Monter, maar mis

HET DEBUUT van de Bosnische Amerikaan Aleksandar Hemon werd al geruime tijd voordat zijn boek verscheen met veel lawaai aangekondigd....

Nu dat debuut er ligt en iedereen met eigen ogen en liefst ook nog met enige zelfbeheersing kan onderzoeken waar al die lui uit de literaire industrie zich zo druk om hebben gemaakt, dringt zich maar één vraag op: wat is er toch met Aleksandar Hemon?

Hij is een zo te zien vriendelijke en enigszins naïeve man van halverwege de dertig, die in Sarajevo geboren werd en in 1992, zijn vaderland in ontbinding en zijn vaderstad in brand, naar de Verenigde Staten uitweek. Hoe dat in zijn werk ging, vertelt hij in 'Blinde Jozef Pronek en de dode zielen', een van de acht verhalen uit zijn debuut. In Amerika aangekomen heeft hij zijn beheersing van de Engelse taal aanzienlijk weten te verbeteren - in dat verhaal over zijn aankomst valt na te lezen hoe koddig dat aanvankelijk geklonken moet hebben - en sinds de tweede helft van de jaren negentig is hij schrijver. Hij kreeg het voor elkaar dat The New Yorker een van zijn verhalen afdrukte en dat er een in de befaamde bloemlezing Best American Short Stories 1999 werd opgenomen.

De vraag is andermaal hoe dat zo gekomen is, waarom zoveel beroepslezers voor zijn verhalen vielen en er zo onbesuisd hoog van zijn gaan opgeven.

Het moet iets te maken hebben met de romantische associaties die de naam Sarajevo teweegbrengt en de gevoelens van verwarring, verbijstering en verdriet die de geschiedenis van zijn vaderland gedurende de incubatietijd van zijn schrijverschap heeft opgeroepen. Een echte Bosniër, en nog jong ook, eentje die niet schiet maar schrijft en getuigenis aflegt van zijn vorming in een wereld waarin de kogels van 1914 - Gavrilo Princip schiet de aartshertog voor zijn knar en geeft daarmee het startsein voor de Eerste Wereldoorlog - even reëel en weinig symbolisch waren als die van de jaren negentig. Iemand, bovendien, die ter wereld is gekomen en is opgegroeid in het land van maarschalk Tito en daarom nog uit de eerste hand kan verhalen van de knusse tijd van Oost-West-tegenstellingen, spionnen en soldaten, de communistische catechismus en de snorrende potkachel in een bedompt en veel te klein appartement.

Een schrijver van nu, met verhalen van vroeger.

Het moet ook iets te maken hebben met zijn manier van vertellen, die op de behoudzuchtige, burgerlijke lezers uit de Engelstalige wereld een aangenaam gedurfde en experimentele indruk moet maken. Zelden vertelt Aleksandar Hemon, zoals het in die cultuur gebruikelijk is, rechttoe rechtaan zijn verhaal. Hij zoekt er keer op keer een opvallende vorm voor: de ene keer door het in genummerde paragrafen te verdelen - en het dan 'Eilanden' te noemen: vat je, makker? -, een andere keer door het van talrijke voetnoten te voorzien, en in de tekst en in die noten twee verhalen te vertellen die ogenschijnlijk tegen elkaar ingaan, maar die vanzelfsprekend bij nadere beschouwing weer van alles met elkaar te maken hebben.

Een geruststellend onderhoudend verteller, goddank, maar een met een prikkelende belangstelling voor de literaire vorm.

Maar wat een verhalen en wat een vorm: de verhalen van een uiterst tevreden en zelfingenomen kletsmeier en de vorm van een pedante en behaagzuchtige halfwas lezer. Aleksandar Hemon is een verteller die niet kijken kan, een literator die er al denkt te zijn door typografische eigenaardigheden toe te passen. Of al die bitterzoete en soms enigszins sneue jeugdherinneringen aan het Sarajevo van Princip en Tito iets om het lijf hebben en of een ordening in paragrafen of noten iets te betekenen heeft, lijken hij en de publiciteitsmedewerkers van zijn literaire agentuur en uitgeverijen zich nimmer te hebben afgevraagd.

Een schrijver voor de eenentwintigste eeuw? Een hype van het laatste jaar van de twintigste.

Niet alleen dat zijn verhalen, zo opgetogen als de toon is waarin ze gesteld zijn, niet zoveel vertellen, ze zijn ook nog eens gevuld met rare beelden. Over het hoofd van iemand: 'Hij zag de vallei van kaalheid tussen de twee toefjes haar, die opzij deinsden van afgrijzen voor de bol die daar verrees.' Man, neem een besluit, een vallei of een bol, maar asjeblieft niet alletwee. Over een haardroger in de badkamer in een hotel: 'De föhn die hij in de holster naast de spiegel had ontdekt, als een verborgen revolver.' Beste jongen, ik weet natuurlijk niet hoe die partizanen dat in Joegoslavië deden, maar wie hier een revolver in een holster verbergt, loopt snel tegen de lamp.

Zo zijn die verhalen geschreven, stuk voor stuk, monter maar mis.

Ze berichten van Aleksandar Hemons jeugd en emigratie. Die jeugd was gestoffeerd met de mythologieën van het Joegoslavische communisme en de hagiografieën van het wereldcommunisme. In 'Sorge's spionagenet' - het verhaal met de noten - vertelt hij hoe hij als kind cadeautjes kreeg die zijn vader meebracht van zijn reizen naar Rusland. 't Is een beetje de W.G. van der Hulst van de Balkan, zo gezellig en opwindend is het in dat verhaal: jongetje droomt ervan later als hij groot is spion te worden en samen met zijn vader oefent hij daar alvast voor. In de voetnoten ontvouwt zich tegelijkertijd de geschiedenis van een echte spion, Richard Sorge, een belijdend communist en levensgenieter uit de jaren dertig. Vader en Sorge, ze komen beiden in moeilijkheden, en het ventje wordt onwillekeurig groot.

Mooi materiaal, daar niet van, maar wat springt die Aleksandar Hemon er zorgeloos en zoetsappig mee om. Als je wilt, kun je dat onbevangen en ontwapenend noemen, als je leest en wel eens eerder wat gelezen hebt, is het vooral irritant vanwege zijn slappigheid. Het raster van een opgedirkte vorm dat eroverheen ligt, kan het niet redden.

Misschien is die smaak van wee bederf die in zijn verhalen hangt het best te demonstreren aan de hand van het motto dat Hemon zijn emigratiegeschiedenis meegaf: 'Blinde Jozef Pronek en de dode zielen' - 'dode zielen', want o, o, het is allemaal zo literair. Dat motto is ontleend aan Bruno Schulz, een cliché van wat heb ik u daar in de moderne literatuur: Cynthia Ozick en David Grossman gingen Hemon voor in het eerbetoon aan die arme Poolse dromer, maar met wat een kwaliteitsverschil in het zwaaien met hun hoed, hovelingen tegenover een lompenhandelaar. De Jozef Pronek uit het verhaal, in wie we gemakkelijk Aleksandar Hemon zelf kunnen herkennen, arriveert uit het geteisterde Sarajevo in de Verenigde Staten en stuitert een comedy of errors binnen. Veel meer dan een reeks aaneengeregen, voor de hand liggende anekdoten levert dat niet op - maar als je er een mysterieus motto van Bruno Schulz boven zet, dan zit je literair gezien goed, moeten hij en zijn reclame agenten hebben gedacht.

Niet, dus: die Aleksandar Hemon is een zoete dwaas, die zich verzekerd weet van benevelde uitgevers en andere schreeuwlelijkerds.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden