Niet bij surfplanken alleen

'Dit land is van de wind en van de regen en van de wolken en de horizon', schrijft de dichter....

ER ZULLEN maar weinig straathoeken in Nederland zijn, die zo'n spectaculaire botsing te zien geven, ononderbroken en zonder materiële schade, als de hoek tussen de Klinkerweg en de Hoofdweg in Finsterwolde. Finsterwolde, dat is Oost-Groningen, het uiterste noordoostelijke lapje Nederland. Een versuft dorp, dat in feite uit niet meer dan twee elkaar kruisende doorgaande wegen bestaat. In een van de vier hoeken die ze met zijn tweeën maken - waarom ben je toch altijd geneigd die als de kleinste, als een binnenhoek te beschouwen? - heeft zich nog wat extra bebouwing genesteld, maar veel stelt die niet voor.

Twee landwegen die ineens, vanaf het plaatsnaambord, lanen worden, met bebouwing en wat groen; een ervan is door de gemeente Reiderland vervaarlijk van hindernissen voorzien, voor het geval de automobilist die erop rijdt werkelijk op een botsing uit mocht zijn. Daar zal hij dan nog het nodige logistieke talent voor moeten meebrengen, want het is stil in Finsterwolde, beklemmend stil. Auto's rijden er niet en de mensen kijken argwanend op vanaf hun erven wanneer de mijne passeert.

Finsterwolde is een klein dorp, dat apathisch ligt te stumperen in een land 'wijd als de hemel zelf, met eendre rand'. Heel in de verte staan de windturbines, die hier met verve en zonder ooit rust te krijgen hun werk kunnen doen. Nog verderop naar het noorden is nog net de dijk te zien, zoals er naar het zuiden het vermoeden van een lijn loopt die de snelweg van Groningen naar Oldenburg in Duitsland is. 'Dit land is van de wind en van de regen en van de wolken en de horizon.'

In deze nuchtere streken, waar de mensen felrood geworden zijn als was het om het eentonige kleurenpalet van blauw en groen wat op te vrolijken, dragen de straten nuchtere namen. Klinkerweg, Hoofdweg; Modderland, heet er zelfs een, onderweg van Finsterwolde naar het gehucht Ganzedijk. En tussen Beerta en Nieuw Beerta, juist bezuiden Finsterwolde, is een lege landweg die Hamer en Sikkellaan heet: een laan is het op geen enkele manier, maar dat verharde karrespoor 'weg' noemen zou in deze achterdochtige buurt denkelijk als een misselijke politieke streek ervaren zijn.

De Klinkerweg is de straat waardoor je het dorp binnenrijdt als je uit de richting van Winschoten, zeg maar Groningen of, nog iets royaler, de randstad komt. Kleine huisjes, in rode baksteen waarvan de harde kleur pijn doet aan je ogen; de pannendaken zijn met het zonlicht erop zelfs oogverblindend. Klein, laag, verhoudingsgewijs langgerekt en her en der van allerlei wonderlijke zelfgebouwde uitstulpingen voorzien. Wie erlangs rijdt krijgt hetzelfde gevoel als wanneer hij over een rooster in de weg rijdt: het gaat trillen in zijn hoofd, zijn lijf.

Klein, rood, armoeiig: ze verraden geploeter, gesappel.

Tot op die hoek, waar de Klinkerweg wordt doorsneden door de Hoofdweg. Naar links, naar het westen, voert die prompt het wijde, lege land weer in, maar naar rechts is die ineens een stuk breder en wordt een heuse laan, een boulevard bijna. Aan wat nu maar de buitenkant van het dorp moet heten zijn ze daar ineens, de grote, lui liggende plaatsen, de immense boerenschuren verborgen achter een telkens weer op andere wijze verrassend woonhuis. Groot, stijlvol, smaakvol - en zo individueel dat je ze wel individualistisch zou willen noemen. Het is alsof ze zich generen voor de bron van hun welstand en weelde; als de kanten kragen op de borst van een zeventiende-eeuwse patriciër dekken ze hun romp, hun arbeidzaam lijf af.

Twee straten, twee werelden. Finsterwolde, diep in het Groninger land, was ooit een dorp van garnalenvissers. Zij ploeterden op de lage gronden en in de geulen van de Dollard hun kostje bijeen - totdat de gronden zo laag werden dat de verleiding te groot werd om daar land van te maken. En dus ontrolt zich boven het dorp nu een ware fuga van polders, van elkaar opvolgende lage dijken die gaandeweg naar het waddengebied steeds hoger worden en waar zich na iedere dijkdoorgang een landschap ontrolt dat hetzelfde is als het vorige, maar dan anders.

Een fuga van landschappen die uit rechte kavels bestaan, doorsneden door liniaalrechte wegen. Her en der een boerderij en op de kaart een opklimmende reeks namen en jaartallen: Oostwolder polder (1769), Reiderwolder polder (1862), Carel Coenraadpolder (1924). 'Die dit land overwon, met strakke wilskracht - die de dag begon met graven bij zonsopgang en de spade niet rusten liet eer de bloedrode zon hem duidde dat het avond werd (. . .) de oeverlijnen der vaarten verraden zijn aard die wijd en rechtgesneden is.'

Achter de majestueuze boerderijen van de Finsterwolder Hoofdweg ligt de polder De Binnenlanden, de oudste van de streek: hij is van 1545. Maar zo oud als hij is, zo leeg is hij nog. Ononderbroken groen, omzoomd door een keten van gebouwen. Langs de kant van Kostverloren en Drieborg - net voorbij een vlek die Hongerige Wolf heet, wat een intrigerend poëtische naam is, juist in deze buurten waar de enige ooit gesignaleerde wolf op zijn hoogst een zeewolf heeft kunnen zijn, smakelijk toebereid in een van de tot luxe restaurant getransformeerde buitens -, langs de noordoost kant, kortom, bestaat die uit dezelfde armoeiige bedoeninkjes als de Klinkerweg in Finsterwolde kent. Lage huisjes, nog lager lijkend hier doordat ze tegen de oude zeedijk, de Schanskerdijk, staan aangedrukt.

Maar van Finsterwolde over Nieuw Beerta naar Drieborg ontrolt zich net zo'n feest als langs de Hoofdweg. Het is alsof ze elkaar de loef hebben willen afsteken, de herenboeren van het Groningse polderland. Lofwerk als kant zo fijn langs de daklijst, erkers, theekoepels en hier en daar zelfs een torentje onder een dak van groen geglazuurde pannen. Raamkozijnen in de fraaiste vormen, oprijlanen, siertuinen. De rand van de polder is een architectonische diadeem.

Want de polder bracht, als alle polders hier, weelde - althans voor wie het land bezat. De Dollardklei bleek de vruchtbaarste die er was, bracht het beste koren voort. De kroon van gebouwen omkranste 's zomers een gouden hoofd van graan, stralend als het blonde hoofd van een oogstkoningin. Waar het mettertijd toe heeft geleid hoef je niet te zoeken: botsingen. Botsingen in de bebouwing, in het landschap - hoog en oud land tegen laag en nieuw, weide tegen akkers - botsingen tussen de mensen. Oost-Groningen is de oudste enclave van het Nederlandse communisme - en met Cuba de laatste waar dat communisme nog beleden wordt. De keerzijde van die rijkdom langs de polderrand is een geschiedenis van oproer en stakingen, van schrijnende armoe en wanhoopsdaden.

Maar het is uit, uit met de grandeur en met de ellende: voor de ellende kwam de verzorgingsstaat, voor de grandeur het Europese landbouwbeleid. En dus loopt het arbeidzame deel van Oost-Gronigen in de steun of zocht een veilig heenkomen en staan sommige van de imposante boerderijen er inmiddels haveloos bij. Een enkele is het lijden zichtbaar fataal aan het worden: de ruggengraat van het lange dak van de graanschuren is geknakt of het trotse woonhuis is verlaten of uitgewoond.

Het is uit met de weelde van het graan - uit met de tegenstellingen, uit met de honger, uit met de dorst.

En dus is er, zoals dat gaat, een nieuw plan: de boel moet maar weer blank. De hoek oud land onder Finsterwolde, westelijk van Beerta, eerst, en misschien gaat daarna de polder De Binnenlanden er ook aan. Viereneenhalve eeuw staat hij droog, talloze generaties heeft hij van brood en graanjenever voorzien, maar dat is allemaal over, straks gaan we er spelevaren en peuzelen er onze pistoletten op bij een glaasje riesling, zittend op de beschoeiing achter de boerderij. Waar nu de schuur is zal dan wel een jofel conferentieoord voor vermoeide managers zijn, waar nu het voorhuis pronkt de entree van een specialiteitenrestaurant - met veel garnalencoctails en zeewolfvariaties op het menu.

Je kan je ogen niet geloven, en de planologische kaarten al evenmin. De mens leeft niet bij brood alleen, dat is waar, maar sinds wanneer is windsurfen belangrijker dan eten?

Er wringt iets in zo'n driest plan; het mag dan de natuur haar vrije loop hergeven, het druist tegelijkertijd tegen de Nederlandse natuur in. Water in de Dollardpolders, een voor een weer onder laten lopen wat in de loop der eeuwen werd gewonnen, het voelt aan als de omgekeerde wereld. Het is alsof er weer eens zo'n valse redeneerfout van listige economen in het plan schuil gaat, die types die van alles de prijs maar van niets de waarde kennen. Nee, niet bij brood en graanjenever alleen - maar heeft de auteur van die beroemde regel daar nu werkelijk mee bedoeld het watersporten aan te bevelen?

HET MOET UIT die emotie zijn voortgekomen, het boek De graanrepubliek, dat Frank Westerman over deze streek van het land en deze streken met het land heeft geschreven. Westerman is landbouwkundige en journalist - voorheen heeft hij voor de Volkskrant de troebelen op de Balkan verslagen, tegenwoordig is hij voor NRC Handelsblad correspondent in Moskou - en dat blijkt een ideale combinatie: hij kent de landbouwproblematiek en hij kan vragen stellen. Hij kan bovendien de antwoorden daarop bijeen scharrelen, pratend, kijkend, lezend - en, het grootste geluk voor zijn lezers, hij kan die antwoorden opschrijven, helder, mooi en dikwijls meeslepend.

In De graanrepubliek heeft hij geprobeerd te reconstrueren hoe het zo ver heeft kunnen komen, met Oost-Groningen en met ons. Zijn boek is een persoonlijke reconstructie van de geschiedenis van een hele reeks ideologieën. Anders dan de veelal in de marxistische leer groot geworden sociaal-historici van twintig jaar geleden, die de geschiedenis van de landbouw en de landbouwcrises vertelden vanuit het dogmatische perspectief van de klassenstrijd, vertelt Westerman het verhaal van menselijke verlangens en dwaasheden.

Hij wandelt als het ware over de stapstenen die hij heeft uitgelegd in de geschiedenis van ruim een eeuw landbouwgeschiedenis en landbouwbeleid. Het waren de grote landbouwcrises van het laatste kwart van de vorige eeuw die de sociale strijd in gang zetten, maar Westerman neemt geen genoegen met de tegenstelling die die strijd suggereert of liever gezegd: die de traditionele geschiedschrijvers van die strijd voetstoots aannemen, de tegenstelling tussen boeren en arbeiders. Hij maakt hen beide kinderen van het land, zuigelingen van moeder natuur - en op langere termijn vrijwel in gelijke mate slachtoffers van landbouwpolitieke maatregelen. De armoe veroorzaakte onlusten, de onlusten lokten de interventie uit en de interventie verwoestte, op grond van uiterst dubieuze ideologieën, een landschap en een cultuur. Westerman werpt zich op als chroniqueur en verdediger van die cultuur.

Zijn boek leest bij wijlen als een thriller. Dat komt doordat hij tegenover het boerengeslacht van de Stocksterhorn - een van de boerderijen aan de rand van de polder De Binnenlanden, een van de potentiële watersportcentra, kortom - niet de rode families van de voormalige arbeiders van de landerijen van die hoeve plaatst, maar een ander boerengeslacht, dat van de Mansholts van de boerderijen in de Westerpolder, helemaal aan de andere kant van de provincie Groningen.

De Mansholts waren in het derde kwart van de negentiende eeuw van net over de Duitse grens naar Groningen gekomen en de grootvader van de latere Europese landbouwdictator, Sicco Mansholt, probeerde de werkzaamheden op zijn bedrijf zo systematisch mogelijk aan te pakken. Zijn voortvarende studie van landbouwtechniek, veredelingsmogelijkheden en de politieke economie van landbouw en grondbezit leidden niet alleen tot een schitterend bedrijf, maar ook tot een hele reeks artikelen en aantekeningenschriftjes. Daarin broedde hij een boerensocialisme uit, zo rigoureus als het een Duits denker uit de negentiende eeuw betaamt. De traditionele tegenstelling tussen liberale boeren en rooie arbeiders werd in Westermans onderzoek de tegenstelling in de borst van een systeembouwer - en veredeling van gewassen werd mettertijd de Verelendung van de hele traditionele derde stand.

Want de schriftjes van grootvader Mansholt zijn in verkeerde handen terechtgekomen, in de handen waarin even later ook de touwtjes van de macht belandden, eerst die over de Nederlandse landbouw en even later die over de hele Europese agrarische sector.

HET systematisch denken over de landbouw leidde gaandeweg, misschien nog niet eens met zulke heel kwade bedoelingen, tot een andere botsing dan die tot dan toe in Finsterwolde te zien was geweest, namelijk die tussen een ideologie en een cultuur, tussen een eeuwenoude traditie en een becijferde bevlieging. Westerman laat zien hoe de ideologie van het landbouwbeleid zich in de loop van een eeuw ontvouwde, aan de hand van een lokaal voorbeeld, maar met verstrekkende gevolgen. Pijnlijk zijn de hoofdstukken waarin hij de kleur van die ideologie bloot legt: van het zwartste Duitse denken uit de Blut und Boden-periode, tot de roodste kleuren van Stalin en Ceaucescu. De revolutie eet hier niet alleen haar eigen kinderen op, maar ook hun voedsel en zelfs hun voedingsbronnen.

De geschiedenis van de graanrepubliek Groningen staat voor veel meer dan de lokale narigheid: zij staat ook voor de geschiedenis van de water- en polderrepubliek Nederland. Zoals het Jorwerd van Geert Mak een paar jaar geleden emblematisch werd voor de dramatische veranderingen die zich in sociaal-culturele zin de afgelopen kwarteeuw op het Nederlandse platteland voltrokken, zo staan Westermans polders De Binnenlanden en de Westerpolder boven het Marnegebied voor de tragedie die zich voltrok aan een volk van eigenerfde boeren die konden bogen op een meer dan duizend jaar oude traditie.

Surfplanken voor brood: het is een drama waarvan de insnijding en de draagkracht nauwelijks te bevatten is. 'De bouwers van dit werkzaam land', zegt de dichter, 'hebben eeuwen, jaar en dag, gezwegen, dat ik het zingen zou, uit eerste hand.' Zij hebben met De graanrepubliek hun zanger en hun lijkzang gekregen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.