Leren omgaan met mensen

De menselijke robot komt eraan. Althans, als we de berichten in de media mogen geloven. De medische robot brengt recepten rond, vertelt grappen aan patiënten, tilt zware zieken uit hun bed, leert slachtoffers van een beroerte weer te lopen en opereert harten, galblazen en keeltumoren.

Zieke kinderen en eenzame ouderen benadert hij met veel empathie: vermomd als aaibaar zeehondje of tafelgenoot. Ook buiten de zorg laat de robot zich gelden als bewaker, stofzuiger, pakketjesbezorger of grasmaaier.

Maandag 15 juni in De Balie in Amsterdam: KennisCafé over leven met robots. 20.00 uur, gratis toegang, wel aanmelden op 020 5535100

Het beeld is bedrieglijk. Sinds het woord robot in 1921 werd geïntroduceerd door de Tsjechische schrijver Karel Capek, zijn de wildste fantasieën op het verschijnsel geplakt. Maar van de androïde verschijnselen die SF-schrijver Isaac Asimov vlak na de Tweede Wereldoorlog in zijn Robotverhalen voorspelde, is weinig terechtgekomen. Het robotvoetbalteam waaraan onderzoekers wereldwijd werken in de Robocup-competitie, en dat in 2050 de wereldkampioen van vlees en bloed moet verslaan, zou nu zelfs door een geblinddoekt IJsland worden ingemaakt.

De enkele medische robot van vandaag rolt over gelijke vloeren, zonder drempels, of zit vastgeklonken aan de operatietafel – meer smaken zijn er niet. Of hij beweegt zich in het geheel niet voort, zoals Paro, een zeehondachtig robotje dat knorrende geluidjes maakt, met zijn grote zwarte ogen knippert en zijn staart zwaait als hij wordt geaaid. Hij wordt ook in Nederland ingezet als elektronisch huisdier voor dementerende ouderen. De hoogst aaibare robotjes hebben volgens onderzoekers een therapeutisch effect: de ouderen praten tegen de robot die hen opvrolijkt.

Paro zorgt niet voor de ouderen, maar de ouderen zorgen voor de robot. Dat houdt hen actief of leidt hen af van hun eenzame bestaan. Zozeer dat diverse verzorgingstehuizen en ook kinderafdelingen in ziekenhuizen de therapeutische namaakzeehond hebben aangeschaft. De eerste actie Red Paro is zelfs al gevoerd, in het Amsterdamse Leo Polakhuis. Het kunstmatige diertje, dat ook koekjes werd gevoerd, moest na een zichtperiode van een maand terug naar z’n Japanse schepper. Een actie voor de benodigde vierduizend euro heeft geleid tot aanschaf.

Dit voorbeeld laat goed zien waar het in robotland vooral om draait: communicatie. ‘Apparaten die succesvol en heel snel zijn geïntroduceerd, hebben dikwijls te maken met communicatie. Telefoon, radio, televisie, fax, het mobieltje. Vooral daaraan ontbreekt het nog in de robotwereld’, zegt prof. dr. ir Pieter Jonker, hoogleraar robot vision aan de TU Delft. ‘Er zijn al genoeg robots in gebruik, maar hun gebrek aan vermogen tot interactie met mensen en met een ongestructureerde omgeving maakt ze nog ongeschikt voor een brede inzetbaarheid.’

Apotheek
Steeds meer apparaten zitten vol met robotachtige snufjes en intelligente elektronica. Van iPod tot automobiel. In een gemiddelde Franse apotheek haalt niet de assistent de pillen uit het magazijn, maar een robot, en in de industrie en de logistiek zijn talloze productieprocessen en magazijnen gerobotiseerd. Zijn die in werking, dan is de aanwezigheid van personeel verboden. Zo’n robot doet immers geen stapje opzij als er een mens aankomt, en voelt het niet als hij er eentje dreigt te pletten.

Voor een sociale robot, zoals in de zorg nodig is, is die interactie een voorwaarde. Jonker: ‘Industriële robots zijn positie-gestuurd: ze bewegen zichzelf of een grijper naar een vastgestelde plaats. Mensen zijn impedantie-gestuurd: ze bewegen op basis van zowel positie als kracht; daardoor reageren ze beter op wat ze in hun omgeving tegenkomen. De uitdaging is robots zo te maken, dat ze kunnen samenwerken met mensen. Bovendien moet er ook een cognitieve component worden ingebouwd: robots kunnen nu niet voor zichzelf zorgen. Het zal daarom nog een jaar of twintig duren voor robots mensen effectief kunnen helpen.’

De robots die nu worden gepresenteerd, zijn heel eenvoudig, zoals de automatische stofzuiger en grasmaaier. Ze kunnen alleen in een zeer gestructureerde omgeving functioneren, zoals het besturen van karretjes en treinen; moeten door mensen worden bediend, zoals de operatierobots en tilhulpen; of zijn spielerei, zoals Paro.

‘Nog steeds staat de robottechnologie in de kinderschoenen. Er worden slechts kleine stapjes vooruit gemaakt’, zegt ir. Maurits Butter, die bij TNO de toepassing van robots in de gezondheidszorg onderzoekt. Er zijn wel wat commerciële successen, constateert hij. De Paro, de Da Vinci-operatierobot en de Lokomat, die helpt bij de revalidatie van het lopen.

Het primaat van de technologie en de techneuten is vaak nog een groot probleem bij de ontwikkeling van robots, constateert Butter. ‘Meestal ontbreekt de betrokkenheid van de patiënt en de specialist die de robot moeten gaan gebruiken, en vooral van de medische wetenschapper die nieuwe inzichten zou kunnen inbrengen. Daardoor wordt vaak iets ontwikkeld wat net niet doet wat de specialist noodzakelijk acht of wat niet wordt geaccepteerd door de gebruiker. Of allebei.’

Ook de hoge kosten van het ontwikkelen en testen in de kliniek belemmeren de introductie van robots in de zorg. Defensie, ruimtevaart en de diepzee-industrie zijn belangrijke terreinen waar robottechnologie wordt ontwikkeld. De Amerikaanse defensie bijvoorbeeld bedacht een zogeheten exoskelet dat soldaten moet helpen om grotere gewichten te tillen. Dat wordt nu ook toegepast om patiënten na een dwarslaesie of beroerte te helpen met staan. Butter: ‘Toepassing in de zorg is alleen zinvol als de robot onschadelijk is en iets toevoegt aan een bestaande behandeling of werkwijze. Dit klinische onderzoek met robots is lastig en duur en staat daardoor commerciële toepassing in de weg.’

Leren lopen
In 2003 zei dr. Herman van der Kooij tegen de Volkskrant dat hij een hulpvaardige robot wilde ontwikkelen. Dat is inmiddels gelukt, zegt de universitair hoofddocent mechatronica aan de Universiteit Twente en de TU Delft. Robot Lopes helpt patiënten na een beroerte bij het opnieuw leren lopen. ‘Het is wel een robot, want hij reageert zelfstandig en intelligent op wat de revalidant doet. Zo geeft hij alleen steun en kracht waar en wanneer dat nodig is. Naarmate de patiënt zelf meer kan, vermindert de ondersteuning’, zegt Van der Kooij.

De onderzoeker erkent dat Lopes niet voldoet aan het beeld van de humanoïde, de mensachtige robot. De artificiële benen zitten vast aan een stellage, en de patiënt moet zich erin laten vastsnoeren om passen te kunnen maken op een lopende band. ‘De robots die op mensen lijken, zijn nu nog vooral speelgoed. De serieuze toepassingen lijken daar voorlopig nog lang niet op. Als dat al gaat gebeuren’, zegt Van der Kooij, die zijn Lopes nu ombouwt tot een draagbaar systeem dat ook thuis kan worden gebruikt.

Een ander probleem is de energie. Voor elektromotortjes die krachtig genoeg zijn om bijvoorbeeld iemand op te tillen, is behoorlijk wat energie nodig. Bijvoorbeeld van het robotpak dat de Japanse prof. Yoshiyuki Sankai ontwierp. Sankai liet zich als jongetje inspireren door Asimovs I Robot.

Het pak, dat een skelet van kunststof is, kan worden gedragen door mensen die onvoldoende kracht in de spieren van armen en benen hebben om ze (langdurig) zelfstandig te kunnen bewegen. Het pikt de signalen op die de hersenen naar bijvoorbeeld de dijbeenspieren zenden, en activeert daarmee een aantal motortjes in het onderste deel van dit exoskelet, waarmee de ingezette beweging wordt ondersteund.

Jonker is sceptisch. ‘Wil het echt functioneren, dan moeten de motortjes veel kracht kunnen leveren. Ik denk dat een 220-voltaansluiting vooralsnog handiger is dan een battery pack.’

Van dit soort robotpakken is er nog een lange weg te gaan naar de zelfstandig functionerende robot. Want een robot laten lopen over een vlakke vloer is al een heidens karwei. Een trap op en af, obstakels ontwijken of zich herstellen als het evenwicht verloren raakt, is nog veel moeilijker.

Op de meeste filmpjes van lopende, of eerder voortschuifelende robots beschermt een meelopende onderzoeker het tienduizenden euro’s kostende troetelkind angstvallig tegen vallen. Jonker: ‘De robot moet weten wat er in de wereld aan de hand is om te voorkomen dat hij valt, hij moet samenwerken met mensen en moet ook nog de dingen doen waarvoor hij bedoeld is. Vooralsnog is dat een enorme opgave.’

Maar er zijn ook heel andere vragen die een antwoord behoeven, waarschuwt het Nederlandse Rathenau Instituut. Na een verslag van een robotstudiereis in Japan schrijft het instituut, dat de maatschappelijke gevolgen van nieuwe technologie onderzoekt, nu een studie over de toepassing van robots in het huishouden, de zorg, bij defensie en de politie.

Er is nog een grote kloof tussen de techniek en de gebruikspraktijk, zegt dr. ir. Martijntje Smits van Rathenau. ‘Er is grote scepsis bij de gebruikers. Maar er zijn ook belangrijke ethische vragen. Wat mag een robot wel en niet doen, hoe verhoudt het ondergeschikt zijn aan de menselijke wil zich tot een zekere mate van autonomie van een robot, wie is verantwoordelijk als er met een robot iets mis gaat, en wat zijn de (culturele) consequenties van de introductie van een robot in een samenleving?’ Daarover zijn tot nu toe meer sciencefictionverhalen geschreven dan wetenschappelijke rapporten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.