Literatuur als 'andere politieke ruimte'

WEEK GEWORDEN door de prachtige muziek die Orpheus ten gehore bracht, stonden de goden hem toe in de onderwereld af te dalen....

Waarom Orpheus zich niet hield aan het goddelijk gebod, maakt de beroemde mythe tot een van de raadselachtigste die er zijn. Vele interpretaties zijn er gegeven van Orpheus' dodelijke blik, maar de meest fascinerende is die van de Franse schrijver en denker Maurice Blanchot (1907), die van mening is dat het er Orpheus helemaal niet om te doen was zijn geliefde uit de onderwereld terug te halen. Volgens Blanchot wilde Orpheus het dood-zijn zélf zien, wilde hij oog in oog staan met het absoluut Andere.

In de essaybundel Het wakende woord komt deze Orpheus-interpretatie herhaaldelijk ter sprake. Ze illustreert op een inzichtelijke manier waar het de schrijver zowel in zijn romans als in zijn essays om te doen is. Als filosoof én als kunstenaar (een onderscheid valt nauwelijks te maken) legt Blanchot de nadruk op het onbereikbare Andere, waar Orpheus zo naar verlangde. Dit Andere, of het Buiten, speelt een belangrijke rol in de literatuur, maar evenzeer in de ethiek of in de politiek, zo blijkt uit Het wakende woord.

Behalve bijdragen van verschillende Nederlandse auteurs biedt het boek ook een aantal vertaalde fragmenten uit Blanchots werk. Een daarvan heet 'Literatuur en het recht op de dood', en daarin wordt een verband gelegd tussen revolutie en literatuur. Beide zijn 'de overgang van niets naar alles, de bevestiging van het absolute als gebeurtenis en van iedere gebeurtenis als absoluut'.

Dat Blanchot daarmee daadwerkelijk politieke omwentelingen op het oog had, wordt duidelijk uit het stuk van Marc De Kesel. Zowel de Franse Revolutie van 1789 als de studentenopstand van mei 1968 is volgens Blanchot terug te voeren op een en dezelfde drijfveer. In beide gevallen gaat het om het verlangen naar een onmogelijke, absolute vrijheid, een niets waarin alles nog te gebeuren staat. Daarbij lijkt de politieke kleur van een revolutie er weinig toe te doen, gezien de U-bocht die Blanchot in de loop van zijn leven maakte. Actief lid van het antidemocratische 'Jeune Droite' in de jaren dertig, sloot hij zich na de Tweede Wereldoorlog aan bij extreem-links.

In haar heldere inleiding bij Het wakende woord verklaart Annelies Schulte Nordholt het schijnbare gemak waarmee deze wisseling van kamp plaatsvond. Het ging Blanchot en Georges Bataille (zijn vriend en geestverwant in deze) om 'het politieke' en niet om de politiek. Zoals steeds bij Blanchot was de literatuur hierbij van het grootste gewicht. De literatuur is in zijn ogen geen vlucht uit de realiteit en de geschiedenis, maar 'een andere politieke ruimte'.

Door de nadruk op het politieke wordt met deze bundel een tot nu toe in Nederland weinig belichte kant van Blanchots werk onder de aandacht gebracht. Voor zover zijn tamelijk weerbarstige geschriften hier al op enige belangstelling aanspraak mochten maken, ging die voornamelijk uit naar de vroege essays over literatuur en de paar vertaalde romans. Blanchot als geëngageerd journalist en als denker in de traditie van Hegel en Heidegger bleef daarmee buiten de gezichtskring van de geïnteresseerden.

Dat komt wellicht doordat de literatuurkritische essays de meest eenvoudige ingang tot Blanchots gedachtengoed vormen. Aan de hand van een aantal favoriete auteurs formuleert Blanchot hier al vroeg waar het hem in de rest van zijn werk om zal gaan. Een goed voorbeeld daarvan is zijn fascinatie voor de dichter Artaud, die in een correspondentie met zijn uitgever uitlegde waarom het hem onmogelijk was poëzie te schrijven. In deze 'onthouding' schuilt voor Blanchot de essentie van de literatuur: 'Niets zeggen is misschien wel de enige hoop om alles te kunnen zeggen.' Niet voor niets schreef Blanchot bij voorkeur over auteurs die met dat probleem worstelden, zoals Mallarmé, Beckett of Kafka.

In 'Blanchot lezen' stelt Jacq Vogelaar (de enige niet-filosoof onder de zeven auteurs) dat zijn voorkeur uitgaat naar deze literatuurkritische essays: 'Voor Blanchot staat in elk werk de hele literatuur op het spel.' Met die woorden benadrukt Vogelaar terecht dat zowel het denken als het schrijven voor Blanchot een spel is. Een gewelddadig spel met een hoge inzet weliswaar, maar dat sluit geenszins uit dat Blanchot zich ook onmiskenbaar vermaakt met de tekst.

Dat aspect is makkelijk over het hoofd te zien. In Het wakende woord horen we vooral over terreur, het lijden, de verschrikking of de nacht. Dergelijke begrippen mogen dan negatief klinken, ze zijn het niet. Tegenpolen als positief of negatief zijn Blanchot vreemd. Hij zocht naar een positie die daarbuiten lag, een neutrale plaats, en wat dat inhoudt, zet Laurens ten Kate uiteen in een van de beste stukken van de bundel. De 'derde betrekking' heet die plaats, het is de ruimte waarin volgens Blanchot het schrijven zich afspeelt, maar bijvoorbeeld ook de ethiek. De ethiek houdt zich op in het onbereikbare Buiten. Zij is onbestaanbaar, omdat er onmogelijk een onderscheid te maken valt tussen de polen van goed en kwaad.

Deze opvattingen over ethiek oefenden grote invloed uit op Levinas; door hem zijn Blanchots ideeën bekend geworden. Het lijkt Blanchots lot om in de eerste plaats door het werk van zijn bewonderaars naam te verwerven, ook zijn visie op kunst en literatuur is grotendeels dankzij anderen in het buitenland doorgedrongen. Vooral door Foucault en Derrida heeft Blanchot een stempel kunnen drukken op het (post)moderne denken.

Bij deze filosofen heeft zijn karakteristieke stijl navolging gevonden. Henk van der Waal typeert die stijl als 'ijsberen op de vierkante millimeter'. Daarmee lijkt het mogelijk behoedzaam het Buiten te beschrijven, een poging die bij voorbaat tot mislukken gedoemd is. De enige hoop om erbij in de buurt te komen schuilt in het spel met tautologieën als: 'Het geheim waarop wordt gezinspeeld, is dat er geen is.'

Het gesloten karakter van zulk taalgebruik doet Vogelaar opmerken dat hij zich buitengesloten voelt door dit werk. Datzelfde effect hebben sommige stukken in Het wakende woord op de lezer, vooral waar ze vervallen in parafrases van de besmettelijke stijl van de meester.

Blanchot zelf is zo helder, omdat hij steeds wanneer hij zich in abstractie dreigt te verliezen, teruggrijpt op de literatuur of de mythologie. Zo behandelt hij in het stuk over Orpheus terloops de kern van zijn denken over literatuur. Niet de relatie van Orpheus met de dood is belangrijk, maar de ruimte die ons van de dood scheidt. Orpheus wordt gedreven door een verlangen naar die ruimte, het is de plaats waar de mens 'in staat is tot literatuur', iets wat, zoals Orpheus moest ontdekken, altijd terugwijkt voor onze blik.

Yra van Dijk

Annelies Schulte Nordholt, Laurens ten Kate en Frank Vande Veire (redactie): Het wakende woord - Literatuur, ethiek en politiek bij Maurice Blanchot.

SUN; 224 pagina's; ¿ 34,50.

ISBN 90 6168 620 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden