Je snijdt niet zomaar in een brein

Tien weken liep verpleeghuisarts Bert Keizer mee met neurochirurgen van VUmc. Hij schreef er een boek over. ‘Schade aan de persoonlijkheid, daar liggen ze wakker van.’..

Bert Keizer (1947) is verpleeghuisarts. Hij schreef in 1994 Het refrein is Hein – Dagen uit een verpleeghuis, en werd daarmee in één klap beroemd. Een tegendraadse dokter die niet bang is zijn mening te geven. Het was geen reden voor de neurochirurgen van het VU medisch centrum om hem te weren. ‘Stoer’ vindt Keizer dat.

Tien weken lang liep hij drie, vier dagen per week met hen mee. Hij sprak met de chirurgen, hun assistenten en hun patiënten. Hij filosofeerde over de verhouding tussen brein, lichaam en geest. Hij keek mee op scans en bij operaties. En hij zat, half dommelend op een krukje, bij ochtendbesprekingen. ‘Weet je dat die al om 8 uur beginnen? Verschrikkelijk. Ik moest om half zeven op. En ik ben een nachtmens!’

Onverklaarbaar bewoond is het resultaat. Keizer schreef het boek als onderdeel van het VUmc-project Schrijver op de afdeling, waarbij verschillende schrijvers een paar maanden op een door henzelf verkozen afdeling in het VUmc verblijven. De patiënten zijn geanonimiseerd, en de artsen en hun entourage omgesmolten tot fictionele personages.

Keizer: ‘Ze zijn nu aan het uitvissen wie er schuilgaan achter welke personen. Ik heb allerlei uitspraken en ervaringen bij elkaar gegoten tot nieuwe personen.’

Wat vinden ze van uw boek?

‘Ik heb van tevoren technisch commentaar gehad, wanneer ik bijvoorbeeld de verkeerde drain bij een ingreep noemde. Over het resultaat als geheel zegt de ene chirurg: ‘Ja, zo is het.’ Een ander vindt het beeld te negatief.

‘Iemand die meelas, vindt dat het boek een trapperige ondertoon heeft. Dat is absoluut niet mijn bedoeling geweest, maar die reactie begrijp ik wel heel goed. Ik wil ook niet horen dat het in mijn verpleeghuis naar pis stinkt wanneer de luiermatjes ’s ochtends op de gang worden gekwakt. Maar het is wél zo.’

Wat viel u het meest op toen u daar rondliep?

‘Dat de sfeer zo anders is dan toen ik dertig jaar geleden coassistent was. Toen was het een echt mannelijk bastion waar assistenten werden afgebekt en afgezeken. Dat gebeurt nu niet meer.’

Het blijven wel slagers, chirurgen.

‘Nee, nee, dat mag je niet zeggen! Ze durven met getrokken mes een gebied in waarvan jij en ik zeggen: daar moet je niet naartoe. In onze perceptie is het brein een soort porseleinwinkel waar je als een vlinder in zou mogen vliegen, maar zeker niet met klompen aan naar binnen mag.’

U vindt ze geen macho’s en ook geen ‘arrogante klootzakken’, zoals een coassistent tegen u zegt. Wat vindt u ze dan wél?

‘De scherpte van die makkelijke oordelen is kinderlijk. Ik ben hiernaartoe gegaan omdat ik de samenhang tussen ons geestelijk leven en het brein op de een of andere manier van dichterbij wilde ervaren.

‘Bij neurochirurgie word je geconfronteerd met acuut ontstane hersenschade: een trauma, een tumor die wordt geopereerd. Die confrontatie brengt hersenen en ziel op een heel andere manier naar je toe. Veel indringender.’

Omdat u echt in de hersenmassa kon kijken.

‘Ja. En de volgende dag kon praten met die breinbewoner, die dan aanmerkelijk is veranderd.

‘Die enorme afhankelijkheid van brein en ziel, het feit dat je iets proeft of ergens van houdt, daarin zijn we een dier onder de dieren. Ik heb een katholieke achtergrond. In die wereld kunnen het stoffelijke en het geestelijke heel makkelijk uiteen. De ziel verlaat het lichaam – geweldig. Een onfortuinlijk verblijf waar je weer uit kunt.

‘Het boek van Pim van Lommel, waarin hij schrijft over bijna-dood-ervaringen, is door 350 duizend Nederlanders gekocht omdat daarin staat dat de ziel uit het brein weg kan. Maar dat is helemaal niet zo! Het geestelijke kán zich niet losmaken van het lichamelijke en gewoon op sjouw gaan. Dat is onzin.

‘Dat gegeven maakt de neurochirurgie heel anders dan andere chirurgie. Je zit anders aan je brein vast dan aan je galblaas. Iemand die een buik opereert, is bang voor een bloeding of een ontsteking. Maar de neurochirurg is óók nog eens bang voor wat hij van de ziel van die patiënt heeft overgelaten.’

Denken ze aan een ziel?

‘Nee, dat noemen ze: schade aan de persoonlijkheid. En daar liggen ze van wakker. Echt, ik zweer het je.

‘De essentie van neurochirurgie is: als ik dit weghaal, dan kan zij niet meer praten. Dat is het basiskristal vanwaaruit zich een wereld aan onmogelijkheden uitbreidt.’

Tegelijk zijn ze niet geïnteresseerd in hoe het verder gaat met zo’n patiënt als die weer buiten staat.

‘Dat is de oncoloog ook niet.’

Nee zeg, dat is een goed excuus. U hebt het voorportaal van het verpleeghuis gezien. De mensen aan wie zij prutsen, komen vaak daarna bij u terecht.

‘Ik heb in mijn verpleeghuis nog nooit een specialist op bezoek gehad. Onbegrijpelijk. Ik heb tegen die neurochirurgen gezegd: jullie troosten niet genoeg. Een kinderarts doet dat wel, die houdt een hand vast. Maar daarmee zeg ik niet dat zij niet meer dan ‘neuromessen’ zijn.

‘Toen een assistent vroeg: ‘Waarom maken jullie die mevrouw niet opnieuw open?’, antwoordde een van de neurochirurgen: ‘Je gaat niet zomaar in iemands brein zitten poeren, jongen!’ Dan zie je de voorzichtigheid en het respect voor de risico’s die ze nemen wanneer ze proberen iets te herstellen in het brein.’

Ze opereren ook mensen die ze beter met rust hadden kunnen laten. U schrijft het zelf.

‘Dat is wijsheid achteraf. Ze moeten in acute situaties beslissingen nemen. Ze discussiëren voortdurend met elkaar over wat ze zien, zijn continu in gesprek over hoe ze iets zullen aanpakken, zitten voortdurend op internet. Ze gaan heel veel bij elkaar te rade.

‘Er zitten allerlei typen tumoren op plekken waarvan ze graag willen horen hoe iemand anders die heeft aangepakt. Ze willen het echt he-le-maal uitzoeken.

‘Voor mij als verpleeghuisarts is dat een erg leuk contrast. Ik maak heel vaak mee dat ik echt niet weet wat er aan de hand is. Het kan Mexicaanse griep zijn, maar ook overgevoeligheid voor bananen. Geen idee.

‘In het ziekenhuis kunnen ze niet troosten, maar ze hebben wel enorm veel diagnostische apparatuur. Ze kunnen elk molecuul in je kop omkeren om te kijken wat erachter zit.’

Ze kunnen ook ontzettend goed problemen doorschuiven. Van de neurochirurg naar de orthopeed naar de fysiotherapeut naar de revalidatiearts, en weer naar de orthopeed...

‘Of het rituele oproepen van allerlei artsen en experts: de radioloog, de microbioloog, de diëtiste, de pijnexpert... Nietsdoen is in een ziekenhuis geen optie.’

Maar dan wel badinerend doen over de geriater, die niet eens bedden krijgt. Terwijl dat iemand is die multimorbiditeit wél begrijpt.

‘De geriater is er bij VUmc uitgewerkt. Dat vind ik verschrikkelijk. Dat neerkijken op elkaars discipline, steeds elkaar overtroeven, dat is heel sterk in de geneeskunde. Het is een apenrots. Ik zit in een verpleeghuis, ik hang in de hiërarchie nog onder de schoolarts, begrijp je?

‘Ze snappen ook niet wat je in godsnaam met je artsdiploma in een verpleeghuis moet doen. Een verpleeghuis is voor hen iets uit de Hel van Dante, wat daar allemaal rondkruipt aan idioot levend geteisem waarvan je moet hopen dat het snel sterft. En daar zorgt die verpleeghuisarts dan voor. Die heeft maar twee problemen: moet ik morfine geven, en daarna: wordt het begraven of cremeren? Het is nooit hardop gezegd hoor, maar ik heb er nooit een andere perceptie over waargenomen.

‘En dan de manier waarop mensen zich schamen als ze tegen de neurochirurg zeggen: ‘Ik wil geen neurochirurg worden, ik wil huisarts worden.’

U schrijft over het doel van uw aanwezigheid daar: ‘Ik wil mijn angst voor neurochirurgie nasluipen tot in de diepste uithoek van mijn binnenste.’ Is dat gelukt?

‘Ja. Ik keek naar neurochirurgie als iets wat alleen maar shit kon opleveren. Een hapje uit de hersenen nemen zag ik als een aanslag op de menselijke waardigheid. Dat was een hysterische gedachte.

‘Maar een andere huiver blijft. Wij zijn ons brein, dat wil zeggen: wij zijn geheel van deze wereld, van deze aarde. Ik kán daar maar niet tevreden over worden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden