Kierkegaard als profeet

Wie nu door Kopenhagen loopt op zoek naar plaatsen die direct herinneren aan de filosoof Søren Kierkegaard, komt spoedig tot de ontdekking dat de Denen niet veel op hebben met de denker en schrijver uit de negentiende eeuw....

BEHALVE HET 'Noordelijk Gevoel', een sentiment dat bij ons met liefdevolle instemming is beschreven door de schrijvers J. Bernlef, Atte Jongstra en Gerrit Jan Zwier, bestaat er ook een fenomeen dat je het 'Noordelijk Gedoe' zou kunnen noemen. Dat gevóel gaat over licht, ruimte, weidsheid, dat gedóe over klagen, tobben en zeuren. Denk voor dat gevoel aan ijs- en sneeuwvelden en witte nachten, aan de liederen van Wilhelm Stenhammer of de gedichten van Lars Gustafsson, en voor het gedoe aan de maanden durende poolnacht en de eeuwig zanikende naaldbossen, of de schilderijen van Edvard Munch en de films van Ingmar Bergman.

Of aan de verzamelde werken van Søren Kierkegaard, de negentiende-eeuwse Deense filosoof en dagboekschrijver die zijn tijd zo ver vooruit was dat hij al een christelijk alternatief bood voor het existentialisme, een eeuw voordat dat existentialisme in de mode kwam. En het existentialisme zelf is al zo pathetisch!

Bergman en Kierkegaard, dat is de wereld van mijn ouders, de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw: ruzies die ik niet maken wil, antwoorden op vragen die ik niet stel. Het zal een kwestie van temperament zijn, maar de klaaglijke basso continuo die onder die Scandinavische talen hangt, staat me al helemaal niet aan. Geen wonder dat je, als je op die toon met elkaar praat, dat heilloos naargeestige gezuig krijgt waaruit Scènes uit een huwelijk bestaat, of zelfkwellende boeken gaat schrijven met afstotende titels als Vrees en beven of Het begrip angst.

Daar komt bij dat zowel de geschiedenis van Kierkegaards leven als die van zijn Nachleben al even ontmoedigend werkt. In essentie gaat zijn literair-filosofische productiviteit terug op een verbroken verloving, een verkering die hij bovendien zelf had uitgemaakt. Wie was het ook weer die zei dat een filosoof iemand is die, bij gebrek aan een vrouw, de hele wereld omarmt? Bij Kierkegaard is dat a fortiori het geval: niet zodra had hij zijn verhouding met Regine Olsen verbroken, of zijn filosofische, literaire en theologische publicatiedrift schoot door zijn remmen. Blad na blad werd volgepend, met een aan grafomanie grenzende bezetenheid; boek na boek verscheen, soms wel drie tegelijkertijd.

Het ongezonde karakter daarvan is in de anderhalve eeuw na zijn dood - hij werd in 1813 geboren en stierf in 1855, uitgeput, neem ik aan, in ieder geval met een lamme hand - wereldwijd talloze keren aan nader onderzoek onderworpen en er zijn maar weinig commentatoren die de verleiding om daar psychologische, ja, psychoanalytische verklaringen voor te geven, hebben kunnen weerstaan.

In Nederland werd Kierkegaard al in de laatste decennia van de negentiende eeuw vertaald en gelezen, maar de vaart kwam er pas goed in toen in de jaren vijftig en zestig de dominees en de pastoors zich van zijn gedachtegoed meester maakten. Door middel van inleidingen op en bloemlezingen uit zijn werk werd hij ingezet als apologeet van het christendom in een ontkerstenende en haar heil bij moralistische filosofen zoekende samenleving.

Die bloemlezingen - inleiding van de thomist B. Delfgaauw, vertaling en commentaar van pater W.R. Scholtens - hadden al bij eerste aanblik iets terneerdrukkends: ze bestonden bij voorkeur uit aforismen - en dat is, in al zijn knulligheid, toch meer het genre van vervroegd gepensioneerde notarissen uit de provincie dan voor serieuze lezers of denkers.

Inmiddels heeft Kierkegaard het, in de laatste decennia van de twintigste eeuw, gebracht tot de meest geciteerde filosoof, samen met Heidegger en Wittgenstein. Dat is, op zijn zachtst gezegd, eigenaardig - want het existentialisme is voorbij, Bergman en al dat relatie-gezeik zijn uit de mode en voor de verdediging van het traditionele christendom is al evenmin langer emplooi. In Nederland verscheen dit voorjaar de eerste integrale vertaling van Kierkegaards eerste belangrijke werk, En ten/Eller - OF/OF - Een levensfragment uitgegeven door Victor Eremita.

Toegegeven, ook dat boek begint met een heel hoofdstuk van die ellendige aforismen, onder de parmantige titel 'Diapsalmata', maar overigens gaat het om een complete tekst, of liever gezegd: een volledige verzameling van onverkorte teksten. Kierkegaard, door de tijd ontdaan van zijn muffe geuren, door de vertaler van deze uitgave ontdaan van zijn biederemeier-achtige verschijningsvorm.

Alle reden, kortom, voor een heroverweging.

IN KOPENHAGEN is, anno domini 2000, veel dat aan Kierkegaard herinnert en tegelijkertijd is er niets dat die herinnering levend houdt. Op de plaats waar aan de Nytorv, een plein vol terrassen in het hart van de oude stad, zijn geboortehuis heeft gestaan, het huis dat zijn vader betrok toen hij ging rentenieren en waar Søren Kierkegaard het grootste deel van zijn leven zou wonen, staat al bijna een eeuw een bankgebouw. In de borstwering van het gebouw zit, iets naast de geldautomaat, een gedenksteen, die in simpele bewoordingen melding maakt van de voorganger van dit gebouw en de beroemde bewoner daarvan.

Het heeft iets smakeloos, iets gelijkhebberigs, een bankgebouw op de plaats waar de grote moralist werd geboren, opgroeide en veruit zijn meeste boeken schreef.

In het Stadsmuseum van Kopenhagen is gewoonlijk een kamer ingericht met enkele Kierkegaard-realia - zijn bureau, zijn pen, het portret van zijn grote liefde, Regine Olsen -, maar die is tijdens het toeristische hoogseizoen helaas gesloten. Ook dat heeft iets misselijks. De meubelen en andere attributen zijn voor de professionele en vasthoudende bezoeker op het restauratie-atelier te bewonderen, maar die omgeving maakt de indruk dat het huidige Kopenhagen niet veel op heeft met de praatjes van Kierkegaard. Dat was bij zijn leven al niet veel beter: berucht is de Corsar-strijd, de spottende polemiek die het satirische tijdschrift Corsar in 1846 tegen hem begon.

Kierkegaard, die zo pijnlijk bericht had van de consequenties die zijn verbroken liefde op filosofisch niveau had, en van de inzichten waartoe het aangaan van die verhouding hem had gedreven, werd erin afgeschilderd als een paljas die een meisje berijdt, de karikatuur van een filosoof die zichzelf in het midden van het heelal plaatst. En het nare is dat die spotprenten anderhalve eeuw na verschijnen eigenlijk nog altijd vrij leuk zijn.

In de vaste opstelling van de Kierkegaard-kamer nemen die prenten een even voorname plaats in als de Kierkegaard-attributen. De held en zijn sceptische ontvangst worden gelijkelijk gewaardeerd. Het Kopenhaagse Stadsmuseum heeft hoe dan ook al de kneuterigheid van een oudheidkamer - Kierkegaard is, met andere woorden, vakkundig teruggezet in zijn tijd en zijn plaats, in een provinciestadje aan de rand van de Europese beschaving ten tijde van het biedermeier. Slechts rond zijn graf, op het Assistens Kirkegård, net buiten het centrum, hangen de plechtige sfeer en stilte van toewijding en verering - zij het voor de Nederlandse bezoeker ook weer niet helemaal zonder dissonant.

Die wordt veroorzaakt door het karakter van het Deens in verhouding tot het Nederlands, een taal die er dikwijls op een spectaculaire wijze net naast zit: fietsen is sukkelen, vertrekken een afgang, en de eerste vrouw van Kierkegaards vader, bijgezet in hetzelfde familiegraf als waarin het gebeente van de filosoof rust, stierf aan het eind van de achttiende eeuw, '38 jaar gammel'.

Van een herwaardering van of een contemporaine discussie met de filosoof is in de Deense boekhandels evenmin iets te merken. Daar wordt in de rubriek filosofie ter hoogte van zijn naam de plank gedomineerd door disparate delen van zijn verzamelde werken en de geromantiseerde kinderboeken die de Deense Diplomphilosoph Peter Thielst de laatste jaren aan Kierkegaard wijdde, vermoedelijk geïnspireerd door De wereld van Sophie van een zijner Noorse collega's.

Slechts uit het bronzen standbeeld van Kierkegaard in de binnentuin van de Koninklijke Bibliotheek spreken achting en een zekere ootmoedigheid. Daar zit hij dan, dwars op zijn stoel, de pen op het papier, te broeden op de scherpst mogelijke formulering van een inval. Ver weg van een stad en een levensstijl die wel heel ver afstaan van de zijne. Wie er zijn routes in aflegt, van huis naar kerk naar school naar universiteit naar het huis van de familie Olsen, waadt door de wereld van de korte broek, de push up bra en het luidruchtige aroma van de firma McDonald's. Daar zit, zoveel is zeker, niemand meer in over een verbroken verhouding meer of minder, de erfzonde of de torenhoge schuld tegenover de Allerhoogste.

Alleen in de binnentuin van de bibliotheek, een Oxbridge college-tuin gelijk, onderhouden heden en verleden een band, Kierkegaard te midden van de vleugels vol oude en veelal gesloten boeken.

DE VRAAG dringt zich op of de lectuur van Kierkegaards OF/OF, gezien die meervoudige context van bedenkelijke annexatie en nog smakelozer distantiëring, nog een andere dan een historische aangelegenheid is. Op zichzelf is daar niets op tegen, op die louter cultuurhistorische appreciatie; het culturele en het filosofische erfgoed dienen onderhouden te worden en telkens opnieuw overwogen en er is geen betere manier om dat te doen dan ze voortdurend opnieuw te herwaarderen en te herlezen.

Maar juist doordat Kierkegaard zich in OF/OF zo inspant om te begrijpen wat de drijfveren voor zijn liefde zijn geweest - wat de meest elementaire sociale filosofie is die je kunt ontwikkelen, hoe verhoud ik mij tot mijn meest nabije naaste - is het verlangen groot meer in zijn boek terug te vinden dan tijdgebonden inzichten, plaatsbepaalde wetenswaardigheden. Want de schrille tegenstelling die de sentimentele pelgrimage aan het licht brengt - een bankgebouw voor een woonhuis, het consumentistisch hedonisme in de plaats van het zwartste schuldbeladen protestantisme, het schrijfgerei van de gepassioneerde veelschrijver bijgezet tussen de afgedankte werktuigen van handwerkslieden uit verdwenen beroepen - bewerkstelligt een schrijnende vraag.

Die vraag luidt: is de gedachtewereld van Kierkegaard verdwenen of afgewezen, opgelost of weggemoffeld? Is hij bijgevijld en is hem vervolgens het zwijgen opgelegd omdat hij niks zinnigs meer te zeggen had, of omdat dat beter uitkwam? En waar komt dan die meer dan aanzienlijke citeerdrift onder vakgenoten vandaan?

OF/OF is een raamvertelling; in de inleiding vertelt de nominale tekstbezorger Victor Eremita - de 'overwinnende kluizenaar', een nogal opdringerig pseudoniem - hoe hij in een oude secretaire een geheime lade heeft ontdekt, die een grote verzameling manuscripten bleek te bevatten. Die manuscripten zijn kennelijk geschreven door twee onderscheiden auteurs en ze gaan allemaal over de liefde. De ene verzameling is geschreven door iemand die de bezorger 'A' noemt, een levensgenieter, de andere door 'B', een rechter die vermoedelijk Vilhelm heette.

'A' schrijft aforismen en een aantal zelfstandige bespiegelende of essayistische stukken, waaronder 'Het dagboek van de verleider' de belangrijkste plaats inneemt. Hij is onder de indruk van, ja, verslaafd aan Mozarts Don Giovanni en onderzoekt in zijn opstellen die opera op zichzelf en de wonderlijke zeggingskracht die ze voor hem heeft - 'De onmiddellijke erotische stadia of het muzikaal-erotische' - en een van de vrouwelijke personages uit de Don Giovanni, zowel als 'Gretchen' uit Goethe's Faust. Hij springt van de hak op de tak, onderzoekt op telkens andere wijze zijn emoties en hartstochten.

Hij wordt door de tekstbezorger 'de estheticus' genoemd, de man die het primaat toekent aan de gewaarwording, aan de stimulans. Het is algauw duidelijk dat de auteur 'A' op twee gedachten hinkt: hij schrijft met een zekere verlekkerdheid over zijn eigen belevenissen en voorkeuren, maar tegelijkertijd met een gevoel van gêne en schuld. Hij boekstaaft zijn wederwaardigheden, maar hij kan zich niet onttrekken aan een evaluatie ervan. Er knaagt iets aan hem, maar hij is niet bij machte dat geknaag te exploiteren tot een steekhoudende analyse. Wie zijn heil wil zoeken bij het debiliserende lexicon van de psychoanalyse maakt gemakshalve een 'narcist' van hem - en dan is de brug naar het heden meteen geslagen: het 'ik-tijdperk', jawel, daar gaan we weer - of liever gezegd, daar gingen we al, anderhalve eeuw voordat HP het woordje bedacht.

'B' is uit geheel ander hout gesneden. Hij is de rechter, de enigszins conservatieve moralist, de ethicus en hij heeft zijn gedachten blijkbaar in brieven gegoten die hij aan 'A' schreef. Tegenover diens hedonisme en oppervlakkige wispelturigheid stelt hij zijn eigen stabiliteit, zijn concentratie en pogingen tot verdieping. Hij bezingt de kwaliteiten van de monogamie, van de trouw, van de ernst.

Het is ondoenlijk in een uiterst beknopte weergave van het grondpatroon van Kierkegaards boek versleten kwalificerende termen te vermijden, de clichés van het moralisme over de meest fundamentele menselijke relatie, de liefdesbetrekking tussen twee mensen. Maar de grote kracht van Kierkegaards OF/OF is dat het zo beschrijvend, zo verhalend en bespiegelend is, juist zonder het klaarliggend arsenaal van brave platitudes in te zetten. De ervaringen en standpunten van 'A' en 'B' komen tot uitdrukking in hun geschriften, maar worden er niet in opgesomd. Ze zijn allebei oprecht op onderzoek uit, niet op consolidatie van hun eigen gelijk.

En dus werkt het rusteloze van 'A' op den duur vermoeiend, en de kalmte van 'B' kalmerend: de stijl is de opvatting.

Aanvankelijk werkt het ongedurig hedonisme van 'A' geruststellend; het is zo herkenbaar en staat zo dicht bij de eenvoudige levensfilosofie van het consumentisme dat Kierkegaard triomfantelijk van achter de gordijnen van het biedermeier tevoorschijn lijkt te komen. Ze mogen hem dan in brons hebben gegoten en op de binnenplaats van de bibliotheek hebben opgeborgen, daar in Kopenhagen, hij had ze al door voordat ze nog maar geboren waren en fysiek in staat waren aan de boemel te gaan.

Maar zodra 'B' het woord heeft genomen, gebeurt er iets merkwaardigs. Natuurlijk, zijn behoudzucht lokt allereerst verzet uit - laat die 'A' toch. Gaandeweg echter wordt zijn stem een tegenstem die degene die 'A' zo gemakkelijk een contemporain karakter kon toekennen, minstens zo vertrouwd voorkomt. De wal keert het schip, het hedonisme is per saldo onbevredigend. De titel, die een program lijkt, transformeert van OF/OF in EN/EN - twee zielen, vanzelfsprekend, in één borst. Met een beetje verbeeldingskracht kun je er een hoogst eigentijds inzicht uit brouwen, dat van meervoudige identiteiten rept of hoe het in het dieventaaltje van de postmoderne filosofie en psychologie maar heten mag. Kierkegaard dit keer niet als existentialist maar als postmodernist avant la lettre.

Totdat je, boek onder de arm, de straat op gaat - in Kopenhagen, of waar dan ook. EN/EN? Vergeet het maar: niet eens OF/OF, het een of het ander, maar eenvoudig het een, de wereld van Kierkegaards estheticus. Die meervoudige identiteit is veelal een smoes, om een ongelooflijke lethargie en luiheid te maskeren, Kierkegaards gedachtewisseling tussen twee personages een uitnodiging tot filosofie.

Het maakt OF/OF ineens van een apologie in een profetie, en zijn afwezigheid verdacht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden