Na reigerbout kwam emmer

Toen in de Steentijd de mens van jagen op landbouw overging, veranderde het menu. Granen, peulvruchten en zuivel deden hun intrede....

Hardinxveld-Giessendam, 5000 voor Christus. Decemberwinden gieren door de bomen, maar op het vuur knappert een heerlijke bout reiger. Er is nog een stukje wild zwijn over van gisteren, misschien moet dat even worden opgewarmd, straks wanneer ook de snoek geroosterd is.

Het groepje mensen rondom het vuur woont de hele winter hier, op de zandige rug - de donk - temidden van het moerassige land. Ver weg, op de lössgronden van Zuid-Limburg, leven al echte boeren - met akkers en vee. Maar de moerasbewoners in het westen hebben geen behoefte aan zulke nieuwlichterij. Ze hebben genoeg edelherten, wilde zwijnen en snoeken om te eten, net als talloze vogelsoorten: de knobbelzwaan, de wilde zwaan, wilde eend, ganzen, talingen. En reigers.

Zes- à zevenduizend jaar geleden leven de mensen in Nederland in een overgangstijd. Het is de periode waarin de Midden Steentijd (Mesolithicum) met zijn jagers-verzamelaars langzaam verandert in de Jonge Steentijd (Neolithicum) met zijn boeren. En met die overgang verandert de voeding. Nog lang niet in een modern kerstdiner, maar toch al een heel eindje in die richting.

Hardinxveld-Giessendam is een mooi voorbeeld van verandering. Dankzij de aanleg van de Betuwelijn kunnen archeologen hier graven naar de levenswijze van vroege West-Nederlanders. In Hardinxveld is dat op twee plaatsen gebeurd: bij de Polderweg, waar het oudste complete skelet in Nederland werd ontdekt, en op de locatie De Bruin, voor de iets jongere vondsten.

'Op de locatie Polderweg hebben de mensen ruim zevenduizend jaar geleden een kamp gehad voor permanente bewoning in de winter', vertelt dr. Loes van Wijngaarden-Bakker, archeologisch zoöloog aan de Universiteit van Amsterdam. Zij deed onderzoek aan het dierlijk materiaal dat werd opgediept. 'Tienduizenden beenderen van zoogdieren, vogels en vissen zijn er gevonden, vrijwel allemaal resten van dieren die zijn opgegeten, zoals aan de hak- en snijsporen is te zien. Zomervogels waren er niet bij, vandaar dat we denken aan een winterkamp.'

Maar wel een kamp van jagers-verzamelaars. Want sporen van landbouw en veeteelt ontbreken, resten van geteelde gewassen en vee zijn niet gevonden. Wel van honden, die niet waren gegeten en dus vermoedelijk als huisdier hun meesters hebben gediend.

Nee, dan de locatie De Bruin, een kamp dat ongeveer zevenhonderd jaar later werd bewoond. Van Wijngaarden: 'Resten van runderen, schapen, geiten en varkens zijn er gevonden. Dat wil niet zeggen dat die beesten er ook gehouden werden. Er zitten bijvoorbeeld geen koppen bij die resten. Het is heel goed mogelijk dat de kampbewoners het vlees vanuit een basiskamp hebben meegenomen. De locatie De Bruin werd niet langdurig in een bepaald deel van het jaar bewoond.'

Ook al geen boerennederzetting dus, althans niet met zekerheid. Dat neemt niet weg dat er destijds al agrariërs in de buurt moeten zijn geweest die vee hielden en het vlees daarvan meegaven aan de jagers. Vermoedelijk woonden die boeren op de hogere gronden. Hoe en wanneer zijn landbouw en veeteelt naar Nederland gekomen?

In de Oude Steentijd (Paleolithicum), pakweg twaalfduizend jaar geleden, joegen de mensen in groepjes met speren op grote grazers, zoals de wolharige neushoorn. Daar hadden ze nogal succes mee, zoveel dat mede door de jacht die grote beesten verdwenen. Een paar duizend jaar later, in het Mesolithicum, voltrok zich langzaam een kleine revolutie. Pijl en boog kwamen in gebruik voor de jacht op kleinere dieren. Dat konden jagers in hun eentje doen.

'Die mensen leefden eigenlijk in een paradijs', stelt dr. Jan Peter Pals, archeologisch botanicus aan de Universiteit van Amsterdam. 'Geschat wordt dat ze een werkweek van zeventien uur hadden. Maar de beesten raakten op en er kwamen steeds meer mensen. Die gingen op zoek naar plantaardig voedsel ter vervanging van vlees, ook al was dat voedsel veel bewerkelijker.

'Daaruit ontstond tienduizend jaar geleden de eerste landbouw, in het Midden-Oosten, Mesopotamië met name, later ook in China, Zuidoost-Azië en Ethiopië. Daar groeiden wilde grassen die geschikt bleken om veel voedsel uit te halen, voedsel dat werd opgeslagen, waardoor mensen aan vaste plaatsen gebonden raakten. Van de 50 wilde grassoorten waarvan de zaadkorrel zwaarder is dan tien milligram, groeien er 33 in Zuidwest-Azië, Zuidoost-Europa en Noord-Afrika en 6 in Oost-Azië.'

Vanuit het Midden-Oosten breidde de boerenmethode zich over Europa uit. Van Wijngaarden: 'Dat gebeurde alleen als de mensen behoefte hadden aan de nieuwe levenswijze. Als ze niet hoefden, gingen ze niet over. Het is een heel geleidelijk proces geweest.' Van een plotselinge overgang naar de landbouw, zoals gesuggereerd wordt met de naam Neolithische Revolutie, was volgens Pals geen sprake.

De eerste Nederlandse boeren verschenen rond 5400 voor Christus in Zuid-Limburg. Bandkeramiekers worden ze genoemd. Zij woonden in grote boerderijen, hielden vee en verbouwden gewassen. Dat waren de tarwesoorten emmer en eenkoorn, de peulvruchten erwt en linze en de oliehoudende gewassen maanzaad en lijnzaad, bijna allemaal soorten uit het Midden-Oosten.

Het duurde lang voordat ook elders in Nederland boeren verschenen. De eerste sporen dateren van ruim duizend jaar later. In een oude oeverwal bij Swifterband werden resten van emmer en gerst uit 4300 voor Christus gevonden, twee gewassen die tot ver in de Bronstijd (2000 tot 800 voor Christus) de belangrijkste teeltproducten bleven. Ze werden gekweekt op de zandgronden; klei bleef lang ongeschikt omdat er nog geen ploegen waren die zware grond konden openscheuren. Op veen werd voor het eerst geboerd in de IJzertijd (800 tot 50 voor Christus), een periode waarin enkele nieuwe graansoorten, zoals rogge en haver, opkwamen.

In de veeteelt had zich toen al een forse verandering voltrokken: het gebruik van levende dieren voor trekkracht en vooral voor melk. Zeker is dat dit al vroeg in de Bronstijd gebeurde. Het lichaam van de volwassen mens, van oorsprong geen drinker van dierenmelk, paste zich aan de zuivel aan. Volkeren waarbij dat niet gebeurde, hebben veel afstammelingen die tot op de dag van vandaag geen melk kunnen verdragen.

Melk, graan en peulvruchten waren dus aantoonbaar producten van de vroege landbouw, maar daarmee is nog niet alles bekend over hoe de prehistorische boer en zijn jagende voorvaderen zich voedden. Groenten bijvoorbeeld, ook wortels en knollen, laten erg weinig sporen achter: ze zijn daarvoor te waterig en worden vaak opgegeten voordat ze zaad maken. Waarschijnlijk hebben de jagers van de Oude- en Midden Steentijd inderdaad wortels en knollen verzameld, en plukten ze bijvoorbeeld wilde veldsla en paardebloembladeren. Maar zeker is dat niet. Pas met de Romeinen kwam er zeker groenteteelt naar Nederland, bijvoorbeeld die van de biet. Ook tuinkruiden als koreander werden toen geïntroduceerd.

Pals: 'Maar wilde appeltjes werden al wel eerder gegeten. In Aartswoud in Noord-Holland zijn er bij opgravingen een heleboel prehistorische resten van gevonden uit 2500 voor Christus, vermoedelijk een aangelegde wintervoorraad. Verder waren er natuurlijk de noten, vooral de hazelnoot. Er zijn experts die zeggen dat al vóór het landbouwtijdperk stukken bos werden verbrand om meer bosrand te krijgen ten behoeve van de hazelaar.'

In prehistorisch Hardinxveld-Giessendam zijn zeker hazelnoten geconsumeerd. Maar ook knolletjes van het speenkruid en zaden van de waternoot, een eenjarige waterplant met eetbare zaden.

Eén ding blijft echter een raadsel in Hardinxveld: van de paling ontbreekt elk spoor. 'Misschien kwam het doordat de visnetten destijds niet dicht genoeg bij de bodem kwamen om palingen te kunnen vangen', oppert Van Wijngaarden. 'Of misschien wílden ze het dier niet eten, zoals wij geen hersenen consumeren en Fransen wel. Ik zou het dolgraag willen weten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden