Interview Jan Buisman

Jan Buisman (94) schrijft de geschiedenis van het weer, en hij is nog niet klaar

Schrijver en weerfanaat Jan Buisman (94), de chroniqueur van het Nederlandse weer. Beeld Marcel van den Bergh

Weer-chroniqueur Jan Buisman geeft het weer zijn plaats in de historie: ‘de belangrijkste bijzaak in de geschiedenis’. Deel 7 van zijn magnum opus Duizend jaar Weer, Wind en Water in de Lage Landen is uit.

Geen historische storm, kwikdaling of uitzonderlijke waterstand ontglipt aan de vorsende blik van Jan Buisman (94), chroniqueur van het Nederlandse weer. Als het ergens is genoteerd, weet de historisch geograaf en oud-aardrijkskundeleraar het met zijn haviksoog te vinden. Vuistdikke pillen schrijft hij over het weer en de geschiedenis. Net verschenen: deel zeven in de serie naslagwerken Duizend jaar weer, wind en water in de Lage landen. Van 1800 tot 1825.

Buisman ontvangt in een revalidatiecentrum aan de rand van Wassenaar, gezeten in een rolstoel. Laptop binnen handbereik. Zijn been mag dan weigerachtig zijn, het hoofd is onverminderd scherp.

De ongelukkige valpartij die tot zijn tijdelijk resideren alhier leidde, formuleert hij als een polygoonjournaal. Op een dinsdag in juni jongstleden in de Action bij Mariahoeve is hij met in de hand een reuzenpak Omo omgekukeld. Het volgende moment opende hij de ogen vanuit een bed in het Westeindeziekenhuis.

Maar de promotie voor de vers geworpen teerling – duizend pagina’s dik, evenals de meeste voorgaande delen – mag natuurlijk niet onder iets onnozels als een valpartij lijden. We hebben het hier wel over een levenswerk.

Of de vragen rechtstreeks in het linkeroor gesteld kunnen worden. Op aanzienlijk volume. Ook het gehoor hapert wat.

Ook aanwezig: zijn uitgever Dingeman van Wijnen, na vele edities weerkroniek tevens huisvriend. Hij tolkt zo nu en dan. ‘Ik heb wat meer lef om in zijn oor te toeteren.’

Het gaat alweer aardig, zegt Buisman geruststellend. Spoedig kan hij naar zijn Haagse flat terugkeren, lekker luchten observeren. Zijn favoriet: wolken als kantelen (castellanus in jargon), de aankondiging van een onweersbui of storm.

Maar noem hem geen weerman, dat is hij beslist niet. ‘Van natuurkunde snap ik geen biet’.

Fenomeen

Buisman is een fenomeen, zijn werken worden gebruikt door historici, schrijvers én klimaatonderzoekers. Het meest trots is hij op de aanbeveling van de beroemde Franse mediëvist en leeftijdgenoot Emmanuel Le Roy Ladurie. Die prijkt op zijn site.

Buismans boeken zijn veel meer dan een achterstallig weerbericht. De weer-chronologie wordt regelmatig onderbroken voor een recept voor ‘rundersoupe’, slemp of het karnemelkpapje waarmee de keukenmeid haar teint ‘lelieblank’ wenst te houden. En het is niet ongebruikelijk om achtereenvolgens te lezen over een onder boeren veel gebruikt rattengif (met nachtschade), een verhandeling van Montesquieu, een verloren veldslag van Napoleon (‘die beweerde dat de winter van 1812 hem had verslagen, maar ik weet dat hij half oktober uit Moskou vertrok, toen hadden we een prachtige nazomer’) en een ‘ongekend ruwe februaristorm’ in Haarlem die honderden slachtoffers maakt.

Bij Buisman staan uiteenlopende wetenswaardigheden gemoedelijk achter elkaar. Hun verband: een dag, week of maand in een jaar ergens tussen 1800 en 1825.

Want dat is wat hij, sinds zijn pensioen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, doet: jaar na jaar de geschiedenis napluizen in dagboeken, kronieken, brieven, reisverhalen en scheepsjournalen. En als hij het daar niet vindt, zijn er nog de tolgeldlijsten, oogstdata, waterstanden en stadsrekeningen.

Buisman mag graag de uitspraak van een kennis bij het KNMI citeren: het weer is de belangrijkste bijzaak in de geschiedenis.

Zijn ‘boekje’ Bar en boos, over zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen, bracht hem in contact met ‘twee enthousiaste jongemannen’ van het KNMI (inmiddels beiden gepensioneerd). Of hij misschien zin had een en ander uit te breiden, met zomers erbij en een uitvoerige bronvermelding. Er was zelfs geld van de EU voor het project.

En zo geschiedde. Hij werkt in tijdvakken die per editie variëren. Hij begon in de achtste eeuw. Vanaf 1706 is de informatie een stuk rijker. Dat is het jaar dat de landmeetkundige Nicolaus Cruquius systematische waarnemingen met baro- en thermometer begint te noteren.

Voor het resultaat schiet de term magnum opus tekort. Zijn boeken lopen steevast ‘een beetje uit de hand’. De archieven verbergen ook zoveel moois.

Maar u hoeft niet alles te lezen hoor, zegt hij, ‘de stukken over het weer zijn hartstikke saai, die mag u overslaan.’

Het is het wispelturige weer uit zijn jeugd dat de liefde deed ontluiken: de windhoos van Borculo uit zijn geboortejaar 1925, het extreem hoge water van Rijn en Maas in 1926. En natuurlijk de strenge winter van 1929 toen de Lek dichtvroor en hij aan de hand van zijn moeder de rivier overstak.

Na wat hij de grootste ramp in zijn leven noemt (zijn verhuizing van de rivierenstreek in 1938 naar de betonblokken van Den Haag), besluit hij, 13 jaar oud, driemaal daags nauwkeurig temperatuur, luchtdruk, wind en neerslag te noteren. ‘Ook de sneeuwdiktes, dat deed níemand.’

Goethe

Wolken natekenen, met bijschriften, ‘ac’ voor alto cumulus. ‘Weet u wie dat ook deed? Goethe, dat was een bekende weeramateur.’ Hij wilde weerberichten maken voor zijn ouders en de buren.

In 1952 hield hij het voor gezien. ‘Ik kreeg in de gaten dat die temperaturen niet erg exact waren en dat het KNMI het een stuk beter deed.’

Hij trouwde, kreeg kinderen, werkte als onderwijzer en later leraar – maar dat mocht geen beletsel zijn voor zijn levenswerk. Buisman noemt het weer ‘een concreet feit’. En op concrete dingen is hij nogal gesteld. Al die toegepaste sociologie tijdens zijn studie geografie op latere leeftijd in Amsterdam? Vond hij maar niks. ‘Polders wilde ik, dijken en water.’

Goddank was daar Elisabeth Gottschalk, de Duitse hoogleraar die het vak historische geografie in Nederland introduceerde. ‘Zij vertelde me over de Sint-Elisabethsvloed uit 1421, dat mag geen toeval heten en toen dacht ik: dát is het.’

Stipt om zes uur ’s morgens zit Buisman dagelijks achter de computer, na een bordje havermout. ‘Dat had ik als kind al. De middag duurt zes uur, dan moet de ochtend ook zes uur duren.’

Werkdiscipline

Werkdiscipline, daar gaat het in dit vak om, zegt hij. Geduld en aandacht voor details in de vaak eindeloze hoeveelheden gegevens die moeten worden doorgewerkt. Want in de details zit zijn materiaal. Het houdt hem jong, zegt hij ook.

Of er nog een achtste deel volgt? ‘Ik vind het zo langzamerhand wel mooi’, zegt Buisman. ‘Dat zeg je na elk deel’, zegt zijn uitgever. Buisman negeert hem: ‘De belangrijkste jaren heb ik gedaan, wat is er na 1825 nou gebeurd?’ Zijn uitgever: ‘Ook dat zeg je na elk deel.’

Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Deel 7. Jan Buisman. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker. 1008 bladzijden

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden