Katten die opgroeien tussen mensen verschillen nauwelijks van wilde katten

In de 9.000 jaar dat kat en mens samenleven, is de kat nauwelijks veranderd. Het uiterlijk en gedrag van het huisdier verschillen amper van wilde katten.

Cor Speksnijder
null Beeld anp
Beeld anp

Katten hebben zich minder aan de mens aangepast dan honden. Dat weten katten- en hondenbezitters allang, maar hiervoor is nu ook genetisch bewijs. Door het samenleven met de mens heeft de kat minder genetische aanpassingen ondergaan dan de hond, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek dat gisteren is gepubliceerd in PNAS.

Een team onder leiding van onderzoeker Wesley Warren van de Washington University in St.Louis vergeleek het genoom van enkele huiskatten met dat van wilde kattensoorten en andere zoogdieren.

Mens en kat verkeren zo'n 9.000 jaar in elkaars gezelschap, voor zover bekend voor het eerst op Cyprus. Dat is korter dan het samenleven van mens en hond. Het fokken van katten is pas anderhalve eeuw geleden begonnen. In de gehele periode van domesticatie (het tot huisdier maken van een wilde diersoort) ontbrak een sterke selectie van specifieke fysieke eigenschappen.

De mens liet de kat min of meer zijn gang gaan, terwijl andere dieren werden gefokt voor voedsel, jacht of bescherming. 'De voornaamste eigenschap die bij de kat door selectie werd bevorderd is handelbaarheid, tamheid', zegt Warren telefonisch. De mens perste de kat niet in een keurslijf, maar wilde kennelijk ook weinig last van het dier hebben.

De mens heeft - op de laatste 150 jaar na - geen katten gefokt en zich niet bemoeid met zijn voeding. De kat zorgde gewoonlijk voor zijn eigen eten.

Beperkt effect

Het effect van de domesticatie op het genoom van de huiskat is dan ook beperkt. Uiterlijk en gedrag van de huiskat verschillen niet veel van dat van wilde katten. De belangrijkste uitzonderingen zijn de volgzaamheid en de kleur van de vacht.

Bij het fokken wordt vooral geselecteerd op esthetische en niet op functionele kenmerken. Toen het fokken van katten in de negentiende eeuw in de mode raakte, waren er slechts vijf verschillende rassen.

De meeste rassen zijn later ontwikkeld, waarbij vooral naar het uiterlijk werd gekeken. Toch is de meeste kleurvariatie ontstaan in de periode voordat de mens katten begon te fokken. Een geheel of gedeeltelijk witte vacht is een overgebleven kenmerk van domesticatie.

Katten hebben een scherp gehoor en scherp zicht, waarmee ze ook 's nachts een prooi kunnen waarnemen voordat ze zelf worden ontdekt. Dat vermogen zijn ze niet kwijtgeraakt, zo ontdekten de onderzoekers in het genenmateriaal van de huiskat. Hij behield de zintuiglijke gevoeligheid die nodig is voor de jacht. Daarbij speelt waarschijnlijk ook een rol dat hij tijdens de domesticatie vaak nog in contact stond met zijn wilde soortgenoten, aldus Warren.

De onderzoekers constateerden ook dat katten in vergelijking met honden een groter vermogen hebben ontwikkeld om feromonen - signaalmoleculen die boodschappen overbrengen tussen dieren van dezelfde soort - waar te nemen. Dit is ten koste gegaan van hun reukvermogen.

null Beeld anp
Beeld anp

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden