Lof voedt de kunsten of niet

DE EERSTE genomineerden uit de westerse cultuur waren de godinnen Hera, Athena en Aphrodite en het eerste jurylid was de herder Paris, die als alle juryleden na hem was benoemd door een hogere instantie, in dit geval Zeus, die Hermes als zijn secretaris gebruikte....

De zuiverste aanmoedigingsprijs die we hebben gehad is de Reina Prinsen Geerligsprijs. Hij werd toegekend aan een onuitgegeven werk van een auteur onder de vijfentwintig jaar. Het bedrag van de prijs was tweehonderd gulden, een zelfs bijna vijftig jaar geleden te verwaarlozen bedrag. Maar belangrijker was: het bekroonde manuscript werd uitgegeven, door De Bezige Bij, wat toen op zichzelf al niet alleen een onderscheiding was, de hoofdprijs zelfs, maar ook een erkenning van de bekroonde als schrijver: hij werd in de literatuur opgenomen en dat werd later door de officiële ballotagecommissie van de literatuur, de kritiek, bevestigd. De literatuur werd weer uitgebreid en zo voor vergrijzing, niet het minst van de taal bewaard. De veroudering van de literatuur en daarmee van de lezers lijkt de grootste zorg van de prijzen gevende gemeenschap. We zijn zeer met de literatuur begaan, zo erg dat onze zorgen iets benauwends kunnen krijgen. De Reina Prinsen Geerligsprijs is verdwenen, maar de Van der Hoogtprijs, als aanmoedigingsprijs bedoeld, is gebleven. We hebben de Anton Wachterprijs en de Geert Jan Lubberhuizenprijs, - allemaal voor jong talent, dat altijd veelbelovend is. De pijn om die belofte met een tweede boek waar te maken, vergeten we. Er zou een prijs moeten zijn voor de vervulde belofte.

Misschien hebben we niet altijd talent genoeg, maar jury's hebben we altijd. De jury heeft een vertegenwoordigende functie, - ook Paris moest in opdracht van Zeus spreken. Laat ik het idealistisch formuleren. Een jurylid heeft daarmee een zeer zware taak, die grotelijks wordt onderschat. Als we denken aan zijn verantwoordelijkheid, zouden we groot respect voor hem moeten krijgen. Zijn lasten zijn moeilijk voorstelbaar. Als deze dag zou leiden tot een prijs voor het drukst bezette jurylid, dan kan hij als geslaagd worden beschouwd. Was hij nog in leven, - Gerrit Borgers zou de eerste laureaat zijn. Hij heeft mij op onvergetelijke wijze van de zwaarte van het juryschap overtuigd. Op een decemberavond moest ik in het Letterkundig Museum in Den Haag zijn, toen nog in de Juffrouw Idastraat. Ik trof Gerrit Borgers in zijn kamer, opgewekt als altijd, maar dodelijk vermoeid, in een zeer gekreukeld overhemd, bijna dampend van warmte, twee sigaretten tegelijk rokend. Hij moest nog drie juryrapporten schrijven voor de Jan Campert Stichting, waarvan hij voorzitter en dus het allerhoogste jurylid was, bovendien vol van de bijbehorende vaderlijke gevoelens.

Dat vaderlijke en zorgelijke wordt bij de jaarlijkse prijsuitreikingen bijna ontroerend zichtbaar. De laureaten krijgen eerst een afzonderlijke prijzende toespraak van de burgemeester of een wethouder; vervolgens worden ze opnieuw geprezen in het juryrappport. En dan krijgen ze ook nog een lang essay over hun werk, in een afzonderlijk boekje. Het prijzenwezen vertegenwoordigt onze zorgzame samenleving op haar best.

WIE ZO verwend of bemoederd wordt, moet wel doorschrijven. Niet de hoop op een prijs, maar het krijgen ervan lijkt de oorzaak van de grote literaire productie van het ogenblik. Er wordt geschreven, bekroond, doorgeschreven en zo wordt weer materiaal geleverd aan een volgende jury. De jury's houden elkaar in stand. En voor de prijzen, met hun duidelijke hiërarchische structuur, geldt hetzelfde. Samen houden ze de literatuur in stand. Het is een van de grote mysteries dat de literatuur een paar duizend jaar zonder prijzen heeft kunnen bestaan, de lauwerkrans uitgezonderd (er is geen triester portret dan dat van de met die krans bekroonde Vondel; de hele triestheid van het latere prijzenwezen wordt er al in zichtbaar).

Dit symposium wil ook achterhalen welke de motieven zijn van een jurylid. Waarom begint iemand aan dat zware werk? Ik heb het antwoord al gegeven: verantwoordelijkheid tegenover de literatuur drijft hem. En alleen doordat zoveel mensen zo'n groot plichts- en verantwoordelijkheidgevoel hebben, kunnen steeds nieuwe jury's gevormd worden. Wanneer iemand weigert, is dat alleen om de jury in staat te stellen, hem de prijs te geven. Dat dat nooit gebeurt, wijst op de integriteit van de jury's. De wereld is dus eigenlijk heel mooi, zo mooi dat het niet waar kan zijn. En dan begint het geroddel over de prijzenpolitiek die vriendjespolitiek is. Maar hoe onschuldig, hoe veelzeggend ook is de werkelijkheid. Een klein, wat persoonlijk voorbeeld. Drie jaar ben ik voorzitter geweest van de jury van de Libris-Woutertje Pieterseprijs. Twee keer daarvan werd Toon Tellegen bekroond, ten dele door dezelfde jury, want ook die had een driejarige zittingsperiode. Dit jaar kreeg Tellegen de Theo Thijssenprijs, de hoogste onderscheiding voor een auteur van kinderboeken. Ik heb hem die prijs uitgereikt, en tot mijn geluk trof ik in de jury twee leden die ook aan de vroegere bekroningen hadden meegewerkt. Zo hoort het. Steeds dezelfde kiezen: dat is pas integriteit. Maar het bewijst ook iets heel fundamenteels: een goed jurylid wil het liefst altijd dezelfde schrijver bekronen. En daarom gaat hij in een jury zitten. Het is zijn grootheid dat hij er bijna altijd van af moet zien. Bijna elke bekroning is een concessie van zijn kant.

Die wonderschone werkelijkheid mag niet verbloemen dat er ook kleine ongerechtigheden zijn. Maar het volmaakte leert men pas in de kleine onvolmaaktheden kennen. Een van de schoonheidsfoutjes doet zich meestal voor bij een jaarlijkse poëzie- of prozaprijs, die van de gemeente Amsterdam bijvoorbeeld. Er is bijna altijd een jurylid dat enigszins aan de lichtzinnige kant is: hij blijkt van proza of poëzie van het afgelopen jaar bijna niets te hebben gelezen. Er zijn nu twee mogelijkheden. De eerste: de andere juryleden grijpen hun kans en dragen hun voorkeur voor. De lichtzinnige wordt gedwongen meeloper te zijn. De tweede mogelijkheid: de roekeloze vraagt leestijd. 'Zeg mij maar wat ik lezen moet.' Geprononceerde nederigheid is de lichtzinnige niet vreemd. Een aardige voorzitter geeft hem de tijd, een wijze weigert die; het gaat dan te lang duren, weet hij uit ondervinding. Een jury hoort in een paar uur klaar te zijn. Alle tijd meer leidt tot aarzelingen, dubben, steeds andere kanshebbers, tot een compromis het gevolg is. Er lopen heel wat gelukkige prijswinnaars rond die niet weten dat ze een compromisfiguur zijn.

HET lichtzinnige jurylid is slimmer dan wij denken en degenen die hun kans grijpen dommer. Een van de laatsten moet het juryrapport schrijven, en dat is een verschrikkelijk werk, omdat een juryrapport op een juryrapport moet lijken. (Ik heb eens een voorbeeld mee naar huis gekregen). Het juryrapport moet onpersoonlijk zijn; gemeenplaatsen - hoe weinig woorden hebben we voor het uiten van waardering of het karakteriseren van een literair werk - zijn onvermijdelijk. Sommige zijn zo clichématig, dat ze met verandering van namen en titels verwisselbaar zijn.

Er bestaat een hogere vorm van lichtzinnigheid: onwetendheid. Over de doden niets dan goeds, maar ze willen voordragen voor de hoogste literaire onderscheiding die het Nederlandse taalgebied kent, is te veel van het goede. Bij een juryvergadering voor die prijs (die die keer naar een noord-Nederlander moest gaan) stelde een vertegenwoordiger van Vlaanderen, die uiteraard het eerst het woord kreeg, met dodelijke precisie drie overledenen voor. De zeer beschaafde en vriendelijke vice-voorzitter bleef hoffelijk en wist na elke nominatie van een dode in steeds andere termen diens overlijden te vermelden. In mijn herinnering had het jurylid geen vierde, levende kandidaat in zijn hoofd.

De bijeenkomst was snel afgelopen, hoewel niet zo snel als een aantal jaren later, toen over de toekenning van dezelfde prijs moest worden beslist. We zaten nauwelijks of de bekroning had zich al voltrokken. Ik schat binnen een minuut. Om ons besluit toch enige allure te geven stelde ik alsnog een tegenkandidaat voor. Zes hoofden schudden om zoveel onbegrip. Maar niemand wilde in de euforie het juryrapport schrijven. Ik zag tegenover mij het slachtoffer van de opdracht zich van de onvermijdelijkheid van het schrijven bewust worden. Iedereen keek naar hem, want hij had het meeste over de bekroonde geschreven. Hij was juist daarom een verkeerde kandidaat, want hij zou zich natuurlijk gaan herhalen. Het juryrapport als echo van jaren aan kritiek. Maar wie minder over de bekroonde hadden geschreven, hielden zich heel rustig, bijna afwezig. Uit angst voor het rapport. Na de beslissing gaat iedereen opgewekt naar huis en laat de rapportschrijver achter bij zijn noodlot. Hij is een der eenzaamste mensen.

Er zijn enkele mogelijkheden om aan het schrijven van het juryrapport te ontkomen:

1. Zelf geen verrassende kandidaat voordragen. Oorspronkelijkheid wordt afgestraft.

2. Als je gevraagd wordt, te zeggen dat je het alleen in samenwerking met een ander wil doen. Een ander voelt daar niets voor. Maar zijn weigering wordt zijn noodlot: langs wat lijnen van geleidelijkheid wordt hij de aangewezen figuur.

3. De taak aan de voorzitter opleggen. Die kan niet weigeren. Men moet dus zorgen nooit voorzitter te worden.

Van de allereerste jury waarin ik zat, die voor de al lang niet meer bestaande Bijenkorf Poëzieprijs, was Ad den Besten voorzitter. Het was in 1963. Den Besten vond het vanzelfsprekend dat hij het juryrapport schreef. Ik trouwens ook, want ik dacht dat het zo hoorde. Bovendien: hij had zelf de bekroonde nadrukkelijk voorgedragen en als een zeer bezield spreker ons van de juistheid van zijn voordracht overtuigd. Ik kreeg de indruk dat Den Besten het alleen had afgekund; wij, de anderen, waren een soort paranymfen. Ik had nog een sterkere indruk: de hele enscenering moest tot deze kandidaat leiden. In Den Bestens keuze als voorzitter lag de naam van de bekroonde al vast. Elke bekroning is een gewild toeval, want gelegen in de keuze van de juryleden.

Waarom ga je in een jury zitten? Om het toeval dwars te zitten. Denk je, maar je vergeet dat je het alleen maar vergroot, in de ogen van anderen. Wie bekroond wordt, heeft het geluk gehad van het toeval van de samenstelling van de jury.

0 E TOEVALLIGHEID heeft als gevolg dat bijna niemand buiten de jury - een of twee leden altijd uitgezonderd, want eenstemmigheid wordt door het zwijgend toestemmen van een of twee leden bereikt - gelukkig is met de bekroning, voorzover het velen al niet onverschillig laat. Met name de nominatieprijzen leidden - ik gebruik de verleden tijd, want het aantal van die prijzen heeft tot onverschilligheid geleid - tandengenknars, dat jaarlijks het schurendst opklonk in NRC Handelsblad, uit de mond van wijlen K.L. Poll. Behalve fout geweest te zijn in de oorlog, was er ongeveer niets ergers dan genomineerd of bekroond te worden. Rein-Jan Mulder heeft die traditie enige tijd voortgezet. Ik kreeg altijd een groot medelijden met een bekroonde, maar vooral met genomineerden, van wie er vijf ook nog het leed moesten dragen van niet bekroond te worden. Zelfs Hera en Athena kunnen nog op mijn medeleven en begrip rekenen. Er zou hier vandaag een resolutie moeten worden aangenomen, het nominatiesysteem af te schaffen. Wie kan de genomineerden en de bekroonden van de laatste jaren nog noemen? Schrijvers worden de vergetelheid in geprezen. Als de resolutie wordt uitgevoerd, raken we misschien ook enkele prijzen kwijt, wat een revaluatie betekent en besparen we enkele schrijvers heel wat vergeefs gereis. En hoeven niet enkele mensen onverantwoord veel boeken in korte tijd te lezen. We moeten zuinig zijn op onze juryleden.

Is een prijswinnaar gelukkig? Mogen we iemand een prijs aandoen? Ik zag onlangs op de Amsterdamse televisie een verslag van de uitreiking van de gemeentelijke kunstprijzen. Enkelen van de gelukkigen werden geïnterviewd. In beeld kwam een zo te zien zeer geslagen man; hij zag er slecht uit. In welke tak van kunst hij werd bekroond, weet ik niet. Wat ging hij met het geld doen? Hij had net een belastingaanslag over '96 en '97 gekregen. Daar ging het geld heen, zei hij met de gelatenheid van een verliezer. Hij leek slachtofferhulp nodig te hebben. Hoe gelukkig zou hij zijn geweest zonder een bekroning.

Het enige grote gelijk herinner ik mij van alweer vele jaren geleden. Remco Campert kreeg een prijs die in Vlaanderen werd uitgereikt. Na ontvangst van het geld verdween hij. Enkele dagen later werd hij moe maar gelukkig weer zichtbaar. Het geld was op. Alleen hierom leek mij die Vlaamse bekroning gerechtvaardigd.

De Jan Campert Stichting zou volgend jaar een bijeenkomst van vergeten bekroonden moeten organiseren. Er zal niemand komen, - wie wil toegeven vergeten te zijn, maar de secretaris kan de afschrijvingen bewaren. Publicatie daarvan kan aantonen, wat we met bekroningen uitrichten. Natuurlijk moeten bij elke vergetene de namen van de juryleden worden gepubliceerd. Die zullen nog meer vergeten blijken.

En toch. 'Lof voedt de kunsten', heeft Seneca geschreven. Laten we het daar maar op houden, om ons te kunnen neerleggen bij de onvermijdelijkheid van de prijzen en van het systeem dat er niet is en met de titel van dit symposium, Kruis of munt met meer zelfkennis dan verwacht voortreffelijk is aangegeven.

Tekst van de openingstoespraak gehouden bij het symposium Kruis of munt: literaire prijzen in Nederland, op vrijdag 14 november onder auspiciën van de Jan Campert Stichting gehouden in Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden