Lang leve de onverschilligheid

‘Wat ons bindt is het prettige besef dat er niet zoveel is dat ons bindt.’ In zijn essaybundel Opium van het volk houdt socioloog Dick Pels een betoog voor een doordacht leven en laten leven....

Gert J. Peelen

Godsdienst is opium, daar is menigeen van overtuigd. Maar is zij nu opium ván of opium vóór het volk? Tussen beide opties gaapt een kloof van betekenis.

Karl Marx koos, in navolging van Ludwig Feuerbach, destijds welbewust voor de eerste in zijn klassiek geworden typering van de uitwerking van religie op de mens. Het was uiteindelijk de mens zelf die naar roesmiddelen als drank of geloof greep, in een heilloze poging te ontsnappen aan de alledaagse werkelijkheid van onderdrukking, armoede en ander ongerief. Een ontsnapping met, in het geval van religie, bovendien het wenkend perspectief van een hiernamaals waarin alle leed geleden is en overvloed en eeuwige vreugde ons deel zullen zijn. Zo dacht men in de negentiende eeuw en daarin is gek weinig veranderd.

Zou het toeval zijn, dat vandaag de dag van God én Marx wordt beweerd dat ze weer helemaal terug zijn? Maar ter zake. Want ondanks Marx is ook de alternatieve variant nog steeds in zwang. Zonder dealers geen drugs, is de gedachte daarachter. De reli-industrie kent haar eigen wetten en belangen, waarin wordt voorzien door het volk op ruime schaal heilsbeloften voor te spiegelen of, als het zo uitkomt, hel en verdoemenis aan te zeggen.

Aanhangers van deze opium-vóór-het-volk-optie zijn ervan overtuigd dat een paar simpele maatregelen afdoende zijn om een einde te maken aan deze reliverslaving: sluit kerken en moskeeën, laat priesters, predikanten en imams omscholen tot tramconducteurs, bejaardenverzorgers en verkeersregelaars, en laat de gelovigen gedwongen afkicken onder toediening van een dagelijkse dosis rationeel-wetenschappelijke inzichten.

Marx’ verre volgelingen, zij die opteren voor de eerste variant dus, weten beter. De hang naar religiositeit is even onuitroeibaar als mazelen en de bof. En er is weinig reden te denken dat de mens ooit zal genezen van deze volgens sommigen virulente aandoening. Zelfs een militante relifoob als Christopher Hitchens geeft dat, zij het knarsetandend, toe. Pas als we onze angst voor het onbekende, de dood, het duister en elkaar hebben overwonnen, betoogde hij in zijn dit jaar verschenen God is Not Great (God is niet groot, uitgeverij Meulenhoff) zal religie verdwijnen. Maar tegen die tijd is het natuurlijk lang en breed Sint Juttemis.

Opium van het volk heet de nieuwe bundel opstellen van socioloog en opiniemaker Dick Pels. Blijkens de titel opteert ook hij voor de visie waarin de mens, als een van nature religieuze specie, voor zijn eigen verslaving kiest. Je kunt je er maar beter bij neerleggen, lijkt het pragmatische uitgangspunt. Bovendien, in de individualistisch vormgegeven, vrij zwevende spiritualiteit waarin religie tegenwoordig gehuld gaat, kan zij weinig kwaad.

Pels komt pas in het geweer wanneer de individuele vrijheid in gevaar wordt gebracht, door godsdienstige organisaties die in hun machtsstreven de hoogste prioriteit geven aan dogmatische eenheid en totale onderwerping aan het collectief. Hier verwordt de opium ván, weer tot opium vóór het volk. Het collectivisme dat daar het gevolg van is, staat haaks op de individualistische waarden die ons zo dierbaar zijn, en die de basis vormen van onze democratie. Wij stevenen af op een clash, aldus Pels. En de vraag hoe die te voorkomen, is het leidende thema in zijn bundel.

Daartoe dient eerst een waandenkbeeld te worden ontmanteld. In haar traditionele gedaante is godsdienst ook door ongelovigen vaak geroemd als het krachtigste bindmiddel van iedere samenleving. Wat de samenleving in haar godsdienst aanbidt, is zij in wezen zelf, meende bijvoorbeeld good old Émile Durkheim, een van de geestelijk vaders van de sociologie. Pels betwijfelt echter of eenheid en gelijkvormigheid in deze tijd nog wel primaire behoeften zijn.

Terwijl bijvoorbeeld burgervader Job Cohen krampachtig op zoek is naar wat deze versplinterende multiculturele samenleving in godsnaam nog bijeen kan houden, komt Pels met deze pittig geformuleerde stelling: ‘Wat ons bindt, is het prettige besef dat er niet zoveel is dat ons bindt.’

Van die nood probeert hij in de loop van zijn verhaal een deugd te maken. De oud-Hollandse leefregel ‘Leven en laten leven’, is daarbij het devies.

Dat de tolerantie die men daarmee ooit op het oog had inmiddels in onverschilligheid is ontaard, ontkent hij ten stelligste. Of eigenlijk: helemaal niet. Want wat is er mis met onverschilligheid? Niets, zolang zij zich uit in ‘beleefde afstandelijkheid’, vergelijkbaar met het door tegenliggers tijdig wederzijds dimmen van de koplampen tijdens een nachtelijke autorit.

Pels etiketteert de onverschilligheid die hij voorstaat als ‘vrijzinnig individualisme’, waarbij gevoel van betrekkelijkheid de hoofdrol speelt; een vorm van relativisme die achterlijke en weerzinwekkende opvattingen met merkbare tegenzin verdraagt, maar die niet nalaat de eventueel uit dergelijke opvattingen voortvloeiende praktijken met kracht te bestrijden. Individualisme? Akkoord, zolang zij is gekoppeld aan dat relativisme. Zonder dat, schrijft Pels, ‘wordt het absoluut, en dus onbeheerst en onbeschaafd’.

Zo’n gevoel voor betrekkelijkheid begint uiteraard bij jezelf, met de durf tot twijfelen en het lef eigen opvattingen ter discussie te stellen. Die ogenschijnlijke kwetsbaarheid blijkt uiteindelijk de grootste kracht, zowel op individueel niveau, als op het macroniveau van de democratie. Pels: ‘De politieke kunst is niet zozeer om mensen te doen beseffen dat zij verbonden zijn met elkaars lot, maar om hen te leren of ertoe te verleiden om te leven in onzekerheid (en) die onzekerheid een beetje beter uit te houden, zonder hun eigen lot uit handen te geven.’

Weg met de levensbeschouwelijke zekerheden en met het verkrampte eenheidsstreven. Maar hoe verhoudt zich dat tot de scheiding van kerk en staat? Daarover wordt vanuit een liberaal simplistisch perspectief veel te dogmatisch gedacht, vindt Pels. Levensbeschouwingen, godsdiensten incluis, moeten zich vrijelijk kunnen manifesteren in het publieke domein, zolang zij zich maar voegen naar de regels van de democratische rechtsstaat. Tot die spelregels behoort onder meer het gebod dat iedere daarin vertegenwoordigde stroming alle andere, desnoods knarsetandend, zal dulden.

De fout die fanatieke geloofsbestrijders al dan niet opzettelijk maken is dat zij de scheiding van kerk en staat vereenzelvigen met die van geloof en politiek. De eerste is cruciaal voor het voortbestaan van onze rechtsstaat, maar levensbeschouwing en politiek zijn op het filosofische vlak absoluut en zelfs principieel onscheidbaar. Daarmee houden deze zogeheten wetenschappelijk atheïsten op slinkse wijze hun eigen levensbeschouwing buiten schot: een totalitair Verlichtingsdenken dat, aldus Pels, gewoon ‘een seculiere vorm van het monotheïsme’ is.

Het zal duidelijk zijn: Dick Pels heeft het niet op fundamentalistische imams, ultramontaanse priesters en zwartekousenpredikers, maar evenmin op Verlichtingsfundamentalisten die zich aan eenzelfde waarheidsfanatisme schuldig maken. Ergerlijker nog vindt hij het feit dat deze totalitaire Verlichtingsadepten als zelfbenoemde poortwachters, andere gelovigen de toegang tot het publieke domein menen te moeten ontzeggen. Pels: ‘Het geloof in een enkelvoudige, dwingende wetenschappelijke waarheid toont de onverdraagzame kant van het Verlichtingsdenken; het beste deel van de Verlichtingserfenis blijft toch het kritische relativisme en de opvatting van het waardenpluralisme als een ‘eeuwige strijd der goden’.’

Er valt wel wat af te dingen op Pels’ parmantige pennenstrijd, bijvoorbeeld tegen eenheidsstrijders en samenbinders. Waar de westerse cultuur gedomineerd wordt door debat en het zoeken naar tegenstellingen, de motor van de democratie tenslotte, kan het geen kwaad hetgeen ons daarbij bindt in het oog te houden, al was het slechts de bereidheid zo’n debat met elkaar aan te gaan. Dat geldt zeker wanneer, zoals nu, tegenstellingen zich toespitsen, waarheidsaanspraken apodictischer worden en de ónbetrokken onverschilligheid toeneemt.

Tegen de niet geringe stelligheden die Pels poneert, steekt zijn pleidooi voor een ‘vrijzinnig beschavingsoffensief’ dan weer tamelijk zachtaardig en – het moet gezegd – ook nogal elitair af. Er spreekt enig dédain uit jegens het gewone volk dat, ten prooi aan populisten, doorgaans niet veel boodschap heeft aan beleefde afstandelijkheid.

Opium van het volk is geen monumentaal gestructureerd betoog, maar een uit losse gelegenheidsstukken opgetrokken verzamelbundel. Dit neemt niet weg dat het voldoende zinnige zetten, dwarsige stellingen en steekhoudende argumenten aandraagt om te voorkomen dat de lopende polemiek rond religie in het publieke domein ontaardt in platte prietpraat.Gert J. Peelen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden