reportage bomenkap

Moeten bossen beheerd worden? Op zoek naar een antwoord in ‘het vergeten bosje’

Het ‘vergeten bosje’ De Duddel, in Het Loo in Apeldoorn, waar het bos zich twee eeuwen lang spontaan heeft gevormd. Beeld Rebecca Fertinel

In de Nederlandse bossen is dit jaar veel meer gekapt dan anders. Is dat kappen echt nodig om een bos gezond te houden? Op zoek naar een antwoord in het vergeten bosje, dat aan mensenhanden is ontsnapt.

Verspreid over de bosbodem, die bedekt is met varens en bosbessen, liggen omgevallen boomstammen. Sommige zijn aan het verrotten – het hout verpulvert bij de geringste aanraking –, andere zijn een nieuw leven begonnen. Bij een gesneuvelde eik heeft een van de zijtakken de taak als boom overgenomen: die groeit nu recht de lucht in. 

Bomen staan hier ogenschijnlijk lukraak door elkaar. Een stokoude grove den, fier en recht als een vlaggemast, groeit zij aan zij met kromme wintereiken, jonge berken en een majestueuze beuk: de zijtakken wijd uitgespreid om zijn stam schaduw te verschaffen. Er heerst een serene, bijna sprookjesachtige sfeer.

Vanuit bosbouwersoogpunt is het waarschijnlijk een zootje ongeregeld. Maar zo ziet een bos eruit dat door de mens al tweehonderd jaar ongemoeid is gelaten.

To kap or not to kap: dat is de vraag in bosbeheerdersland nu er dit jaar een storm van kritiek is losgebarsten op het al te rigoureuze kappen in de Nederlandse bossen.

Ergens is het wel begrijpelijk, zegt Harrie Hekhuis. Hij is afdelingshoofd beheer en productie van Staatsbosbeheer, dat in de discussie vaak als kop van Jut fungeerde. Geen wonder: met 95 duizend hectare bos is de voormalige overheidsdienst veruit de grootste boseigenaar van Nederland. Ruim een kwart van alle bossen valt onder Staatsbosbeheer.

Effectieve kritiek

Door een samenloop van omstandigheden kwamen afgelopen tijd veel plannen en subsidiestromen samen, legt Hekhuis uit. Daardoor is er meer gekapt dan andere jaren. Het kwam als een schok voor wandelaars en fietsers die ineens stapels gevelde stammen zagen op plekken waar voorheen bomen stonden. Mensen houden van bomen, zegt Hekhuis. ‘Ze voelen zich emotioneel eigenaar van het bos.’

De kritiek heeft effect gehad. Zowel Staatsbosbeheer als Natuurmonumenten heeft verklaard in de toekomst terughoudender te zijn met het kappen van bos. Voor elke gekapte boom wordt voortaan een nieuwe aangeplant. Want dat was het probleem: de afgelopen jaren is er meer gekapt dan aangeplant. En Nederland – met 11 procent bebost oppervlak een van de minst met bomen bedeelde landen van Europa – heeft al zo weinig.

Achter de discussie over wel of niet kappen gaat een andere, meer fundamentele vraag schuil: moeten bossen überhaupt beheerd worden? Is het bos niet beter af als het aan zichzelf wordt overgelaten?

Om daar antwoord op te kunnen geven, zou je moeten weten hoe een bos er na honderden jaren non-beheer uitziet. Dat is lastig. Oerbossen zijn er in Nederland allang niet meer: tussen de Middeleeuwen en 1800 is vrijwel al het bos gekapt voor houtwinning en landbouw.

Sindsdien is elke vierkante centimeter van Nederland door de mens bedacht en ingevuld. Heel Nederland? Nee. Ergens in Gelderland ligt een verscholen stukje bos dat al ruim tweehonderd jaar heeft weten te ontsnappen aan menselijk ingrijpen.

Geheel door mensenhanden gevormd

Daarover later meer. Eerst zijn we op boswachterij de Vuursche in Baarn, waar Hekhuis van Staatsbosbeheer rondleidt. Op verzoek van de Volkskrant lopen in zijn kielzog twee Wageningse wetenschappers mee: ecoloog Rienk-Jan Bijlsma en Frank Berendse, emeritus hoogleraar ecologie en natuurbeheer.

De Vuursche, een 1.200 hectare groot natuurgebied op de Utrechtse Heuvelrug, is een geheel door mensenhanden gevormd bos. Halverwege de 19de eeuw, zegt Hekhuis, was dit bijna allemaal ‘woeste grond’: een door ontbossing en intensieve begrazing gedegradeerd landschap van heide en zand.

Vanaf eind 1900 werden in dit gebied weer bomen aangeplant. Voornamelijk grove dennen, die mooie rechte stammen opleveren voor planken en palen. Later kwam daar douglasspar bij, ook een commercieel waardevolle houtsoort.

De Vuursche, een 1.200 hectare groot natuurgebied op de Utrechtse Heuvelrug, is een geheel door mensenhanden gevormd bos. Beeld Rebecca Fertinel

Maar in de loop van de afgelopen anderhalve eeuw heeft de voormalige dennenplantage zich ontwikkeld tot een rijk gemengd bos, laat Hekhuis zien. In het bos langs het pad schieten tussen de hoge oude dennen eiken en beuken omhoog. Lijsterbes en vuilboom vullen lege plekken op. ‘Dit ziet er heel mooi uit’, beaamt ecoloog Berendse.

Dat ging niet vanzelf, benadrukt Hekhuis. Staatsbosbeheer heeft hier ‘selectief gedund’, dat wil zeggen dat van tijd tot tijd bomen zijn weggehaald om andere soorten ruimte te geven. ‘Hadden wij dat niet gedaan, dan was dit nu grotendeels dennenbos.’

De Vuursche is een zogeheten ‘multifunctioneel bos’, wat wil zeggen dat het bedoeld is voor natuur, recreatie en houtoogst. Bijna tweederde van de bossen van Staatsbosbeheer heeft die dubbelfunctie. De rest is ‘natuurbos’. Daar wordt wel beheerd, maar houtoogst is er geen doel.

Wat multifunctioneel beheer inhoudt, maakt Hekhuis duidelijk aan de hand van een jonge douglasspar die opkomt tussen de andere bomen. ‘Als je die ooit wilt oogsten, moet je hem nu licht geven.’ Dat wil zeggen dat de buren weg moeten.

Natuurgebied De Vuursche is een zogeheten ‘multifunctioneel bos’. Het is bedoeld voor natuur, recreatie en houtoogst. Beeld Rebecca Fertinel

Een stukje verderop komen we op een vlakte waar zes jaar geleden anderhalve hectare is gekapt voor bosverjonging. De sparrenaanplant die hier stond, leverde geen kwaliteit meer op voor hout en natuur, zegt Hekhuis. Vandaar dat werd besloten de bomen te kappen.

Het perceel staat nu vol met jonge naaldbomen: lariks en grove den. Her en der piepen berken, beuken en een jonge eik tussen de groene dennennaalden door. ‘Die eiken zijn aangeplant’, zegt Hekhuis.

Kapvlakten als deze kwamen Staatsbosbeheer op kritiek te staan, omdat ze volgens critici zorgen voor kaalslag in de bossen. Zulke grote stukken als dit zouden ze nu niet meer doen, zegt Hekhuis. Maar ook hier, benadrukt hij, zal op termijn een gevarieerd bos ontstaan van loof- en naaldbomen. ‘Dat gaat niet in één keer, maar stap voor stap.’

De Duddel

Op een kaart uit 1806 staat Kroondomein Het Loo grotendeels ingetekend als heidegebied. Toen de Oranjes het gebied halverwege de 19de eeuw in bezit kregen, werd de hei ingezaaid met grove dennen.

Met uitzondering van een zes hectare groot stukje in de noordwestelijke uithoek van het kroondomein, waar struiken, dennen en eiken al spontaan waren opgekomen. Dat is de Duddel.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kapten de Duitsers grote delen van het dennenbos. Het Duddel lieten ze links liggen, omdat de bomen te krom waren en te veel takken hadden. Als gevolg daarvan kon het bos op de Duddel ongehinderd doorgroeien.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw is er ook geen stormhout meer uit de Duddel weggehaald. Sinds de jaren tachtig heeft het formeel de bestemming van reservaat gekregen.

Niet door niets te doen, maar juist door te selecteren en beheren. ‘Het idee dat op dit soort plekken een natuurlijk gemengd bos spontaan ontstaat, is een illusie’, meent Hekhuis. Staatsbosbeheer heeft het uitgeprobeerd. Het werkte niet. ‘Onze ervaring is dat die ontwikkeling niet vanzelf gaat. Of het duurt gruwelijk lang.’

Dat is precies een van de problemen in het natuurbeleid, vindt ecoloog Berendse: er is geen geduld meer. ‘Wij formuleren natuurdoelstellingen en willen snel resultaten. Komen die niet, dan grijpen we in. Het hele subsidiesysteem is daarop ingericht. Mijn gevoel is dat die ontwikkeling ook wel vanzelf gaat, als je het maar de tijd geeft.’ Dan moet je niet denken in decennia, benadrukt Berendse, maar eerder in eeuwen.

Mensenwerk

Er zijn best goede argumenten te geven om bossen te beheren, vindt ook Bijlsma, wandelend over een oude beukenlaan met stammen die als zuilen langs het pad oprijzen. Maar het blijft mensenwerk. ‘Hier bepaalt de beheerder wat wel en niet groeit.’ Hij wijst naar een van de bomen: ‘Ik zou zo graag zien dat deze beuk zelf bepaalt waar hij groeit en hoe en wanneer hij doodgaat.’

Nederland is van oudsher een land van gemengde eiken- en beukenbossen, aldus Bijlsma. ‘Dat soort inheemse natuurlijke bossen is er nauwelijks meer. Wat er nog van over is, is versnipperd en functioneert niet meer als natuurlijk bossysteem. Waar vind je nog bossen waar je aftakeling ziet, waar vanzelf open plekken ontstaan? Die zijn er niet.’

Volgens Bijlsma is er dringend behoefte aan een landelijke visie om die natuurlijke bossen weer terug te brengen. Daarvoor zou je gebieden moeten aanwijzen waar het bos zijn gang kan gaan: groot genoeg om robuust te zijn en geconcentreerd rond oude stukken loofbos waar die natuurlijke ontwikkeling al in gang is gezet.

Het ‘vergeten bosje’

Hoe zo’n bos eruitziet, kunnen we met eigen ogen aanschouwen als we 50 kilometer oostwaarts rijden naar Het Loo in Apeldoorn. In een uithoek van het 10 duizend hectare grote Kroondomein ligt de Duddel, ook wel bekend als het ‘vergeten bosje’.

Op een oude kadastrale kaart is te zien dat ook op de heidevelden van Het Loo in de 19de eeuw op grote schaal dennenbomen zijn aangeplant. Met uitzondering van de Duddel, dat al enigszins begroeid was met struiken en bomen.

Als gevolg daarvan heeft het bos zich hier twee eeuwen lang spontaan gevormd. Over een slingerend bospad, omzoomd door bosbessen, lopen we in de richting van het vergeten bosje. Van een afstandje wijst Bijlsma op een lichtgroene vlek in de heide. ‘Adelaarsvaren. Die zie je alleen in oud bos.’

De Duddel: een groene wildernis in Het Loo in Apeldoorn. Beeld Rebecca Fertinel

Bij de Duddel betreden we een groene wildernis. De bosbodem, bedekt door een dikke laag bladeren, veert mee onder onze schoenzolen. Tientallen meters hoge dennen reiken met hun geschubde bast de hemel in. Die zullen zo’n tweehonderd jaar oud zijn, schat Bijlsma.

Daartussendoor groeien wintereiken, beuken en berken. Af en toe moeten we over dode bomen heen klauteren die her en der zijn neergevallen. Ecologisch zijn die enorm waardevol, zegt Berendse. ‘Daarop groeit een rijke wereld van mossen en varens.’

Op één plek groeien vijf eiken in een kring. Die komen uit één stronk, weet Bijlsma. ‘Tweehonderd jaar geleden was dit een struikje in de hei.’ Even verderop wijst hij op een eik, een berk en een beuk die in innige omhelzing staan, de stammen tegen elkaar aan schurend. ‘Zoiets verzin je niet’, lacht Bijlsma. Een bosbeheerder zou dat niet laten staan.

Het spontaan gevormde stuk bos De Duddel. Beeld Rebecca Fertinel

Voor houtproductie is dit bos nagenoeg waardeloos. Afgezien van een paar oude dennen zijn veel stammen krom of hebben ze te veel waardeloze zijtakken. ‘Zo stel ik mij een natuurlijk bos voor’, zegt Berendse, manoeuvrerend tussen de omgevallen stammen. ‘Een wildernis waar je nauwelijks doorheen komt.’

Niks tegen het Vuursche, zegt Berendse. ‘Dat was ook mooi. Maar dit is toch van een andere dimensie.’ Maar de vraag wie de mooiste is, doet er niet toe, vindt Bijlsma. Waar het hem om gaat is dat de Duddel zichzelf is. ‘Onder de Vuursche zit een doelstelling. Dit is hoe het bos het zelf heeft bedacht.’

Rienk-Jan Bijlsma in De Duddel. Beeld Rebecca Fertinel

Teruglopend naar de auto maakt Berendse de balans op. ‘Wij hebben in Nederland heel veel beheerde natuur. Dat moet je blijven doen, wil je bedreigde soorten en landschappen behouden. Maar dat hoeft niet overal. Ik vind dat je vrijplaatsen moet aanwijzen met gebieden waar het bos zijn gang kan gaan. Daar hebben we nu te weinig van.’ Vrij vertaald: laat duizend Duddels bloeien.

Houtoogst

Een veelgehoord verwijt aan Staatsbosbeheer is dat het bomen kapt voor eigen gewin. Met de verkoop van hout zou Staatsbosbeheer het gat vullen dat is ontstaan door kortingen op subsidies.

Feit is dat Staatsbosbeheer al jaren om en nabij de 300 duizend kuub hout oogst uit zijn bossen. Dat leverde in 2018 25 miljoen euro op, goed voor 14 procent van de begroting. Niet niks, beaamt Harrie Hekhuis, afdelingshoofd beheer en productie. ‘Maar geen reden om de bossen daarvoor te verkwanselen.’

Volgens Hekhuis wil Staatsbosbeheer de bossen zo beheren dat ook onze kleinkinderen hout kunnen oogsten. ‘Als wij dat niet doen, moeten we hout uit andere landen halen. Ik geef je op een briefje dat ze hun bossen daar minder goed beheren dan wij.’ 10 procent van het hout dat in Nederland wordt gebruikt komt uit eigen bossen.

Het ‘vergeten bosje’ De Duddel, in Het Loo in Apeldoorn, waar het bos zich twee eeuwen lang spontaan heeft gevormd. Beeld Rebecca Fertinel

Zit er een limiet aan het aantal mensen dat je kunt kennen? Wat bewijst de uitslag van een schriftelijke test eigenlijk? In onze Grote Vragen Podcast beantwoorden we ‘vragen waar je nooit over na hebt gedacht maar plotseling dolgraag een antwoord op wilt hebben’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden