Analyse

Met de volkstelling van vijftig jaar geleden begon in Nederland de discussie over privacy

Met de volkstelling vijftig jaar geleden ontstond in Nederland voor het eerst maatschappelijke onrust over de centrale opslag van gegevens in een computer. Want wilde de overheid niet wel erg veel weten van haar burgers?

Kaarten volkstellling 1971 Beeld
Kaarten volkstellling 1971

Uw achternaam natuurlijk, en of u ook even wilt invullen hoe u naar uw werk reist, of u een auto bezit, of de wc in of buiten het huis is en of u de overheid ook wilt vertellen naar welke kerk u gaat. Die gegevens gaan allemaal netjes een computer in en zijn daar veilig.

Dat en meer wilde de overheid graag van Nederlanders weten in 1971 en dat was ongeveer de belofte. Het zou de laatste keer zijn dat in Nederland een volkstelling werd gehouden. De laatste keer, want de telling mislukte. Om redenen die verrassend hedendaags klinken: zorgen om privacy, niet weten wat er met gegevens gebeurt en geen garantie dat persoonsgegevens veilig worden opgeslagen. Voor het eerst kwam in Nederland een maatschappelijke discussie op gang over privacy. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het algemeen gebruik van die term rond de volkstelling vijftig jaar geleden is begonnen.

Steeds meer vragen

Volkstellingen werden in Nederland sinds 1829 elke tien jaar gehouden, om te weten waar een school gebouwd moet worden bijvoorbeeld, een kerk of woningen voor ouderen.

Maar bij elke volkstelling wilde de overheid meer van haar burgers weten. Tot aan 1971 dus, toen iedere burger tien ponskaartjes kreeg toegestuurd waarop tot in detail naar ieders leven werd gevraagd. Inclusief naam, adres, geslacht en geboortedatum.

En daar begon het te wringen voor Jan Holvast, destijds docent statistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Want alles dat hij zijn studenten leerde over onderzoek – dat je dat in alle gevallen anoniem doet, en niet onder dwang bijvoorbeeld – ging hier mis.

Protest tegen de volkstelling op een muur in Amsterdam, 8 februari 1971. Beeld HH
Protest tegen de volkstelling op een muur in Amsterdam, 8 februari 1971.Beeld HH

Holvast sloot zich aan bij het Comité Waakzaamheid Volkstelling, dat was opgericht door actievoerders die zich verzetten tegen de manier waarop de telling gehouden zou gaan worden. Zij bekritiseerden in eerste instantie het feit dat er überhaupt persoonsgegevens werden opgeslagen en waarschuwden voor wat een minder welwillende overheid daarmee zou kunnen doen. Zonder omhaal werd verwezen naar de Tweede Wereldoorlog en hoe de Duitse bezetters mensen ‘administratief konden vermoorden’ door een heel precieze administratie. De Volkskrant citeerde voorafgaand aan de telling uit een pamflet van het comité: ‘Laat u bij de komende volkstelling niet intimideren door een boete. Bedenk dat Europa in 1933 en daarna een veel hogere boete heeft betaald voor het tekort aan waakzaamheid van het Duitse volk op het moment dat de nazi’s de macht in handen kregen.’

‘Psychologische blunder’

Dat ging Holvast (79), die een boek over de telling schreef (De Volkstelling van 1971, Uitgeverij Paris, 2013), wat ver, zegt hij nu in de keuken van zijn doorzonwoning in het Noord-Hollandse Landsmeer. ‘Het was nogal overdreven dat de mensen van het Centraal Bureau voor de Statistiek, dat de telling moest uitvoeren, werden uitgemaakt voor fascisten en Jodenhalers.’ Maar zijn bezwaar stond: de telling zou anoniem moeten plaatsvinden.

Behalve het tot in detail vragen naar de levens van burgers beging de organisatie van de telling nog een ‘psychologische blunder’, volgens Holvast: de vorm van ponskaartjes waarin de telling werd gegoten. Vakjes moesten worden ingekleurd met potlood (die moesten in allerijl worden bijgemaakt) zodat de computer ze kon lezen.

‘Maar ‘de computer’ was een black box, mensen wisten niet wat er met hun gegevens zou gebeuren. Die computer werd het symbool van het kwaad, van de centrale opslag van gegevens.’

‘Kabouters’ demonstreren op het Binnenhof tijdens de interpellatie over de volkstelling in de Tweede Kamer, 1971. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
‘Kabouters’ demonstreren op het Binnenhof tijdens de interpellatie over de volkstelling in de Tweede Kamer, 1971.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Zijn comité had nog een groot bezwaar: het was verplicht om mee te doen aan de telling, op straffe van een boete van 500 gulden of veertien dagen gevangenisstraf. Dat was nodig omdat er anders te veel vertekening was, vond het CBS.

De bezwaren van het comité leidden tot een golf van maatschappelijke verontwaardiging, zoals gezegd de eerste keer dat die verontwaardiging over privacy ging. De telling ging uiteindelijk door, maar door al dan niet bewust verkeerd ingevulde ponskaarten kwamen gegevens veel later beschikbaar dan gedacht. 320 duizend mensen gaven niet thuis en 22 duizend weigerden openlijk mee te doen, maar niemand werd daarvoor beboet of vastgezet. Uiteindelijk bleek de telling niet meteen bruikbaar, gegevens zijn later aangevuld uit bevolkingsadministraties van gemeenten. Publicatie van gegevens liep vertraging op.

Daar ging het Holvast niet om, zegt hij nu, hij wilde een brede discussie over privacy. In zekere zin is dat gelukt, na de mislukte telling van 1971 zijn de privacywetten opgesteld zoals we die nu kennen.

Hij ziet dan ook met lede ogen aan hoeveel we tegenwoordig vrijwillig van ons leven openbaren. Terwijl er elke dag wel een datalek lijkt te zijn ergens. In die zin zijn we niets opgeschoten, zegt Holvast. ‘We zijn kennelijk bereid heel veel over onszelf te vertellen als we er iets voor terug krijgen. Kijk bijvoorbeeld naar het succes van kortingskaarten. Toen supermarkten daarmee begonnen, werd wel ergens opgeslagen waar je woonde.’

En altijd, zegt Holvast, is er wel iemand die zegt dat hij of zij niets heeft te verbergen. ‘Maar wat als je een baan wordt geweigerd om iets dat over jou is te vinden? Of een overheid je iets aandoet vanwege een fout in een database? Je hebt misschien de luxe om gelaten te zijn. Tot je iets overkomt.’

Hoe worden de inwoners van Nederland geteld?

Het Centraal Bureau voor de Statistiek houdt bij hoeveel mensen er in Nederland wonen, op basis van de gemeentelijke basisadministratie. Daarin wordt iedereen die in Nederland staat ingeschreven in een woonplaats geteld. Mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats worden in het register van de gemeente Den Haag meegeteld.

Op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek staat een bevolkingsteller, die suggereert dat elke nieuw geboren of overleden Nederlander, of elke immigrant, of emigrant, meteen wordt geteld. Wat er werkelijk te zien is, zijn verspringende getallen op basis van gemiddelden. Op een gemiddelde dag worden er in Nederland ongeveer 440 kinderen geboren en overlijden er 430 (gerekend buiten de coronapandemie). Er komen 665 immigranten bij en er vertrekken 475 inwoners naar het buitenland.

Aanvulling: In een eerdere versie van dit stuk stond dat de telling onbruikbaar was. Dat was wat te stellig: door het verzet en missende gegevens was de telling niet meteen bruikbaar en moest hij later worden aangevuld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden