Jager, veroveraar, schrijver

Woensdag was het honderd jaar geleden dat Ernest Hemingway werd geboren. Vóór de oorlog Amerika's beroemdste schrijver. Geen zee ging hem te hoog....

HET IS januari 1954. De beroemdste schrijver ter wereld is met een klein vliegtuigje neergestort in Afrika, waar hij op safari was. Hij overleeft. Er wordt een reddingsexpeditie op touw gezet, maar bizar genoeg stort ook dit vliegtuig neer, ditmaal met ernstiger gevolgen. Wereldwijd verschijnen de eerste in memoriams. Maar de literaire leeuw blijkt ook dit ongeluk te hebben overleefd en de volgende dag kunnen sommige dagbladen op hun voorpagina's een levensgrote foto's plaatsen van een triomfantelijk grijnzende Ernest Hemingway, die een krant leest waarin zijn overlijden wordt gemeld. Het is een beetje een echo van de befaamde foto van Harry S. Truman, die zes jaar eerder - nipt herkozen tot president - stralend The Chicago Daily Tribune omhooghield met de kop 'Dewey defeats Truman'.

Hemingway in Droste-effect op de voorpagina: het geeft mooi aan welke status hij op dat moment had, een status, die hij overigens al zo'n 25 jaar eerder had verworven. Als hem iets overkwam, was dat nieuws, en niet alleen in de roddelbladen. Als hij scheidde of hertrouwde (wat hij allebei driemaal deed), gaven de Amerikaanse kranten en een flink deel van de buitenlandse pers prompt acte de présence. Als hij een auto-, motor-, vliegtuig-, of een ander ongeluk kreeg (alleen de auto-variant kwam al vier keer voor), liet geen medium zich onbetuigd. Een vuistgevecht met zijn redacteur Maxwell Perkins leverde vier achtereenvolgende dagen kopij op voor The New York Times. Hemingway was de eerste schrijver die behalve een gerespecteerd kunstenaar - in toenemende mate - een publieke persoonlijkheid werd; een ster met het aureool dat tot dan toe slechts aan de allergrootsten uit de muziek- en filmwereld was voorbehouden.

Eén van de gretige lezers van het artikel over Hemingway's wonderbaarlijke overleving van de dubbele crash in Afrika, was Raymond Carver, op dat moment vijftien jaar oud. Hij had over Hemingway gehoord op school, en had een vriend die - net als hijzelf - schrijver wilde worden en erin slaagde in elk gesprek de naam Hemingway te laten vallen. Zelf had Carver nog nooit iets van de beroemde schrijver gelezen. Maar, zo zou hij zich later herinneren: 'Ik denk dat mijn wens schrijver te worden werd versterkt door het zien van Hemingway's foto op de voorpagina. Ik stond dus zelfs toen al bij hem in het krijt, zij het om de verkeerde redenen.'

Raymond Carver is een schrijver die in het voetspoor van Hemingway tot de literatuur is gekomen. Maar hij is bepaald niet de enige. Vrijwel elke (mannelijke) Amerikaans schrijver heeft, in het begin van zijn loopbaan, met de invloed van 'Papa' Hemingway te maken gehad: hetzij als bron van inspiratie, hetzij als iemand om je tegen af te zetten. Geen schrijverschap is zo geworteld in de Amerikaanse psyche. Geen enkele Amerikaanse schrijver kent zoveel navolgers. Van geen enkele Amerikaanse schrijver zijn de afgelopen vier decennia zoveel biografieën verschenen als van de man wiens honderdste geboortedag woensdag werd gevierd.

Vanzelfsprekend gaat Hemingway's eeuwfeest niet onopgemerkt voorbij. Door de media golven de herinneringen en beschouwingen. Vooral The New York Times pakte zowel in de krant als op het internet breed uit. Van Michael Reynolds verscheen het laatste deel van zijn vijfdelige biografie: Hemingway - The Final Years en de erven Hemingway kwamen met de achtste en naar verluidt laatste postume publicatie van de oude meester: de 'fictieve memoires' True at First Light.

Hoewel Reynolds' werk werd voorafgegaan door stuk voor stuk alleszins lijvige biografieën als die van Carlos Baker, Jeffrey Meyers, James R. Mellow en Kenneth S. Lynn, kan zijn bijdrage aan onze kennis over Hemingway nu de omvangrijkste én volledigste worden genoemd. The Young Hemingway (officieel over de periode 1899-1921, maar voor 95 procent gewijd aan de laatste drie jaar), The Paris Years (1921-1926), The Homecoming (1926-1929), The 1930s (1929-1939) en The Final Years (1940-1961) beslaan bij elkaar meer dan vijftienhonderd pagina's. En hoewel elke fase van zijn leven dus uitgebreid aan de orde komt, en het ene deel wat dikker is dan het andere, verraden de genoemde jaartallen zelfs voor wie geheel onbekend is met de auteur al iets over de tragiek in diens leven. Eén boek over 1919-1921, twee over de jaren twintig, één over de jaren dertig en één over de jaren veertig, vijftig en (een stukje van) de jaren zestig. Hemingway's loopbaan was een (voortijdig) aflopende zaak.

De schrijver werd op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois, geboren. Als kind, zo blijkt, werd hij sterk beïnvloed door de macho-achtige opvattingen van president Theodore Roosevelt (1901-1909), maar belangrijker waren de ruzies tussen zijn vader en zijn moeder, van wie de eerste gebukt ging onder regelmatig terugkerende inzinkingen. Na een korte periode als verslaggever van de Kansas City Star, werd Ernest Hemingway in 1917 ambulance-chauffeur in het leger. Hij diende in Italië, waar hij - bij het uitdelen van chocola - gewond raakte door een Oostenrijkse granaat.

Terug in Amerika mat hij zich het aureool aan van een gelouterde oorlogsveteraan. Hij verzon het verhaal dat hij ambulance-chauffeur was geworden, omdat hij voor actieve militaire dienst was afgekeurd vanwege zijn ogen. Zo lang mogelijk bleef hij zijn uniform en zijn onderscheidingen dragen. Hij gaf zich zelfs op voor een reeks lezingen over zijn oorlogservaringen. Tot zijn ouders hun lanterfantende zoon het huis uitgooiden en hij een baan moest zoeken.

In 1921 besloot hij, mede op advies van de schrijver Sherwood Anderson, met zijn geliefde Hadley Richardson naar Parijs te vertrekken. Aanbevelingsbrieven van Anderson moesten hem toegang verschaffen tot befaamde Amerikaanse 'ballingen' al Gertrude Stein en Ezra Pound. Als een 'nieuwe Hemingway', zo besliste hij zelf, vertrok hij naar Europa, oorlogsveteraan uiteraard, maar voortaan ook: sportman, experimenteel schrijver, door de wol geverfd verslaggever en ervaren reiziger. Eenmaal in Parijs liet hij zich de bescherming van Gertrude Stein, zolang hij haar nodig had tenminste, maar al te graag welgevallen.

Hij werkte voor haar, luisterde naar haar, kwam in de juiste kroegen, leerde andere Amerikaanse kunstenaars op de Rive Gauche kennen, en oefende ondertussen zijn beknopte, maar uiterst expressieve en ritmische manier van schrijven. 'Het is de taak van de schrijver de waarheid te vertellen', zei hij in die tijd. 'Zijn trouw aan de waarheid moet zo groot zijn dat zijn scheppingen, gebaseerd op zijn ervaringen, nog waarachtiger zijn dan de werkelijkheid.'

ZO ontstonden de boeken die de critici bewonderden: eerst de miniaturen van In Our Time (1924) en vervolgens zijn debuut The Sun Also Rises (1926). In die laatste roman maakte Hemingway zijn stilistische pretenties volledig waar, terwijl hij tevens een indringend beeld gaf van een generatie wier idealen en illusies door de Eerste Wereldoorlog volledig werden vernietigd. Tot de dag van vandaag geldt de roman als hét boek van de 'Lost Generation'. Voor het eerst werden de essentiële Hemingway-thema's zichtbaar: de man als jager, visser, stierenvechter, veroveraar, die houdt van zijn prooi - die hij niettemin moet doden -, alsook de onverbrekelijke band tussen seksualiteit (viriliteit) en het doden ('Het zwaard schoof naar binnen en gedurende een ogenblik waren hij en de stier één'). De verhalenbundel Men Without Women (1927) bevestigde zijn reputatie en na de publicatie van A Farewell to Arms (1929) kon hij niet meer stuk.

In de jaren die volgden, aanvaardde Hemingway maar al te graag de consequenties van zijn eigen macho-imago. Hij viste op marlijn bij Key West, joeg op groot wild in Kenia, trok als journalist naar de Spaanse Burgeroorlog, wisselde Hadley in voor Pauline Pfeiffer, Pauline voor Martha Gellhorn en Martha voor Mary Welsh, en genoot indrukwekkende hoeveelheden alcohol, terwijl hij intussen ongelukken met de erbij behorende littekens verzamelde (de biografie van Meyers heeft een appendix van drie pagina's met Hemingway's ziekten en verwondingen). Hij publiceerde boeken (non-fictie) als Death in the Afternoon (1932) en Green Hills of Africa (1935), waar noch het publiek noch de kritiek goed raad mee wist. Zijn strakke, ritmische stijl leek te zijn verslapt, als elastiek waar de rek uit begint te raken. In april 1936 voltooide hij The Snows of Kilimanjaro en The Short Happy Life of Francis Macomber, zijn laatste meesterwerken.

Hemingway was 37, in de kracht van zijn leven en nog lang niet uitgeschreven, maar wat hij vervolgens nog in het licht gaf, was op zijn best een verdienstelijke herhaling van wat hij al eerder had gedaan, en in verreweg de meeste gevallen een waterig aftreksel daarvan. Zeker, zijn boek over de Spaanse Burgeroorlog, For Whom the Bell Tolls (1940), verdient een plaats in de literatuurgeschiedenis, en de novelle The Old Man and the Sea (1952) wordt terecht gezien als een opleving in zijn schrijverij - al was de lof die hem ervoor werd toegezwaaid veelzeggend voor het niveau dat De Grote Schrijver eind jaren vijftig had bereikt. Het was de laatste publicatie van zijn leven. Twee jaar later kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur.

Dat laatste eerbetoon kon niet verbloemen dat de schrijver Hemingway al aan het eind van de jaren dertig het onderspit had gedolven tegen de publieke figuur Hemingway. Hij wist het, maar was niet bij machte er iets aan te doen. Hij schreef dat de stukken eraf vlogen, maar moest telkens weer constateren dat zijn proza niet langer uit 'true sentences' bestond en bij vlagen ronduit sentimenteel was. Dus schrapte hij en herschreef.

Sommige critici bleven hem trouw. John O'Hara noemde hem, na de publicatie van de roman Across the River and into the Trees (1950), de grootste schrijver sinds Shakespeare, maar de meesten oordeelden dat het gedaan was met 'Papa', zoals hij zich graag liet noemen. Na een reeks depressies, die met elektroshock-therapie niet te bestrijden bleken, schoot Hemingway zich op 2 juli 1961 met zijn favoriete geweer door het hoofd.

Na zijn dood werd pas duidelijk hoezeer Hemingway de laatste twintig jaar van zijn leven is blijven proberen de juiste toon terug te vinden. In zijn nalatenschap werden verscheidene manuscripten gevonden. Daaronder bevonden zich de Parijse herinneringen A Moveable Feast, gebaseerd op aantekeningen uit de jaren twintig, en het enige manuscript waarvan Hemingway publicatie had overwogen. Andere boeken, zoals Islands in the Stream, The Dangerous Summer en The Garden of Eden, waren door de auteur zelf gewogen en te licht bevonden. De rechthebbenden dachten daar anders over. Stuk voor stuk werden ze gepubliceerd, met in de meeste gevallen vernietigende kritieken (maar ook klinkende munt) als gevolg.

TER gelegenheid van de honderdste geboortedag wordt het naar verluidt laatste werk van de schrijver gepubliceerd: True at First Light. Het gaat om een boek van ruim driehonderd pagina's, waaraan een manuscript van ruim de dubbele omvang ten grondslag lag over de safari in Kenia, die Hemingway en Mary in 1953 maakten en hoewel beide echtelieden er onder hun eigen naam in voorkomen, is er wat te zeggen voor de bewering van de tekstbezorger - Hemingway's tweede zoon Patrick - dat dit geen non-fictie is, maar een roman, of in elk geval een sterk geromantiseerd verslag.

Er zijn twee belangrijke thema's: het verlangen van Mary om de zwarte leeuw te doden, die al een tijd in de buurt rondhangt, en de dreiging van de Mau Mau. Tussendoor heeft de ik-figuur Hemingway, kennelijk met instemming van Mary, een verhouding met het Afrikaanse meisje Debba. Het zijn vertrouwde onderwerpen: het gedreven jagen (zowel op dieren als op vrouwen), de dreiging van het oerwoud en de onverbrekelijke band tussen leven en doden.

We zijn ze allemaal al eens eerder tegengekomen, verrassender en trefzekerder verwoord. 'Hij is mijn leeuw en ik houd van hem en respecteer hem en ik moet hem doden', zegt Mary, en we horen de echo van eerder verhaalde stierengevechten, visexcursies en safari's, en tot op zekere hoogte van zijn oorlogsromans en oorlogsreportages.

In de hele wereld hebben critici zich afgevraagd of dit boek moest worden gepubliceerd. Sommigen van hen meenden zelfs dat True at First Light Hemingway's reputatie een definitieve slag toebrengt, maar dat is onzin. De teloorgang van zijn talent, na zijn glorietijd in de jaren 1926-1936, is al uit en te na door literatuurcritici en biografen gedocumenterd en geanalyseerd. Al in 1962, ter gelegenheid van zijn eerste sterfjaar, verscheen in The New York Times een beschouwing met als vraag: 'Was 'Papa' a Truly Great Writer?' Het antwoord luidde toen, en luidt nog steeds, 'ja'. Want een kunstenaar beoordeel je op zijn hoogtepunten.

'In Africa a thing is true at first light and a lie by noon', staat in True at First Light, waarmee de schrijver bedoelt dat in Afrika lichtval en ochtenddauw een meer kunnen suggereren waar later op de dag slechts een droge zoutvlakte blijkt te zijn. Het is verleidelijk dit beeld als een metafoor van Hemingway's schrijverschap te zien, maar in het licht van de prachtige boeken die hij heeft geschreven is dat een beetje te gemakkelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden