Leni Duistermaat in de Hortus van Leiden. ‘Weet je dat er meer dan honderd soorten gras in Nederland staan? Al die verschillende vormen en variaties, daar heb ik een intrinsieke nieuwsgierigheid naar.’

InterviewPlantkundige Leni Duistermaat

Leni Duistermaat over de nieuwe Nederlandse plantenbijbel, die zij samenstelde

Leni Duistermaat in de Hortus van Leiden. ‘Weet je dat er meer dan honderd soorten gras in Nederland staan? Al die verschillende vormen en variaties, daar heb ik een intrinsieke nieuwsgierigheid naar.’Beeld Judith Jockel

Vooraanstaand plantkundige Leni Duistermaat stelde de nieuwe editie samen van Heukels Flora van Nederland. Vijfhonderd nieuwe soorten staan er in de plantenbijbel, 2.500 in totaal. Hoe herken je die?

In het publieksdeel van haar Leidse kantoortuin wemelt het van de opgezette zoogdieren, vogels en vissen. Er staat één boom. Die is van plastic. Dat vindt Leni Duistermaat (58), vooraanstaand plantkundige bij Naturalis, zelf ook wat magertjes voor een Biodiversity Center, zegt ze.

‘Hier en daar hangen wat tekeningen en herbariumexemplaren, er is een wand met herbariumdozen, maar zeker in de vaste tentoonstelling zijn planten nog onderbelicht. Publiekstrekkers als zoogdieren en vogels vind ik ook heel mooi, maar planten verdienen meer aandacht. Die gaan ze nog krijgen.’

Duistermaat is de samensteller van de vierentwintigste editie van Heukels Flora van Nederland, dé plantenbijbel voor de Nederlandse florist, in 1883 gemaakt door H. Heukels. De nieuwe editie, nog altijd uitgegeven door Noordhoff, beschrijft gedetailleerd de ruim 2.500 soorten wilde planten die in Nederland groeien. Vorige week werd het nieuwe werk gepresenteerd. Noeste arbeid, maar een eervolle klus, vindt Duistermaat. De taxonoom staat hiermee in het illustere rijtje van haar (mannelijke) voorgangers H. Heukels, W.H. Wachter, dr. S.J. van Ooststroom en dr. R. van der Meijden.

Planten trokken haar als kind al. ‘Mijn moeder had haar hele jeugd in Indië gewoond. In Leende, onder Eindhoven, had zij ook geen idee wat er om haar heen groeide. Samen bladerden we door de gids Wat bloeit daar? Ik was 4 en wees de plaatjes aan, moeder las de namen voor. Zo wist ik al heel vroeg dat ik bioloog wilde worden.’

Waarom planten? ‘Voor vogels moet je vroeg opstaan, dat lukte nooit. En ze vliegen altijd weg. Ik heb weleens dassen gespot in Limburg. Nooit één gezien, behalve een doodgereden exemplaar. Insecten zijn ook leuk, maar planten blijven netjes staan. Ik heb een zwak voor de diversiteit. Weet je dat er meer dan honderd soorten gras in Nederland staan? Al die verschillende vormen en variaties, daar heb ik een intrinsieke nieuwsgierigheid naar.’

Niet dat ze alles ziet: ‘Voor sommige planten heb ik een blinde vlek. Ik zie orchideeën snel over het hoofd. Heel gek. Misschien komt het door mijn leermeester en voorganger Ruud van der Meijden. Hij deed tegenover studenten altijd wat neerbuigend over orchideeën, vond het protserige aanstellers.’

Determineren leerde Duistermaat tijdens haar studie in Leiden. Maar plantkunde is geen allesweetkunde. Sommige soorten bezorgden haar tot aan het samenstellen van ‘de Heukels’ buikpijn: ‘Handekenskruid, een geslacht met onder meer de rietorchis, de gevlekte orchis en de brede orchis, is moeilijk te determineren. De omgrenzing van die soorten is niet duidelijk, er zijn ook nogal wat wisselende inzichten over geweest. Met moleculaire technieken begint nu wat duidelijkheid te ontstaan, maar het blijft een moeilijke groep om soorten in af te bakenen.’

Leni Duistermaat: ‘Je moet weten wat een blad is. Dat is moeilijker dan het klinkt.’Beeld Judith Jockel

Zo eenvoudig is determineren dus niet altijd. De plantenwereld is te gevarieerd om zich te laten vatten in strikte indelingen, lijkt het. ‘Er is geen enkele soortdefinitie die algemeen toepasbaar is voor de Flora. Sommige planten hybridiseren vrij makkelijk. Soms leidt dat tot steriele nakomelingen, soms geeft het vruchtbare nakomelingen. Die kunnen weer terugkruisen met algemene soorten en zo krijg je brede zwermen waarvan alleen de uitersten goed herkenbaar zijn. Een plant die er wat anders uitziet, hoeft niet altijd iets anders te zijn. Lastig voor de taxonoom.’

Hier wreekt zich het menselijk tekort, erkent Duistermaat. ‘Wij willen alles in vakjes stoppen. Dat werkt niet altijd. Het samenstellen van de Flora is iets anders dan het sorteren van een knopendoos. Onbevredigend, maar de huidige stand van kennis is soms nog ontoereikend.’

Is een papieren veldgids met ‘zoeksleutels’ sowieso niet achterhaald, in een tijd van apps en dna-onderzoek? Een netelige kwestie: ‘Apps zijn mooi en geven aan de hand van fotootjes soms goede suggesties. Vooral Obsidentify is handig, maar ook die werkt maar in zo’n 70 procent van de gevallen. Apps zijn hooguit complementair, de Flora blijft de standaard. Je komt toch altijd terug bij een beschrijving, om te zien of die op alle punten overeenkomt. Zelfs als een app een waarschijnlijkheid van 80 procent aangeeft, kan de Flora toch een ander, juist resultaat geven.’

Eenvoudig is het niet, planten determineren. ‘Je moet wel de botanische terminologie beheersen. Je moet weten wat een blad is. Dat is moeilijker dan het klinkt: er zijn enkelvoudige en samengestelde bladen. Als jij niet in de gaten hebt dat een blaadje van een es of vlier onderdeel is van een heel blad, ga je vreselijk de mist in. Een blad heeft altijd een okselknop. Zie je geen knop, dan weet je dat je een deelblaadje hebt.

‘Wat is een bloem? Leken zullen een madeliefje één bloem noemen, maar het is een samenstel van kleine bloemetjes: de witte aan de rand, gele in het midden. De paardebloem: dat zijn een heleboel gele lintbloemen bij elkaar, op één hoofdje. Dus je moet goed kijken: waar zit de stijl, waar zitten de meeldraden. De krans die eromheen zit, maakt het tot één bloem.’

Paardebloem (Taraxacum officinale) en Madeliefje (Bellis perennis).Beeld Colourbox

En dan nog kun je ernaast zitten. Gek worden haar studenten er soms van. Zijzelf ook. ‘Maar ik realiseer me tenminste beter dat ik op het verkeerde spoor kan zitten. Dat scheelt.’

Dna-technieken kunnen helpen, maar werken nog niet altijd. ‘Neem de ogentroost, lieve kleine plantjes in natte duinvalleien. Wat uit dna-onderzoek komt, valt op geen enkele manier te rijmen met wat klassiek morfologisch onderzoek leert. Hoe kan dat? Ik denk: ogentroosten zijn halfparasieten. Die halen een deel van hun voedingsstoffen van andere planten. Misschien beïnvloedt de gastheer het dna van de ogentroost. Dat dénk ik, er is geen literatuur over.’

‘Haar’ Heukels’ bevat vijfhonderd soorten meer dan de vorige versie, uit 2005. Hoe kan dat? Voor een deel door de vreemde manier van voortplanten die sommige erop na houden. ‘Sommige bramen en paardenbloemen noemen we ‘planten zonder vader’. Er is wel bestuiving, maar geen bevruchting. Via de moederlijn krijg je dan een soort klonen. Vormen die best veel op elkaar lijken, maar waar je verschillend tegenaan kunt kijken. De vorige bewerker vond al die zuivere lijnen één gezamenlijke soort. Diep van binnen ben ik het daarmee eens. Maar in landen om ons heen komen die kleinere soorten apart in de gidsen terecht. Nederlandse floristen wensten dat ook. Met hulp van bramendeskundigen heb ik nu zeventig bramensoorten opgenomen in de Heukels’. Soms zie je het verschil aan bloemkleur, beharing of blad. De leek zal het ontgaan.’

De overige ‘nieuwkomers’ zijn exoten of verwilderde tuinplanten. In zaaimengsels uit de lelie- en bollenteelt zitten nogal eens ‘vreemde’ onkruiden. Ook bestaan er ‘campingadventieven’: op campings in het kustgebied dook een soort op die sterk lijkt op ons algemene straatgras. Sommige nieuwe klavertjes komen uit het mediterrane gebied.

Over zaaien en vreemdelingen gesproken: je ziet nogal eens bont bloeiende wegbermen en akkerranden. Boeren en gemeenten maken er goede sier mee. Goed voor de bedreigde insecten, heet dat. De plantkundige zijn zulke ‘carnavalsmengsels’ een doorn in het oog. ‘Dat inzaaien verstoort de natuurlijke processen. Je oogst zo snel succes: kleurrijk en aantrekkelijk. Maar het is duurzamer om met goed beheer de inheemse flora meer kans te geven. In de bermen zit van nature nog wel wat.’

Wat is goed beheer? ‘Op de juiste momenten maaien. Niet in één keer de hele berm maaien, maar een deel laten staan, zodat soorten hun cyclus kunnen voltooien. Langs wegen heb je natuurlijk goed zicht nodig, maar iets verder van de weg kun je best iets wat hoger laten staan. Dat kunnen prima heel algemene planten zijn, die ook nectar hebben. Rode klaver, witte klaver, duizendblad, gewone berenklauw – algemene soorten waar ook best veel insecten op afkomen.’

Is het weer eens de schuld van de boeren? Die wáren al zo boos. ‘Zij doen natuurlijk de akkerranden, maar de wegbermen liggen in handen van gemeenten en Rijkswaterstaat. Je ziet nu klaprozen bij de vleet, in alle kleuren: van wit naar donker- of knalrood. Dan weet je al dat het niet de wilde klaproos is. Korenbloemen, van wit via roze naar bleekblauw: dat is geen wild zaaimengsel geweest. Mij doet dat pijn: ik kan de natuurlijke processen niet meer volgen en niet meer zien waar nog ‘echte’ korenbloemen staan. Ik durf er niet meer op te vertrouwen dat als er ergens iets leuks wordt gevonden, dat daar spontaan is opgekomen. Doodzonde. Ook aan leuke ontwikkelingen zit zo altijd een verdacht randje.’

Korenbloem (Centaurea cyanus)Beeld Colourbox

Ze heeft het er weleens over met beheerders. Voor hen is het moeilijk om zeldzame soorten weer terug in het veld te krijgen, omdat ze vaak versnipperd zijn. Het is lastig verspreiden wanneer gebieden ver uit elkaar liggen en een zaadje afhankelijk is van mieren. Duistermaat: ‘Dat snap ik natuurlijk. Toch zeg ik: stop met die bonte zaaimengsels. Strooi maaisel van een terrein in de buurt en kijk wat er opkomt. Let op beheer, waterstand, begrazing en laat de processen hun werk doen. Dan kan een landschap nog heel mooi worden. Spannend voor de kenner en nog steeds aantrekkelijk voor de wandelaar.’

Exoten rukken op, vooral via tuincentra. Wat die mediterrane olijfboompjes allemaal voor zaden in hun kluit hebben zitten. De watercrassula en de grote waternavel staan al op verboden lijsten, zo agressief invasief bleken ze. Ze sloten watergangen af en verdrukten in venoevers en duinplassen de kleinere soorten.

Zelf doet Duistermaat daar dus niet aan mee, en is haar stadstuintje van vreemde smetten vrij, bevolkt door louter biologische inheemsen? Nee, bekent ze. Ze shopt net zo goed bij de Intratuin, al was het maar om te zien wat ze over een paar jaar in het wild kan verwachten. ‘In je tuin moet je kunnen doen wat je wilt, vind ik.’

Ze heeft pampagras in haar tuin gezet. Een vrij grote exoot die verwildert. In Zuid-Europa is dat al een probleem: hij verdringt kleine plantjes. Ook heeft ze springzaad, gevonden in Amsterdam en de Keukenhof, in haar tuin gezaaid, bekent ze. ‘Ik weet dat je heel voorzichtig mee moet zijn met zo’n exoot. Maar hij doet het fantastisch en is zo mooi! Ik hou hem streng in de gaten, zorg dat-ie niet de tuin uitloopt naar de buren.’

Slepen met planten hoort bij de mens, zegt ze. ‘Dat hebben we altijd gedaan. Onze klaprozen en korenbloemen zijn ook niet oorspronkelijk inheems. Die zijn, nog vóór de middeleeuwen, met de opkomst van de landbouw vanuit het middenoosten ons land binnengekomen. Dat leidt tot moeilijke filosofische vragen: naar welk referentiebeeld streef je als we het hebben over natuur in ons land? Waar eindigt natuur en begint cultuur precies? Daar kom je niet zomaar uit.’

Beeld Judith Jockel

Klimaat, stikstof, bevolkingsgroei en andere veranderingen beïnvloeden haar werkgebied. ‘Het gaat steeds harder en sneller.’ Is het nog leuk om in deze tijd van bedreigingen en extinctie plantkundige te zijn? ‘Het zijn spannende tijden, er gebeurt veel. Oprukkende exoten zijn vaak niet leuk. We grijpen ook erg in de inheemse natuur in. Maar het is spannend te zien hoe soorten vanuit het zuiden en oosten ons ‘op eigen kracht’ weten te bereiken. Een bepaalde bremraap is dat onlangs gelukt. Een kleine gentiaanachtige ook. Dat is oneindig veel spannender dan planten die wij uit China of Amerika hebben gehaald en die onze tuin uit lopen.’

Toen ze de Heukels’ bewerkte, dacht ze wel: ‘Ik kan net zo goed een tuinplantenboek schrijven. Er komt zoveel nieuws op ons af, dat is niet leuk meer. De wilde wingerd. De passiebloem. De kiwi. Allemaal afkomstig uit tuincentra. Maar ik hou van het puzzelen, om te zien wat daarvan in de Flora terecht moet komen.’

Haar net verschenen Flora zou ze nu alweer kunnen uitbreiden met drie, vier soorten. Zoals elke nieuwe editie in 137 jaar tijd steeds nieuwe soorten bevat. Dat is dan weer het mooie: ‘De Nederlandse flora is nooit af.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden