversbond/ het maatschappijveranderend gespuis/ vreet zich aan onze staatsruif rond.'

'Als ik maar het laagste had gekregen dat het Fonds uitkeert, dan had mijn leven er totaal anders uitgezien. Dan had ik een studie kunnen doen. Maar ik heb nooit bij de pakken neergezeten. Het moet toch één keer goed gaan. Denk je niet? Ik ben tenminste nog gezond. Ik kan wel denken dat ik het moeilijk heb, maar het is toch mooi om op je vijftigste een verzamelbundel te krijgen - en nog wel bij een uitgeverij die ook de grote Slauerhoff uitgeeft, da's niet niks. Je kunt ook een hartaanval krijgen, zoals een cellist die ik uit het café ken en die ik soms opzoek in het verpleegtehuis waar mensen in coma liggen.

'Ik moet niet zeuren, al zit ik even zonder gas en licht. Twee keer per week eet ik een warme hap in de mensa van de Vrije Universiteit, want koken daar kom ik niet toe. En ontbijten doe ik ook nooit, dat scheelt.'

Peinzend kijkt hij naar zijn eigen ademwolkje. 'Als de bundel er is, wil ik niet langer op dit kamertje blijven zitten. Want dan gebeurt er niks. Nee, per 1 januari laat ik me weer als student inschrijven. Ha! Ik moet en zal mijn doctoraal halen. Misschien ben ik dan al op mijn 55ste basisarts. Voor m'n zestigste zeker. Allang! Als ik straks geld krijg voor mijn bundel, kan ik al co-schappen gaan lopen.'

Het is tijd voor het stamcafé. De dichter heeft er nog gewerkt als schoonmaker. Sindsdien krijgt hij in de speculaasjestijd altijd een extra speculaasje toegestopt.

- Ik wil iets warms, zegt Kal.

- Neem een douche, klinkt het droog aan de bar.

Noem je mooiste gedicht, vraag ik.

Hij raakt in diep gepeins verzonken. Hij blijft het antwoord schuldig. Alles van z'n verzameld werk is hem even lief. Niets wordt terzijde geschoven. Sterker: de dichter zal nog geen treinkaartje wegmikken. Alle treinkaartjes uit z'n bestaan heeft hij bewaard. Iedere treinreis is een eenmalige gebeurtenis in een mensenleven, tenslotte.

Soms mist de dichter een momentopname. Twee jaar geleden zou Jan Kal met andere literatoren uit zijn geboortestad Haarlem op de foto. Hij werd weggeroepen voor een gesprekje met de Haarlemse omroep en inmiddels was de foto al gemaakt. Zonder hem. Daar heb je het weer: d'r bij horen en toch weer niet. Hij heeft zich in dat lot geschikt.

'Toen die geschiedenis met Marina achter de rug leek, zou ik gaan trouwen met Aletta. Ik dacht: zie je wel, nu gaat het goed! We zijn in ondertrouw gegaan, de kaartjes waren al gedrukt. Op donderdag kwam Piet Schreuders van De Poezenkrant langs en hij gaf me 150 postzegels om op de trouwkaarten te plakken. Als huwelijkscadeautje. Heel fideel.

'Op vrijdag kwam Piet bij ons eten en hij zei: ''Jan, ik ga een bachelor's party voor je organiseren.'' Dus zondag hebben Aletta en ik allebei enveloppen zitten schrijven. Ze zei dat de broek van m'n trouwpak nog uitgelegd moest worden. Ze ging 's avonds ook nog even naar Piet en ik dacht: o, die gaan zeker nog iets voor me organiseren. Met het oog op die party. Toen heeft Piet z'n eigen bachelor's party georganiseerd.

'Enfin, ze woont nog steeds bij Piet.

'Afgelopen meimaand wordt een boek van Piet gepresenteerd. Ik ga naar die vernissage toe, zo ben ik wel. Maar ik ben daar straal genegeerd door alletwee.'

Hij kijkt me aan met een gekwelde glimlach. Aletta was goed voor menig droef sonnetje. Dames met wie hij langer heeft verkeerd, moesten het daar zonder stellen. We zijn inmiddels in een volgend café beland; het is ondergedompeld in de melancholie van Chet Baker. Instemmend beluistert de dichter de strofe I've mortgaged my castles in the air. 'Heb je dat meesterwerk van je nou eens een keer af Jan?', sart een habitué. 'Schrijf nou eens een filmscenario voor me. Je begint gewoon met ''Er was eens'' en je eindigt met ''Einde''. Verdien je meer mee dan met gedichten.'

De dichter knijpt zijn ogen dicht en gromt: 'Dit kan de hele avond doorgaan. De man weet van geen ophouden. Maar zo ver zal ik het niet laten komen. Ik moet aan de slag, al val ik om van de slaap. Morgenochtend moet de uitgeverij mijn laatste correcties hebben. In mijn registers komen duizend namen voor, verwijzingen naar teksten in de Bijbel en wat niet meer. Dat moet allemaal haarfijn kloppen. Ik zal ze even een poepje laten ruiken.' Conclusie: Jan Kal staat pal. Goedkeurend knikje. 'Dat zet je zeker in de kop boven het interview?'

'Tot de laatste dag heeft Jan zitten veranderen', zal hoofdredacteur Vic van de Reijt van Nijgh & Van Ditmar zeggen. 'Hij geeft al z'n wijzigingen nu achter onze rug om door aan de vormgever. Onze redactrice wordt stapelgek van Jan. Maar voor mij is z'n maniakale manier van werken ontzettend charmant. De uitgebreide registers in zijn bundel zijn op zich al een fantastisch curiosum, waarmee Jan iets van eeuwigheid aan zijn prestatie poogt toe te voegen. Gerrit Komrij heeft er met een grote sardonische grijns van zitten smullen.

'Jan Kal heeft z'n weerga niet. Als je toch ik weet niet hoeveel zevenderangs-teksten van Frank Sinatra, die nota bene door anderen geschreven zijn, tot sonnetten gaat verheffen, dan is dat toch waanzinnig? Dat hele deftige clubje van het Fonds voor de Letteren mag het allemaal niet literair vinden, maar voor mij is de acrobatiek van Jan Kal een soort Opperlandse taal waarmee hij zijn eigen unieke plaats als dichter heeft verworven.' Ja, Jan Kal bevindt zich volgens zijn uitgever in het goede gezelschap van een Annie M.G. Schmidt, een Kees Stip, een Willem Wilmink en een Drs. P., die weliswaar nooit de P.C. Hooftprijs kregen, 'maar dat zijn toch ook geniale tekstdichters?'

Op 22 november moet de Kal-bijbel in de boekwinkel liggen. Prijs: 75 gulden. En als het Fonds voor de Letteren op 5 november de aangevraagde subsidie definitief afwijst? 'Dan zou de bundel 125 gulden moeten kosten', zegt Kals uitgever. 'En dat is natuurlijk te veel van het goede. Maar we hebben nog een joker in het spel.'

In het tl-schijnsel van de universiteitsbibliotheek in Buitenveldert is de grijze medewerker J. Kal een paar avonden later over een stapel roze formulieren gebogen. Het is stil. Medewerker Kal houdt de wacht. Hij doet de lift op slot, zodat zijn hulpjes op andere etages niet bij elkaar gaan buurten. Een computer zoemt. Een stoel kraakt. De medewerker kucht. Er is een loden last van hem afgevallen. Hoewel: die aller-aller-laatste correctietjes heeft hij net niet gehaald. Want ja: niet meer Jan! Niet meer.

'Kijk, zegt de medewerker, ontspannen in de kaartenbak woelend. 'Dit zijn nou de boetes van te laat teruggebrachte boeken zoals ik die vandaag heb geregistreerd. Ik krijg niet alleen deurwaarders op m'n dak, nee: ik in zelf ook boetes.'

Zijn schaterlach is nog op de lege gang te horen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.