Moeder danst weer eens een potje op tafel

OP EEN vergeelde reproductie van Toulouse-Lautrec siert zij nog, door niemand bewonderd, menig goedkope hotelkamer. Het haar is strogeel, de borsten hangen, zo ook de gecraqueleerde wangen met korrels uitgelopen make-up, de mond wringt zich vergeefs in een wulpse stand....

Voor de naturalistische schrijvers uit die jaren - Coenen, Emants, Heijermans - was zij gefundenes Fressen, het vleesgeworden wanproduct van milieu, vulgaire aanleg en ijdele illusies. De opzichtig boven haar stand levende diva, met een hang naar klatergoud en vals gejubel, kreeg haar trekken thuis: zij ging ten onder in drank en vergetelheid, waarbij opgelopen smerige ziektes haar roemloze einde bespoedigden. Het was de schilderachtigheid van die ellende die de naturaralisten aantrok. Latere schrijvers, zoals Jaap Harten, Simon Carmiggelt en Helga Ruebsamen probeerden weer een mens te vinden achter haar tragische masker en doorrookte drankstem. Daarna leek ze als literair thema uitgeput. Alleen kinderen doen haar nog graag na, als zij uit de verkleedkist een hoerige avondjurk en een snoer nepparels hebben opgediept.

En nu voert Wim van de Woestijne (1940) haar weer met zwier ten tonele: La diva noemt hij zijn boek gewoon en op het omslag staat haar schonkige heup, omspannen door de jurk met sjerp van zolder, compleet met de nepparels en stofrozen. In deze novelle haalt een volwassen man, Frederik, herinneringen op aan zijn moeder Olga. Operazangeres was zij, althans dat dacht haar zoon. In werkelijkheid bracht zij het niet verder dan de operette. Het dolzinnig enthousiaste publiek bestond bij nader inzien uit bussen dommelende bejaarden, haar minnaars en begeleiders bleken even treurig en mediocre als zijzelf. Zij eindigt in een zesderangs sekstent in Parijs, en daarna in een verpleeghuis, waar zij jong maar totaal versleten en knettergek sterft.

Geen detail is overgeslagen. Van de Woestijne brengt het cliché vol in beeld, sans gêne, als een vondst bijna. De incestueuze relatie tussen het wulpse moederdier en de bleu aanbiddende zoon, het slechte huwelijk met de beroepsmilitair. En dan volgen al snel het vale decolleté, de knoopachtige spataderen, het ingeruild worden voor een jongere diva en een jongere echtgenote, het drankmisbruik en de vlucht naar Parijs. De zoon wordt schilder. Nee, geen loodgieter: we zijn hier in een artistiek milieu. Ten overvloede valt de naam Toulouse Lautrec nog maar eens.

Het wonderlijke is dat Van de Woestijne, hoewel hij eigenlijk niets toevoegt aan al die kledderige clichés en geen millimeter 'psychologische verdieping' heeft aangebracht in het in alle opzichten dunne verhaal, toch een intrigerende novelle schreef. Het moet haast wel aan zijn stijl liggen. Zijn kleine oeuvre - de novelle Felacci waarmee hij vorig jaar debuteerde en enkele verhalen in De Gids - is doortrokken van een broeierige, primitieve seksualiteit en een fascinatie voor fysiek verval.

In een van de winnende inzendingen voor de verhalenwedstrijd van De Gids in 1995 beschreef Van de Woestijne een boertig huwelijksfeest van een Spaanse kapitein en een zweterige deerne, dat in een drama eindigt met een slordig gelost schot. Het was een verhaal dat afkeer inboezemde, dat niets had mee te delen - maar het was achteraf het enige van de zes winnende verhalen dat je bijbleef.

Vreemd bij deze auteur zijn de rustige, enkelvoudige zinnetjes waarmee hij achteloos het 'wilde leven' neerzet. Het is feest en iedereen is dronken. Moeder danst weer eens een potje op tafel: 'Haar slipje zit vol vetvlekken; achtergebleven stukjes vlees en zelfs een botje kleven aan de witzijden stof.' Naarmate het leven van de moeder verder in verval raakt, worden de beschreven taferelen grotesker. Wat eerst een min of meer realistische beschrijving is van een excentriek gezinnetje, wordt allengs een nachtmerrie, maar de zinnen denderen onaangedaan voort. Frederik treft in Parijs zijn oude moeder als pony naakt op het toneel, te berijden door iedere klant. 'De directeur slaat haar hard met de vlakke hand op de flanken.' Om haar te spreken - 'Ik ben het, Frederik, je zoon' - moet hij zijn moeder bestijgen.

De gruwelijke apotheose is het bezoekje aan het verpleeghuis. Iedere schijn van realisme is hier opgegeven. De vrouw is nog geen zestig, maar kan nog slechts spreken met een microfoontje op haar strottehoofd, ze is blind en dement en haar huid hangt in schilfers om haar broodmagere lijf. Wat haar precies is overkomen, is een raadsel. Een stoet van halve garen, mongolen en kreupelen - 'Pieter Breughel trekt door het land', zegt Frederik, alweer ten overvloede - begeleidt moeder naar haar laatste rustplaats. In die stoet bevinden zich ook Frederiks oude leraar en zijn moeders minnaars, kennelijk allemaal voortijdig gedementeerd. Het noodlot, noemden de naturalisten dat. Wij noemen het nu overspannen verbeeldingskracht.

Wat fascineert in dit boek is niet hoe vreselijk het leven van een modale diva in het slop geraakt, maar hoe een schrijver zich totaal laat meeslepen door zijn morbide fascinatie. Hoe de bijna kinderlijke zinnen doorbuigen onder hun bizarre inhoud. De personages nemen hem op het laatst stevig te grazen en helpen zijn verhaal om zeep. De lezer is verlost van die gruwelwezens. Frederik zet nog eens een doekje op met mama. Maar de schrijver, hoe moet het verder met de schrijver?

Aleid Truijens

Wim van de Woestijne: La diva.

Meulenhoff; 127 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 290 5446 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden