Nieuws Wetenschap

Nanodeeltje schaadt bodemdier, maar op langere termijn

Bodemdiertjes ondervinden pas na meerdere generaties blootstelling aan nanodeeltjes schadelijke effecten. Dit blijkt uit onderzoek van Jeroen Noordhoek, promovendus aan de VU.

Een springstaartje.

Nanodeeltjes zijn tachtigduizend keer kleiner dan de dikte van een menselijke haar. Vanwege hun bijzondere eigenschappen worden ze steeds vaker toegepast in elektronica, medicijnen en cosmetica. Zo worden minuscule titaniumdioxidedeeltjes gebruikt als uv-filter in zonnebrandcrème. Volgens Amerikaanse onderzoekers van de Universiteit van Californië kwam in 2010 rond de 300 duizend ton nanodeeltjes terecht in het milieu, waarvan 8 tot 28 procent in de bodem.

Noordhoek onderzocht de effecten van nanodeeltjes op ongewervelde bodemorganismen. Hiervoor keek hij naar het sterftecijfer en de voortplanting van springstaarten. Deze diertjes worden ­vaker gebruikt in toxicologisch onderzoek vanwege het gemak waarmee ze te kweken zijn en hun ecologisch belang, zo helpen ze bij de afbraak van organisch materiaal. Noordhoek stelde de springstaarten in potten grond bloot aan een reeks concentraties van nanodeeltjes. Hierbij registreerde hij in eerste instantie geen hoger sterftecijfer. Maar vanaf de derde generatie en bij een hoge concentratie wolfraam carbide-cobalt begonnen de diertjes sneller dood te gaan en problemen te vertonen met voortplanten. Noordhoek: ‘Standaardtesten zoals die van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) stoppen al bij een generatie en zullen deze effecten op de langere termijn dus niet registreren.’

In de praktijk geeft dit niet direct aanleiding tot zorg: de concentratie van ­nanodeeltjes in de grond die Noordhoek gebruikte was vele malen hoger dan in de natuur. Bovendien hangt hun schadelijkheid af van de manier waarop ze in het milieu terechtkomen, zegt llona Velzeboer, werkzaam bij TNO en gepromoveerd op een onderzoek naar nanodeeltjes en hun effect op in het water levende organismen. ‘Nanodeeltjes klonteren vaak samen. Het gaat dan niet meer om een heel klein deeltje, waardoor het gevaar afneemt dat het de cellen van een organisme binnendringt en schade aanricht.’

Dat betekent niet dat de deeltjes blijvend onschadelijk zijn geworden, zegt Velzeboer. De zogeheten agglomeraten van nanodeeltjes kunnen na verloop van tijd uiteenvallen. Verder is de verspreiding van de nanodeeltjes in het milieu van belang. Zo zag Velzeboer in haar eigen onderzoek dat sommige organismen simpelweg niet in de buurt kwamen van de verontreiniging.

Toch is de aangetoonde schadelijkheid van nanodeeltjes op langere termijn een aanleiding om de bruikbaarheid van gangbare risicobeoordelingen in twijfel te trekken, zeggen zowel Noordhoek als Velzenboer. Huidige risicobeoordelingen houden geen rekening met schade die pas na meerdere generaties de kop op steekt. Bovendien zijn veel nanomaterialen moeilijk biologisch afbreekbaar, waardoor ze voorlopig in het milieu zullen blijven ophopen.