Kan een kassabonnetje de hormoonhuishouding verstoren?

'Onze vruchtbaarheid staat op het spel'

Kassabonnen, voedselverpakking, cosmetica: alledaagse producten bevatten hormoonverstorende stoffen. Komt de vruchtbaarheid in gevaar, of is dat een 'verleidelijke mythe'?

Beeld Van Santen & Bolleurs

'Wilt u de kassabon?' Het lijkt zo'n onschuldige vraag van de caissière, maar Gert Dohle, uroloog bij het Erasmus MC, denkt daar anders over.

Een gemiddeld kassabonnetje bevat namelijk inkt met bisfenol A (BPA), een stof die de hormoonhuishouding kan verstoren. Via de huid kan die stof in je lichaam komen. Als hormoonverstorende stoffen alleen op kassabonnetjes zouden zitten, dan zou Dohle zich geen zorgen maken. Maar het probleem is, zegt hij, in de moderne wereld komen we de hele dag in contact met hormoonverstorende stoffen. 'Een brandende sigaret, de uitstoot van een dieselauto, voedselverpakkingen, paracetamol, de warme lucht die je computer uitblaast, speelgoed, medische hulpmiddelen, cosmetica. Fabrikanten stoppen die stoffen overal in omdat ze zulke handige chemische eigenschappen hebben. Maar ik maak me steeds meer zorgen over de gevolgen voor de gezondheid.'

Dohle is niet de enige die de stoffen met argwaan bekijkt. Na onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) concludeerde minister Schippers (Volksgezondheid) vorig jaar dat de blootstelling aan BPA omlaag moet, vooral bij zwangere vrouwen en jonge kinderen waarbij het immuunsysteem nog in ontwikkeling is. Het RIVM schrijft: 'Recentelijk zijn er aanwijzingen gevonden dat BPA al bij lage blootstelling mogelijk een schadelijk effect kan hebben op het immuunsysteem van ongeboren en jonge kinderen. Daardoor hebben kinderen mogelijk meer kans om voedselintoleranties te ontwikkelen en kunnen ze gevoeliger worden voor infectieziekten.'

De conclusie van het RIVM is gebaseerd op proefdieronderzoek, waaruit bleek dat een volgens de Europese normen veilig geachte dosis bisfenol tóch afwijkingen veroorzaakt bij jonge dieren. Uit voorzorg adviseert het instituut daarom veilige alternatieven te produceren, of producten waar de bisfenolen minder makkelijk uit vrijkomen.

Dohle vreest dat de gevolgen van hormoonverstorende stoffen verder gaan dan voedselintolerantie en een slechter immuunsysteem. Zo blijkt uit dierstudies dat dergelijke stoffen mannetjes vrouwelijker kunnen maken, zoals mannetjesbrasems die ineens eicellen blijken te hebben. Ook geslachtsorganen bij mensen lopen gevaar, aldus Dohle, die in Brussel en Den Haag lobbyt voor strengere regels voor het gebruik van hormoonverstorende stoffen. Het is een goede tijd voor zo'n lobby: de Europese voedingsautoriteit EFSA onderzoekt nieuwe studies naar mogelijke gezondheidsrisico's van hormoonverstorende stoffen. Frankrijk heeft als enige land de verkoop van producten met BPA's binnen de eigen landsgrenzen verboden.

Dohle hoopt dat andere landen volgen met regels om het gebruik van hormoonverstorende stoffen drastisch terug te brengen. 'Onze vruchtbaarheid staat op het spel. In de eerste twaalf weken van de zwangerschap wordt het voortplantingsorgaan aangelegd. Een periode waarin receptoren zeer gevoelig zijn voor zulke stoffen. De bewijslast groeit dat dit kan leiden tot een gestoorde testikelindaling en afwijkingen waarbij de plasbuis deels open ligt. Ook stijgt het risico op verminderde zaadkwaliteit op latere leeftijd en meer kans op zaadbalkanker.'

Dat het aantal gevallen van zaadbalkanker stijgt, klopt. Waren er in Nederland in 2000 nog jaarlijks 500 mannen die zaadbalkanker kregen, dertien jaar later waren dat er al 700. Ook op andere plekken in de wereld stijgt het aantal mannen met zaadbalkanker de afgelopen decennia opvallend. Dohle: 'Dat moet komen door een combinatie van genetische- en milieuinvloeden. Direct bewijs bij mensen is er nog onvoldoende. Dat heeft te maken met de relatieve zeldzaamheid van zaadbalkanker en de snelle afbraak in het lichaam van sommige hormoonverstorende stoffen.'

Andere wetenschappers zijn er niet van overtuigd dat chemicaliën zo'n groot risico zijn voor dergelijke medische problemen. Neem Allan Pacey, hoogleraar aan de Universiteit van Sheffield en gespecialiseerd in vruchtbaarheid en spermakwaliteit bij mannen. 'Ik heb zelf zaadbalkanker overleefd en geloof me: ik heb lang en hard nagedacht over de mogelijke oorzaken van de stijging van het aantal mannen dat dit overkomt.'

De beschuldigende vinger op hormoonverstorende stoffen richten, doet hij echter niet. Liever wijst hij naar een recente studie van Jens Peter Bonde, hoogleraar epidemiologie aan de Universiteit van Kopenhagen. Samen met collega's nam hij 33 studies onder de loep die de link onderzoeken tussen de blootstelling aan hormoonverstorende stoffen en een aantal medische problemen bij mannen, zoals afwijkingen aan de geslachtsorganen en zaadbalkanker.

Uitkomst: als de blootstelling aan hormoonverstorende stoffen drastisch omlaag gebracht zou worden, zouden er op elke 1.000 mannen 2 minder kampen met de onderzochte afwijkingen aan het geslachtsorgaan en zaadbalkanker. Maar, zegt Bonde er meteen bij, het licht verhoogde risico dat hij vond is zó klein, dat het net zo goed methodologische ruis kan zijn.

Ziehier het grote probleem van veel wetenschappelijk onderzoek naar stoffen die mogelijk gevaarlijk zijn voor de gezondheidszorg. Proefdierstudies zijn vaak alarmerend, omdat de dieren ziek worden bij blootstelling aan een hoge dosis. Maar de stap naar de dagelijkse praktijk voor mensen is enorm. Aan de ene kant staan dan de wetenschappers die zeggen: je moet die stoffen alleen al uit voorzorg in de ban doen. Aan de andere kant staan de experts die tot kalmte manen: zolang je niet kunt aantonen dat er echt iets aan de hand is, moet je de industrie niet dwingen miljarden te investeren om alternatieve stoffen te introduceren, die misschien óók weer nadelen hebben.

Pacey, de Britse vruchtbaarheidshoogleraar, moet in ieder geval niks hebben van de jaarlijks terugkerende alarmerende berichten dat de kwaliteit van het mannelijk sperma achteruit zou gaan. 'Spermakwaliteit holt achteruit, straks geen baby meer zonder reageerbuis' schreef RTL Nieuws nog september vorig jaar. Het bericht citeert de Rotterdamse uroloog Dohle, die waarschuwt voor het leidingwater. 'In ons kraanwater zitten allerlei pesticiden. Drinkwaterbedrijven krijgen die er niet uitgefilterd. Die stofjes stapelen zich op in het vetweefsel van de vrouw en komen via de placenta bij de foetus.'

Pacey op zijn beurt wijst erop dat studies naar spermakwaliteit vaak een methodologisch moeras zijn, bijvoorbeeld omdat de proefpersonen mannen zijn die zich melden bij vruchtbaarheidsklinieken omdat ze al vruchtbaarheidsproblemen hebben. Ook is het altijd maar de vraag hoe goed oude meetgegevens vergelijkbaar zijn met nieuwe meetgegevens: werden jaren geleden wel op dezelfde manier spermacellen geturfd? Bovendien, waarschuwde de Amsterdamse hoogleraar humane voortplantingsbiologie Sjoerd Repping al eerder in de Volkskrant: een afname in spermaconcentratie is niet hetzelfde als een afname in vruchtbaarheid, maar slechts een van de factoren die een kans op zwangerschap beïnvloedt.

Het idee dat de spermakwaliteit in gevaar is, is volgens Pacey een 'verleidelijke mythe', die in stand wordt gehouden door 'onderzoekers die geld willen voor hun studie en journalisten die een dramatisch verhaal willen vertellen'.

Als de vruchtbaarheidshoogleraar nog een laatste advies mag geven: als je vruchtbaarheid je lief is, staar je dan niet blind op mogelijke kleine risico's van chemicaliën in producten. Begin liever bijtijds met het krijgen van kinderen. Dat stellen steeds ouder kinderen krijgen, is namelijk zéker een gevaar voor de voorplanting.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.