Mosasaurus voor even terug in Maastricht

De mosasaurus, een door Fransen ’ontvoerd’ zeereptiel, is na twee eeuwen weer even terug in zijn plaats van herkomst: Maastricht.

De Parijse mosasaurus is een legendarisch fossiel. Lang voor Darwin bracht het beest het denken over het veranderen en uitsterven van soorten op gang.

Het is de terugkeer van het beest. Meer dan tweehonderd jaar nadat het fossiel van de mosasaurus Maastricht als Franse oorlogsbuit had verlaten, keert het beroemde zeereptiel deze week tijdelijk terug uit Parijs, als hoogtepunt van een expositie in het kader van het Darwinjaar.

Fokeline Dingemans, directeur van het Natuurhistorisch Museum Maastricht, dat de tentoonstelling organiseert, kan haar geluk niet op. ‘Het is héél bijzonder dat de Fransen dit mogelijk maken. Het fossiel is in Frankrijk al sinds 1795 nationaal erfgoed. En bovendien een erg beladen voorwerp, want in de Maastrichtse volksmond heet het gestolen goed. Het leeft hier enorm – er is zelfs een carnavalsvereniging De Mosasaurussen.’

Dingemans heeft een gevoelige diplomatieke operatie achter de rug. ‘Aanvankelijk waren de Franse reacties aarzelend, want dit is toch zoiets als de Mona Lisa van de paleontologie. En het Parijse museum is ook niet erg op publiekstentoonstellingen gericht; het fossiel ligt daar in een opstelling die sinds eind 19de eeuw niet meer gewijzigd is – wel heel charmant hoor.’

Het onderhandelingsproces met Parijs nam al met al ruim twee jaar in beslag. Eerst was het probleem dat het fossiel nationaal erfgoed was, vervolgens dat het te kwetsbaar was voor vervoer. ‘Op zeker moment is de vraag: hoe lang duw je door voordat je mensen begint te irriteren’, aldus Dingemans.

De uiteindelijke doorbraak was mede te danken aan Camille Oostwegel, bekend Limburgs hotelier en honorair consul van Frankrijk. Hij schreef een mooie brief naar Parijs, met kopieën aan beide ambassadeurs. Dat hielp, zeker toen Dingemans en conservator Anne Schulp naar Parijs afreisden en ook nog behoorlijk Frans bleken te spreken. Het papierwerk bleek echter een hardnekkig obstakel.

‘Ik zou over eeuwig bruikleen beginnen’
Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken opent zaterdag de mosasaurus-expositie in Maastricht. Opmerkelijk, want Verhagen heeft samen met oud-diplomaat Jan-Willem Bertens (D66) begin jaren negentig getracht de mosasaurus in ‘eeuwig bruikleen’ terug te halen naar Maastricht. Verhagen en Bertens, beiden Maastrichtenaren, zaten toen in het Europees Parlement. Bertens: ‘We hadden ons als kind vaak vergaapt aan die kop en kregen dan altijd het verhaal te horen dat hij niet echt was, en dat de Fransen in 1794 het origineel hadden gestolen.’
Met de 200-jarige herdenking van dat feit in zicht zagen de twee hun kans schoon – indachtig het Verdrag van Maastricht, dat stelt dat cultureel erfgoed zoveel mogelijk terug moet naar het land van herkomst. ‘Dan dit ook, dachten wij.’ Een resolutie in het Europarlement kreeg echter te weinig steun.
Staatssecretaris Aad Nuis van Cultuur nam de zaak in 1996 nog op met zijn Franse collega. Vergeefs. ‘Jammer’, zegt Bertens. ‘We hadden nog wel zo’n mooi plan om het fossiel met een kar van een bevriende brouwerij naar Nederland te brengen.’
Directeur Bertrand-Pierre Galey van het Parijse Muséum national d’Histoire Naturelle zegt dat alle claims uit de tijd van de Franse Revolutie en het Napoleontische keizerrijk bij het Congres van Wenen (1815) zijn afgewikkeld, en het fossiel eigendom is en blijft van de Franse staat. ‘Dat is bij gelegenheid van dit bruikleen ook door Nederland erkend. Het is nu bij wijze van uitzondering uitgeleend als blijk van vriendschap.’
Bertens denkt dat Verhagen zaterdag nog wel over restitutie zal beginnen. ‘Hij heeft fantasie genoeg, al is hij dan van het CDA. Ik zou nog eens over eeuwig bruikleen beginnen. In ruil voor wat schilderijen.’

]]>

Pas in de loop van januari waren alle bruikleenovereenkomsten en garantieverklaringen rond en was het zeker dat de tentoonstelling Darwin, Cuvier en het Grand Animal de Maestricht doorging. Deze week wordt het fossiel naar Maastricht vervoerd. Zaterdag 7 maart opent minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken de tentoonstelling, in tegenwoordigheid van de Franse ambassadeur en natuurlijk tout Maastricht (zie kader).

Kalksteen
Het verhaal van de mosasaurus begint in de 18de eeuw. Het fossiel, een schedel met grote kaken vol scherpe tanden, werd tussen 1770 en 1774 ontdekt in de ondergrondse groeves van de Sint-Pietersberg, waar sinds de Middeleeuwen kalksteen wordt gewonnen. Naar verluidt vonden ‘blokbrekers’ de kop in een galerij ‘omtrent van den afstand van vijf honderd schreden van den grooten ingang’.

Vreemde zaken, zoals schelpen en zee-egels, werden wel vaker in de Maastrichter kalksteen aangetroffen. Zulke vondsten in een berg vond niemand vreemd. Dat Limburg in het late Krijt, zo’n 65 miljoen jaar geleden, een ondiepe tropische zee was geweest, kon nog niemand weten, maar mariene resten werden eenvoudig aan de bijbelse Zondvloed geweten.

De reuzenschedel baarde evenwel meteen opzien bij enkele gegoede burgers uit Maastricht die ‘naturaliën’ uit de Pietersberg verzamelden voor hun rariteitenkabinetten. Zoals de legerarts Johann Leonard Hoffmann, die een hele collectie had. Maar het was Theodorus Godding, een kanunnik van de Sint Servaaskerk, die de schedel kocht en thuis tentoonstelde.

De kop van Maastricht raakte wijd en zijd bekend, tot in Frankrijk toe. Dat bleek in 1794, toen Franse revolutionaire troepen de stad Maastricht innamen en de legerleiding het beroemde fossiel van kannunik Godding prompt confisqueerde en als oorlogsbuit naar Parijs liet transporteren.

Dat het fossiel voor zeshonderd flessen wijn werd gekocht, zoals de Franse geoloog Barthélemy Faujas de Saint-Fond in 1799 schrijft, lijkt een verzinsel. Uit documenten blijkt dat de Franse autoriteiten een decreet hadden uitgevaardigd om het fossiel naar Parijs te brengen. Eenmaal daar werd het bestempeld tot nationaal erfgoed en opgenomen in het nieuwe Muséum national d’Histoire Naturelle. Daar is het sindsdien gebleven.

Voor de mosasaurus was het in zekere zin een mooie move, want anders dan een vergelijkbare, in 1766 gevonden schedel die in Teylers Museum in Haarlem terechtkwam, kwam de Parijse kop in handen van George baron Cuvier, de beroemde anatoom, die ook in 1795 in het museum was aangesteld. Cuvier boog zich over de grote vraag wat voor een soort dier het ‘Grand Animal fossilé des Carrières de Maestricht’ nu eigenlijk was.

Verhemelte
Mensen als Hoffmann en Godding dachten dat het een soort krokodil betrof. De Groningse anatoom Petrus Camper betwijfelde dat: krokodillen hebben geen extra tanden in hun verhemelte, zoals dit beest, en veel onregelmatiger kaakbeen. Camper besloot dat het om een onbekende tandwalvis ging, een potvis. Zijn zoon Adriaan Gilles Camper kwam later tot de (juiste) conclusie dat het beest een extreem grote hagedis was, een soort zeevaraan. Hij schreef dat ook aan Cuvier, die het met hem eens was.

Mede door de correspondentie met Camper viel bij Cuvier het kwartje, zegt Dingemans. Het Animal de Maestricht was een reuzenvaraan van een soort die inmiddels niet meer voorkwam. Een uitgestorven soort dus. Dat was in die tijd nog een nieuw idee. Omdat het beest in zulke oude aardlagen was gevonden, moest de soort wel lang geleden zijn verdwenen. Dat kon volgens Cuvier alleen maar komen door een catastrofe, een omwenteling die een vroegere oerwereld scheidde van de huidige.

Dat was, aldus de tentoonstellingscatalogus, een lastig concept in een tijd dat de meeste mensen nog uitgingen van de scheppingsgedachte: God die de wereld in één keer en volmaakt had geschapen. Met die ene schepping en één enkele bijbelse catastrofe, de Zondvloed, kon je nooit alle verdwenen soorten verklaren. Latere wetenschappers als Alcide d’Orbigny kwamen zo tot constructies met 27 verschillende catastrofes en evenzovele nieuwe scheppingen.

Het was Cuvier uit zijn onderzoekingen aan oude aardlagen in het Bekken van Parijs duidelijk geworden dat fossielen in opeenvolgende aardlagen elkaar opvolgden in de tijd. Maar hoe stonden die soorten in relatie tot elkaar? Cuvier nam aan dat de ene soort verdween om plaats te maken voor de andere. De bioloog Jean-Baptiste Lamarck, zijn tijdgenoot, zag dat anders. Hij kon zich niet voorstellen dat soorten vanzelf uitstierven en opperde daarom dat soorten zelf veranderen. Een vroege versie van de evolutiegedachte.

Zo werd de mosasaurus een kantelpunt in de ontwikkeling van het denken over het ontstaan, het uitsterven en de verandering van soorten. Vroegere dieren sterven uit en veranderen mogelijk ook in de loop van de tijd. De Maashagedis was zo, aldus de samenstellers van de expositie, een ‘opstap’ voor de evolutietheorie van Charles Darwin, en maakte tevens de geesten rijp voor de vondst van andere voorwereldlijke monsters, dinosauriërs, waarvan de eerste twintig jaar later werden gevonden.

Staart
Het Grand Animal zelf kreeg uiteindelijk ook zijn paleontologische plek. In 1822 werd het officieel Mosasaurus gedoopt, in 1829 aangevuld tot Mosasaurus hoffmanni, ter ere van de Maastrichtse kenner Hoffmann. De Krijt-laag waarin het fossiel was gevonden, heette voortaan het Maastrichtien. Elders in de wereld zijn nadien ook allerlei soorten mosasauriërs gevonden, stuk voor stuk gestroomlijnde vleeseters, tot wel 17 meter lang, met grote kaken, flipperachtige ledematen en een platte staart.

Onderzoekers van het museum in Maastricht hebben midden jaren negentig nog achterhaald hoe oud de Parijse mosasaurus precies is. Uit het fossiel geboord steengruis werd geanalyseerd op microfossielen om te bepalen uit welke laag van het Maastrichtse Krijt het beest kwam. Het bewuste laagje bleek circa 65 miljoen jaar oud. Niet veel later zou een grote meteoriet bij Yucatan in één klap een eind maken aan het bestaan van alle dino- en mosasauriërs.

In Maastricht kan directeur Dingemans amper geloven dat het fossiel eindelijk komt. Tot in januari was er gedoe, onder meer over de garantieverklaring – dat de Nederlandse staat het fossiel tijdens de bruikleen niet zou opeisen. Dat leidde tot een Catch 22, want Den Haag geeft zo’n garantie alleen op basis van een bruikleenovereenkomst, en Parijs geeft die weer niet zonder garantieverklaring.

In de hal van het Maastrichtse museum ligt sinds jaar en dag een replica van de Parijse mosasaurus onder glas. Het opschrift vermeldt dat het origineel door de Fransen is ‘ontvoerd’. Dingemans toont zich echter genuanceerd over de ‘restitutiekwestie’: Parijs mag het beest wat haar betreft houden.

‘Waar de mosasaurus ligt, maakt mij niet uit. Als er maar goed op gepast wordt. Beide partijen hebben goede argumenten. Het fossiel is hier gevonden, maar zonder Cuviers bemoeienis was het beest nooit zo beroemd geworden.’

Bovendien bezit het museum sinds 1998 een eigen mosasauruskop, Bèr genaamd. Een historisch goedmakertje, zou je kunnen zeggen. ‘Bèr is zelfs nog meer bijzonder, want van deze soort, Prognathodon saturator, is maar één exemplaar bekend. Maar ja, hij heeft niet de cultuurhistorische betekenis van het Parijse exemplaar. Dat is en blijft de Mosasaurus.’

Darwin, Cuvier en het Grand Animal de Maestricht. Expositie in Natuurhistorisch Museum Maastricht, 8 maart t/m 21 juni. De Bosquetplein 7. Info: www.nhmmaastricht.nl

Botten van de mosasaurus. (ANP)