Je kunt geen dag in je leven overslaan

VIJFTIEN korte verhalen bij elkaar maken nog geen foliant. De debuutbundel Bevoorrecht bewustzijn van Esther Gerritsen (1972) valt dan ook niet op door de omvang, maar wel door de consequentie waarmee ze een specifieke thematiek aan de orde stelt....

Dat is het frustrerende van een actief bewustzijn: het maakt je ook bewust van onbereikbare verten en geheimenissen. Het mooie is dat je met sluwe luciditeit kunt streven naar een leven dat de momenten waar het om gaat, een kans biedt. Omdat je daar weet van hebt, van die belangrijke momenten.

In het verhaal 'Mijnheer Teste voorbij' wordt een bejaard paar beschreven, waarvan de vrouw een schrijfster is die in een levensfase verkeert dat zij 'de hele dag de momenten tussendoor leeft. Vol overgave. Van verveling is geen sprake.' Ze is alleen nog maar onderweg, nergens naartoe. Ze verzamelt materiaal, maar niet meer voor een boek. Bij haar vallen gedachten en handelingen samen.

Maar ze is wel dement. In de ogen van ons, buitenstaanders. Zonder het met naam en toenaam te zeggen heeft Esther Gerritsen de laatste levensfase van de Engelse schrijfster Iris Murdoch, zoals opgetekend door haar echtgenoot John Bayley in Iris (1998), op een originele manier benaderd. In plaats van tragisch lijkt de toestand waarin de ex-schrijfster verkeert bijna verkieslijk. De tragiek is dat de vrouw zelf een ding is geworden, onderdeel van een geheime orde, vanwaaruit ze niet meer normaal kan communiceren met de medemens. De tragische figuur is haar echtgenoot die zoveel mogelijk met haar probeert mee te leven, maar wiens onaangetaste bewustzijn hem verhindert geheel en al in die andere wereld op te gaan.

In alle verhalen stoort de verteller of een personage zich aan de dwangmatigheid waarmee dagen, gesprekken, relaties en dikwijls ook gedachten blijven voortrollen; er is zo weinig ruimte om even alles stop te zetten, níet mee te doen, je níets voor te nemen, de momenten tussendoor volop gelegenheid te geven.

In 'Half november' wordt die verlangde onbestemdheid onnadrukkelijk verbonden met de generatie van de ik-figuur (die ook die van de schrijfster is). Ze zit met haar zwangere vriendin in een café. Zij bevinden zich in de fase tussen kind en ouder. Student dus, of kort daarna. Ze probeert een methode te vinden om alles te bevriezen, de volwassenheid nog niet aan te laten breken. Esther Gerritsen brengt dit verlangen onder in een zeer concrete en eenvoudige situatieschets. De jonge vrouwen krijgen koffie en appeltaart voorgezet: 'Ik weet dat het schoteltje leeg gaat worden. Dat aan het eind van ons cafébezoek de kruimels zijn verdwenen dus moet ik ze nu opeten voordat het te laat is. Ik moet die koffie opdrinken voordat ik die koffie op heb. Ik moet een tweede koffie bestellen voordat ze de koffie hebben gebracht. We moeten hier weg voordat het bezoek aan het café voorbij is.'

Het gaat er niet spectaculair aan toe, maar de intelligent verwoorde vraagstukken die Gerritsen aansnijdt, zetten aan tot langer denken dan de zwarte romantiek-nieuwe-stijl die de zogeheten Generatie Nix verbeten beproefde als verweer tegen de dreigende grijsheid van de grijnzende volwassenheid. In Bevoorrecht bewustzijn vinden we geen discotheek, geen rauwe kreten, geen seksuele uitspattingen of andersoortige roekeloosheid. Gerritsens personages zoeken andere sluipwegen om te ontkomen aan de dictaten van het sociale leven, van het voorspelbare naschoolse bestaan van huis, baan, gezin - aan de clichés, waardoor je leven inwisselbaar wordt. Aan de dictatuur van de tijd, kortom.

Ingmar in 'Homunculus' heeft er iets op gevonden. Hij speelt het spel mee, maar houdt er een geheime agenda op na: 'Alle tekenen wijzen erop dat Ingmar een mens is. Zijn lichaam, zijn stem, zijn emoties. En het is slim gedaan, omdat het zo in elkaar zit dat hij steeds bij kan leren. Hij kan de mensen om zich heen ontcijferen en zo leert hij steeds meer menselijks bij. (. . .) Eén ding ontbreekt hem: de overtuiging dat hij een mens is. Zo vanzelfsprekend en daarom over het hoofd gezien.'

Daardoor kan hij doen alsof - net als de andere gewoontedieren, die die overtuiging wel bezitten -, terwijl hij zelf beter weet. Voorlopig kiest Ingmar voor dit 'zogenaamde mensenbestaan. Hij kan zich namelijk alleen maar vreselijke alternatieven voorstellen en daarom speelt hij het spel mee en is het belangrijk dat hij niets laat merken.'

In een relatie is het lastiger je agenda geheim te houden, of te proberen die te delen. In 'Geroosterd brood' is de vrouw alert op haar knieval voor een gewoonte die ze in de vijf dagen heeft ontwikkeld na de aanschaf van een broodrooster: namelijk ontbijten met geroosterd brood. Ze heeft zich nog niet afgevraagd of ze dat wel wil, of ze stopt het brood al in het apparaat. Nog net op tijd doorziet ze, nu al in een routine te vervallen.

'Ben ik zo iemand die elke ochtend hetzelfde eet?', vraagt ze haar vriend. 'Als je elke ochtend hetzelfde eet wel', antwoordt die vermoeid. In kort bestek ontspint zich een mooie dialoog vol verwarring - hij vindt dat ze doordraaft, haar gaat het om het principe -, uitmondend in haar verzoek of hij weggaat, dan komt het vanzelf weer goed. ' 'Mooi. Dan laat ik jou toch fijn even alleen', en hij liet haar fijn even alleen.'

Maar het perpetuum mobile der voortrollende gedachten heeft haar in de ban: 'Ze zag zichzelf de kraan van de watertoevoer opendraaien die ze altijd dichtdraaide na de was. Zo iemand die altijd de kraan dichtdraait na de was. (. . .) Uiteindelijk is ze in bed gaan liggen. Ze probeert te slapen. Ze probeert even niet iemand te zijn en zeker niet zo iemand, maar ze blijft denken: Ik ben zo iemand die midden op de dag in bed kruipt.'

In 'Stil zijn in het wild gewemel' (titel ontleend aan een kerstlied van Jan Engelman uit 1940) wordt de verteller wakker met de vaststelling dat je geen dag in je hele leven kunt overslaan. Je zult en moet weer gedrag gaan vertonen, je verstaan met anderen en met je gedachten. Die overigens tot goede verhalen kunnen inspireren. In 'De baby' laat de vertelster op humoristische wijze zien hoe ze er al jong in slaagde haar verzuim om huisdieren gedisciplineerd te verzorgen, goed te praten.

Op haar tiende heeft ze een konijn. Maar ze rolschaatst ook graag. Onder het rolschaatsen bedenkt ze dat ze Sneeuwwitje al twee dagen niet heeft gevoerd en dat haar water zeker op is. 'Voor het eerst in mijn leven redeneer ik: als ik nu niet aan haar had gedacht, had ik haar ook niet kunnen voeren, en had ik er dus niets aan kunnen doen. Ik denk niet aan Sneeuwwitje, ik denk aan mijn onschuld. Ik zou willen dat ik haar vergeten was en ik vergeet haar.' Lang kan die onschuld niet duren, dat voel je terstond aan. Ze is een mentale constructie. De ellende daarvan - een soort hersenjeuk -, daar gaan deze verhalen over. De zegen daarvan - een eigen toon en denktrant - heeft deze verhalen opgeleverd, bijeengezet in een hecht en opvallend debuut.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden