Niet de grote grazers, maar prehistorische mens maakte de open vlakten - die brandde de boel plat

Archeologen wijzen erop dat er maar weinig botten van prehistorische grazers zijn teruggevonden

Vergeet de grote grazers. De open vlakten uit de oertijd werden gewoon door de mens gemaakt: die brandde de boel plat. Soms zelfs voor de lol.

De Oostvaardersplassen in Flevoland, een natuurgebied waar zogeheten grote grazers het dichtgroeien tegengaan. In de oertijd is het vermoedelijk anders gegaan. Foto Foto Ruben Smit

De Nederlandse oernatuur werd niet kaalgevreten door grote grazers, maar platgebrand door prehistorische jagers-verzamelaars. In prehistorisch Nederland zullen dan ook veel minder grazers hebben rondgelopen dan vandaag het geval is in de Oostvaardersplassen - maar wel mensen met fakkels.

Bodemmonsters

Tot die opmerkelijke conclusie komen Amsterdamse en Wageningse onderzoekers na analyse van bodemmonsters bij het Laarder Wasmeer, even buiten Hilversum. Waarschijnlijk stak men de oerbossen in brand om wild naar het jonge nieuwe groen te lokken en vooral hazelaars de ruimte te geven, zegt onderzoeksleider en hoogleraar fysische geografie Jan Sevink (UvA).

'Hazelnoten waren destijds een belangrijk onderdeel van het dieet. En bij herhaald branden verdwijnt de grove den, maar de hazelaar kan er redelijk goed tegen.' Een soort oervorm van landbouw dus eigenlijk: 'Het traditionele beeld is: je had jagers-verzamelaars, en daarna had je, pats-boem, landbouw. Maar in werkelijkheid was er een langdurige overgangsperiode, waarin men de omgeving steeds meer naar zijn hand zette. Platbranden speelde daarbij waarschijnlijk een grote rol.'

Over hoe de Nederlandse 'oernatuur' er na de laatste ijstijd uit zag, woedt al decennialang een verhitte discussie. In een invloedrijke reeks studies schetst bioloog Frans Vera een half open parklandschap vol grote planteneters, een beeld dat onder meer tot de inrichting van de Oostvaardersplassen heeft geïnspireerd. Maar archeologen wijzen erop dat er maar weinig botten van prehistorische grazers zijn teruggevonden. Volgens hen is het zanderige, heideachtige landschap van vooral Midden-Nederland anders ontstaan.

Alternatief

Het nieuwe onderzoek biedt zo'n alternatief. Met zijn Amsterdamse collega's Bas van Geel en Boris Jansen, en Jakob Wallinga van de Wageningen Universiteit dateerde Sevink stuifzandmonsters en korreltjes houtskool uit de bodem rond het Laarder Wasmeer, een natuurgebied tussen Hilversum en de A27. De monsters bleken stuk voor stuk veel ouder dan de komst van de vroegste boeren, zo'n 3.500 jaar voor Christus. Het is bewijs dat het landschap toen al millennia lang open was, én dat het vermoedelijk werd opengehouden door branden, schrijft het team in vakblad Catena.

'We zeggen niet dat Frans Vera ongelijk heeft. Wél dat hij een te eenzijdig beeld schetst, met al die begrazing', zegt Sevink. 'Als de mensen het bos met enige regelmaat in de fik staken, krijg je ook een open parklandschap.' Het team wist twee grote bosbranden te dateren: een rond 8400 voor Christus, en een in ongeveer 6300 voor Christus. 'Maar het moeten er veel meer zijn geweest', zegt Sevink. 'Waar je ook kijkt, de bodem zit tjokvol houtskool uit die tijd.'

Net zo slim

'Zeer aannemelijk', vindt ook archeoloog Fulco Scherjon (Universiteit van Leiden), niet betrokken bij het Amsterdamse onderzoek. 'We weten dat ze konden branden. En uit de landen om ons heen, waar het bewijs nog wat sterker is, weten we dat ze het in die tijd ook deden. Deze mensen waren net zo slim als wij. En ze kenden de natuur. Ze wisten dat als je bepaalde gewassen afbrandt, dat die het volgend jaar sneller groeien.' In onder meer Duitsland, Denemarken, Italië, België en Noorwegen vonden archeologen duidelijk bewijs voor aangestoken bosbranden uit de Steentijd.

Maar Frans Vera ziet dat duidelijk anders. De branden kunnen ook best door de bliksem zijn ontstaan, terwijl vogels verantwoordelijk kunnen zijn voor de oprukkende hazelaars. 'Je hebt vuur helemaal niet nodig om te verklaren wat we zien', vindt Vera, die staande houdt dat de grote zoogdieren cruciaal waren bij de vorming van het landschap. 'Maar om de een of andere reden dienen natuurlijke processen te worden uitgesloten. Dat zie je ook weer bij deze theorie: een antropocentrische verklaring: de mens staat centraal.'

Het is zeer wel denkbaar dat de prehistorische mens meerdere redenen had om de natuur in brand te steken, vertelt Scherjon: om prooidieren te lokken, holen beter te kunnen vinden, meer zicht te hebben of zelfs gewoon als vorm van amusement. 'Van huidige natuurvolkeren weten we dat het ze geen moeite kost vuur te maken.'