Medische doorbraakKunstheupen en -lenzen

Kapotgeschoten cockpitruiten veranderden alles aan kunstheupen en -lenzen

Houd moed. In het verleden wisten wetenschappers onwaarschijnlijke medische doorbraken te behalen. Deze week: versleten lichaamsdelen vervangen.

Beeld Olivier Heiligers

Wat was het probleem?

Wat kan beter een versleten bot vervangen dan een ander bot? Dat moet heupchirurg Themistocles Glück hebben gedacht. Ivoor was zijn materiaalkeus: rond het jaar 1890 verwijderde hij eerst de aangetaste botdelen bij meer dan tien mensen en plaatste op maat geslepen stukken ivoor terug. Dat hielp, maar ideaal was het niet. De zwakkere patiënten kregen er ontstekingen van. Glück moest het ivoor-implantaat dan vaak weer verwijderen, wat zijn patiënten uiteindelijk permanent invalide achterliet.

Al eeuwen is de mensheid geplaagd door het feit dat heel wat lichaamsdelen eerder verslijten dan dat het hart het begeeft. De belangrijkste twee: kapotgeschuurde gewrichten en vertroebelde ooglenzen, oftewel artrose en staar. Wie een hoge leeftijd haalde, was daarom vaak invalide én blind, schrijft medisch historicus James Le Fanu in zijn boek The Rise and Fall of Modern Medicine.

Eeuwenlang zoeken medici naar oplossingen. Maar tot ruim honderd jaar geleden zijn die wat lomp: chirurgen amputeren versleten ledematen en vervangen ze door een stuk hout of metaal. De eerste implantaten bestonden uit riskante materialen, vertelt Paul Burgers, die zich als arts in opleiding tot orthopeed bij het Haaglanden MC heeft verdiept in de geschiedenis van de heupchirurgie. ‘Ze probeerden van alles. Stukjes varkensblaas om het nieuwe gewricht te versoepelen, maar dat ging ontsteken. Of een bol glas op de kop van het dijbeen. Dat brak natuurlijk.’

Ook de oogbehandelingen vielen destijds tegen, zegt oogarts Nic Reus van het Amphia Ziekenhuis. Geschikte grondstoffen om de lens te vervangen waren er niet, dus sneden dokters de vertroebelde lenzen alleen maar weg. ‘Dan kwam er tenminste weer licht binnen, maar je zag niks.’

Het keerpunt

Dan, in de Tweede Wereldoorlog, ontdekt de arts Harold Ridley een materiaal dat zowel heup- als staaroperaties voorgoed zal veranderen. In de ogen van Britse piloten treft hij plexiglassplinters aan, afkomstig uit de kapotgeschoten cockpitruiten van gevechtsvliegtuigen. De piloten hebben er geen last van: het plastic lokt geen ontsteking uit. En zo ontwerpt Ridley de eerste kunstlenzen van plexiglas, en die werken: zijn patiënten stoten het spul niet af. Hij legt ermee de basis voor de moderne kunstlenzen die nu in staaroperaties gebruikelijk zijn.

Die plexiglas-vondst bereikt John Charnley, een gedreven heupchirurg. Hij experimenteert al met prothesematerialen zoals titanium en kobalt, maar zoekt nog naar een manier om de prothese aan het bot te metselen. Ridley’s plexiglas blijkt in aangepaste vorm een geschikt voegmiddel, zegt Burgers. Charnleys heupprothesen, die hij in 1962 perfectioneert,  zijn de eerste die jarenlang slijtvast blijven. Het is de ‘operatie van de eeuw’, schrijft medisch blad The Lancet.

Hoe staat het er nu voor?

Elk jaar vinden in Nederland ruim dertigduizend heupoperaties plaats, waarmee ouderen jarenlang op de been blijven. De materialen worden steeds slijtvaster, zodat de prothesen langer functioneren. Ook de kunstlens is sinds Ridley flink verbeterd, zegt Reus. ‘Hij is nu vouwbaar. Dan hoef je maar een klein sneetje in het oog te maken.’ Zonder staaroperaties zou Nederland bijna een half miljoen meer nagenoeg blinde mensen tellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden