Lezen, leren en veroveren

HET is haast een idylle. Lionello Este, uit het beroemde Italiaanse vorstenhuis, groot verzamelaar van boeken (hij is als verstandig en deugdenrijk de geschiedenis ingegaan, maar men las toen ook om er geestelijk beter van te worden) bezoekt - in de eerste helft van de vijftiende eeuw - in hoog...

In de eerste passage wordt iets van de kunst van het hofleven zichtbaar en daarin gaan viering van de lente (en het leven) en die van het lezen samen. De woorden van Giovanni Gualengo zijn veelzeggend over de leescultuur van de Renaissance. Cicero was de misschien wel meest vereerde auteur. Dat diens ethisch-filosofische werken worden genoemd, verwijst naar de levenslessen die men in de klassieken zocht; lezen was een morele bezigheid. Dat hij zijn exemplaar van Terentius 'zeer correct' noemt, duidt op die grote hang van de humanisten naar de beste tekst, wat de filologie zo'n drukke en bloeiende bezigheid maakte. Men las niet alleen de schrijvers, maar ook hun commentatoren. Donatus, die in de vierde eeuw na Christus leefde en de leermeester was van Hiëronymus, schreef niet alleen een van de beroemdste grammatica's (waarvan het eerste, elementaire, deel tot ver in de achttiende eeuw werd gebruikt), zijn commentaar op vijf stukken van Terentius was beroemd. Men moet zich bij de Terentius-editie van Giovanni een handschrift voorstellen met fragmenten uit het commentaar van Donatus als randschrift. Het commentaar diende tot het goed verstaan van de tekst, en dat betekent zowel naar de letter als naar de leer, het was filologisch en interpretatief. Of Giovanni Gualengo zelf de marginalia uit Donatus heeft verzorgd - bij humanisten gebruikelijk - weet ik niet. Hij moet als lezer gezag hebben gehad, gezien de voornaamheid van het gezelschap dat hem bezoekt. De Cicero in één band is een handzaam exemplaar voor geleerden; elegantie van uitvoering werd opgeofferd aan gemak en goedkoopte. Het plaatsen van auteursnamen op de rug was toen, hoewel nieuw, in Ferrara gebruikelijk.

Met dat willen verstaan naar de letter en naar de zin (en dat is veelal een morele zin) lazen de humanisten in een oude, ook oude kerkelijke traditie. De zin was de 'wijsheid', de levensleer, men denkt onwillekeurig aan de bijbeltekst: alles wat geschreven is, is tot onze onderrichting geschreven. Dat de interpretatie vaak tot een adaptatie leidde, is vanzelfsprekend. Men las naar eigen toepassing toe. En de adaptatie bracht de klassieke schrijvers en hun latere lezers als geestgelijken bij elkaar. De precisie van de filologie lijkt soms enigszins haaks te staan op de vindingrijkheid van de interpretatie. Het zoeken van de zin kan er ook op wijzen, hoe weinig de humanisten - als de bijbelcommentatoren - konden berusten in de letter van de tekst en dat is ook in het verhaal. Er hoort meer te staan dan er staat.

HET verhaal over het bezoek aan de oudere bibliofiel en diens woorden over zijn boekenbezit komen uit een werk van de Milanese humanist Angelo Decembrio. Het heet De politia litteraria en het beschrijft - in dialogen - de vorming van de bibliotheek van de familie Este, de literaire discussies en beslissingen die bij de inrichting van de bibliotheek plaatshadden en de vaak met elkaar twistende gebruikers ervan. Het werk werd in 1462 aan die grote paus Pius II opgedragen. Er bestaat geen moderne editie van. Het moet in veel opzichten een bibliofiel etiquetteboek zijn. Ondanks alle idealisering geeft het een prachtig beeld van bibliotheken, boekbezit, wijzen van lezen, kortom van het leven van een humanistenkaste, zou ik haast zeggen, in de besloten tuin van de leeslusten. In een heel mooie passage beschrijft Lionello de ideale bibliotheek. Ik citeer er dit fragment uit:

'Het is passend uw bibliotheek in het private deel van het huis te hebben; men ziet deze speciale ruimte voor een verzameling bij Plinius, en, zoals hij zegt, er staan de boeken die men eerder herleest dan leest. De ruimte moet bestand zijn tegen lawaai zowel uit het huis als van buiten. Het past in de bibliotheek een zonnewijzer te hebben of een globe van het heelal en een lier, als je daar nu en dan graag op speelt; er horen ook behoorlijke platen en beeldhouwwerken aanwezig te zijn, die de daden van goden en helden weergeven. Wij hebben vaak gezien dat velen het mooi vinden een afbeelding van Hiëronymus, schrijvend in afzondering, te hebben; die leert ons dat eenzaamheid, stilte en hard werken horen bij lezen en schrijven in een bibliotheek.'

Alle onderdelen zijn aanwezig die worden beschreven in het hier enkele weken geleden besproken werk The Scholar and his Study van Dora Thornton. Aan het slot van mijn stuk daarover stelde ik de vraag naar wat die humanisten in hun afgezonderde ruimtes lazen. Die vraag hield de tweede in: hoe. Het antwoord komt nu in een zojuist verschenen studie Commerce with the Classics, 'Ancient Books and Renaissance Readers' van de aan Princeton verbonden historicus Anthony Grafton. Wat de geleerden in hun moedertaal lazen, blijft onbesproken. Of dat veel is geweest, weet ik niet. De zo centrale plaats van de klassieken, Grieks en Latijn, lijkt de meeste boeken in de eigen taal buiten te sluiten. Als men er, bij zo zorgvuldig en intens lezen van de grote meesters, al tijd voor had.

Het woord 'commerce' in de titel duidt zowel op de vergelijking tussen handelaren en vertalers die de grote humanist Lorenzo Valla, vertaler van Thucydides in het Latijn, maakte: als de kooplieden verspreiden de vertalers het allermooiste over de hele wereld, waarmee een nieuwe Gouden Eeuw kan beginnen. Maar het woord kan ook de zin van 'verkeer' worden bestaan, 'omgaan met', en in die betekenis heeft het Latijnse commercium zelfs ook een religieuze betekenis: zonder de vertalingen van Gods woord uit het Grieks en Hebreeuws zouden de Latijnen niet met God kunnen verkeren. Het zijn de woorden van Valla zelf. (Ik herinner me een liturgische tekst die begint met de woorden 'O admirabile commercium': god wordt mens en mens wordt god). Dat Valla de commerciemetafoor ook voor vertalingen van de bijbel kon gebruiken, zegt veel over de plaats die de klassieken in de geest van renaissancisten innamen. Het verklaart ook hun bijna scrupuleuze manier van tekstverzorging, lezen, interpreteren.

WE worden niet met de eenvoudigste lezers geconfronteerd. In de vijf afzonderlijke essays die het boek vormen, figureren, in het eerste hoofdstuk, Valla en Lionello Este en enkelen van zijn geestgenoten. De laatsten vertegenwoordigen, kan men zeggen, de verfijnde kant van het humanisme, waarin de klassieken er zijn terwille van de klassieken; men leest (en leeft) en studeert in een hortus conclusus in een cultuur die voor een deel ook spel is. De bron voor het boekenleven van Lionello is het genoemde werk van Decembrio; achter het daarin beschreven ideaal laat zich heel veel van de werkelijkheid aflezen, hoewel: de bibliotheek was zeer eclectisch; alleen het grootste kreeg een plaats; een grootverzamelaar, als paus Nicolaas V, was Lionello of diens ideaalbeeld niet. Het goede was veel voor hem. Dat eerste hoofdstuk is, kan men zeggen, het meest algemene, ook door het aantal nevenfiguren. Het is ook een uitnemende beschrijving van een literaire hofcultuur. En het werk van Decembrio, door de auteur in het handschrift in de Vaticaanse bibliotheek gelezen, is een werkelijke ontdekking.

In de hoofdstukken twee en drie staan twee van de allergrootsten uit de Italiaanse literaire Renaissance centraal: Leon Battista Alberti en Giovanni Pico delle Mirandola. Hier verdwijnt elke algemeenheid; de twee zijn in hun geniale uitzonderlijkheid nauwelijks representatief te noemen. De eerste was de veelzijdigste; hij schreef niet alleen literaire werken in alle genres, studiewerken ook, waaronder een klassiek boek over architectuur, hij was ook zelf architect. Hij was een even druk lezer als schrijver, maar - en dat maakt hem zo boeiend - hij las, kan men zeggen, met de eigenzinnigheid van de kunstenaar en dat wil zeggen: uiterst kritisch. Hij vertegenwoordigt wat de auteur noemt, het 'agressieve lezen': de lezer zoekt, al of niet door adaptatie, geen autoriteiten ter versterking van eigen positie of maar een object voor kritiek. Alberti keert de traditionele waarden van klassieke begrippen om. De vriendschap bijvoorbeeld, door Cicero en andere Romeinse schrijvers zo gehuldigd, wordt bij hem een spel van manipulaties, dat alleen het eigenbelang dient. Wie wil kan hem een contrahumanist noemen. Dat hij het lezen zelf ridiculiseerde en ongezond vond, ligt haast voor de hand. Hij berekende, tot eigen genoegen, de gemiddelde fysieke en geestelijke leeftijd van de geleerden. Van de duizend worden er maar driehonderd veertig, maar honderd daarvan zullen voortstuderen, maar weer tien daarvan hebben het geheugen en het intellect voor belangrijk werk, en maar drie van de laatste tien zullen de druk en ellende overleven en productieve geleerden zijn. Hij zelf werd achtenzestig!

Pico della Mirandolla is de uitzondering op Alberti's regel. Hij werd slechts 31, maar hij had alles gelezen, in vele oude talen (hij leerde zelfs van een bedrieglijke leraar een niet bestaande taal die voor Chaldeeuws werd uitgegeven!). Hij was het absolute literaire genie van de Italiaanse Renaissance. Grafton wordt, als iedereen, door hem meegesleept; het hoofdstuk over Pico is het levendigste van het boek. Wat allen probeerden te lezen had hij allemaal alleen gelezen; zijn allergrootste vermogen was waarschijnlijk dat van de vergelijking en daarin het ontdekken van de gelijkheid van bijna alles, in godsdienst en wetenschap. Hij is de grootste adaptator van de geschiedenis, denk ik, de grootste ondergraver ook van de leerstellingen van de kerk. In zijn laatste werk analyseerde hij de astrologie (die in de hele cultuur, ook in het Vaticaan, heerste) op dodelijke wijze. Maar daarmee werd ook de klassieke grondslag ervan verworpen. Het wordt door Grafton zeer gedetailleerd en vanuit een enorme belezenheid beschreven, met voelbare sympathie voor de revolutionair (die een van de grootste particuliere bibliotheken van zijn tijd had).

MISSCHIEN is Pico's vermogen tot vergelijking en gelijkstelling, tot het scheppen van één groot gemeenschappelijk denken in de geschiedenis van de mensheid, tot het ontdekken van het bekende in het vreemde, op kleinere schaal wel het meest typerend voor de wijze van lezen van de humanisten als in Graftons boek beschreven. De schitterende passages over de jezuïet Ricci en diens gebruik van Epictetus in zijn in het Chinees geschreven en als Chinees bedoeld boek, Vijfentwintig gezegden, waarvan de belangrijkste delen van de stoïcijnen en niet van Chinese wijsgeren zijn, kunnen het bewijzen. Over Ricci en zijn adaptatievermogen gaat de werkelijk briljante inleiding bij Graftons boek. De auteur moge in het nawoord schrijven weinig gemeenschappelijks bij de onderzochte auteurs te hebben ontdekt, de ideeën over adaptatie uit zijn inleiding doortrekken zijn hele studie. Als er iets gemeenschappelijk is, is het het vermogen tot aanpassing van de ouden aan het eigene, het naar zich toelezen, het zich toe-eigenen, maar ook het gelijkschakelen, het imperialisme evenzeer. Een culturele transmissie - naar twee kanten, commerce dus! - die wel eens het wezenlijke van de westerse beschaving zou kunnen zijn.

In de zestiende eeuw verplaatst zich het humanisme van het zuiden naar het noorden. En alles lijkt opnieuw te beginnen. Twee noorderlingen sluiten het boek af. De eerste is Guillaume Budé, de grootste graecus van zijn tijd. Hij wordt behandeld als lezer van Homerus. En dat betekent een studie van de ontelbare randschriften die hij zijn editie van de Ilias en de Odyssee meegaf en die hij voor het grootste deel in het Grieks schreef. Zijn wijze van lezen is zowel filologisch als algemeen interpreterend. En bij het laatste wordt bijna niets of niemand met rust gelaten. Misschien is het mooiste de ontdekking, van welk beroemd Byzantijns commentaarwerk Budé gebruik heeft gemaakt. Het allegoriserend lezen, want anders is dat levenszin gevende interpreteren niet te noemen, was zeer oud. De oude Giovanni had zijn Donatus, Budé de Byzantijnen. Budé (en Erasmus en alle genoemde Italianen) bewijst het: er is nooit eerder of later intensiever gelezen dan in de literaire ontdekkingsreizen van de Renaissance (en die waren ook veroveringstochten!), nooit meer is het boek zo overschat. (Er is natuurlijk ook nooit meer zoveel geschilderd als in de Italiaanse Renaissance!)

Het laatste hoofdstuk gaat over Johannes Kepler, de Duitse astronoom, die in 1630 stierf. Bij Grafton gaat het uiteraard om de wijze waarop Kepler in zijn werken de klassieke geleerden las. Dit hoofdstuk is nogal specialistisch. De conclusie waartoe het leidt is schitterend: de astronoom is ook de grootmeester van de betrekkelijkheid. Alle wetenschap is een product van zijn tijd. Hij zag de waarde van eigen werk even relatief als hij het denken van sommige groten uit de Griekse oudheid maakte. De ouden bleken oud. Het is een mooi slot voor een indrukwekkend geleerd boek over een periode die de oudheid in zichzelf wedergeboren zag.

Anthony Grafton, Commerce with the Classics. Ancient Books & Renaissance Readers, The University of Michigan Press, prijs ¿ 74,80.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden