Interview Jona Lendering

In de oudheid was de mens veel mobieler dan gedacht

Oost-Aziaten in Italië, Grieken in Egypte en in ‘boreaal’ Noord-Europa boeren uit het Midden-Oosten en ruiters uit de Oeral. De mens was duizenden jaren geleden al veel mobieler dan kenners dachten.

In Archeon belt een acteur in Romeinse kledij nog even naar huis.

Gesteggel over migranten, opwinding over de nationale identiteit – het zijn zaken waar een oude Griek of Romein weinig van zou begrijpen.

Steeds beter lukt het wetenschappers om met nieuwe precisietechnieken te achterhalen waar opgegraven botten en andere vondsten oorspronkelijk vandaan komen. En wat men ontdekt is verrassend en nieuw: in de oudheid was de mens veel mobieler dan gedacht. Ter gelegenheid van de Week van de Klassieken, die donderdag van start gaat met als thema migratie, zette oudheidkundige en blogger Jona Lendering de nieuwe inzichten in een themaboekje bondig op een rij.

Een boek vol verrassingen, mag ik wel zeggen. Het begint al voorop. Daar prijkt een afbeelding van de kolossale Egyptische sarcofaag die in de hal van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden staat, van Wahibre-em-achet.

‘Een prachtige Egyptische naam, vind je niet? Maar we weten inmiddels dat hij een volbloed Griek was. Hij heeft carrière gemaakt in Egypte, vermoedelijk in het leger en daarna aan het hof. Kennelijk kon een migrant dat gewoon.’

Het fenomeen migratie werd in de oudheid – de periode vanaf ongeveer de uitvinding van het schrift tot enkele eeuwen na Christus – als volkomen vanzelfsprekend gezien, zet u uiteen.

‘Migratie was een heel normaal, reëel verschijnsel. En iedereen moet dat hebben geweten. Hele stedelijke bevolkingen vestigden zich soms elders, de Romeinen gingen er prat op dat ze afstamden van migranten, en zo stamde eigenlijk iedereen in de oudheid wel af van migranten. Het grappige is dat ze ‘autochthonoi’ – letterlijk: zij die spontaan uit de aarde zijn geboren – heel opmerkelijk vinden. De Atheners beriepen zich erop dat ze autochtoon waren; dat was iets heel uitzonderlijks.’

Wat hebben we eraan om dat te weten?

‘Zie het als een spiegel die de wetenschap ons voorhoudt. Het is goed om te weten dat ons denkbeeld dat iedereen een vaste woon- en verblijfplaats heeft, niet van alle tijden is. In onze cultuur kijken we verbaasd naar mensen die mobiel zijn. Maar klaarblijkelijk is dat lichte gevoel van bevreemding als iemand woonwagenbewoner is, expat of anderszins migrant, niet van alle tijden.

‘Dat dwingt je ertoe je eigen ideeën beter in hun context te plaatsen. En je af te vragen: hoe komt dat eigenlijk dat wij het zo anders zien? Komt het misschien doordat wij een bureaucratisch overheidsapparaat hebben, dat veronderstelt dat iedereen een vaste woon- en verblijfplaats heeft? Of is het omdat wij landsgrenzen hebben en nationale staten, en zij niet? Er zijn meerdere verklaringen mogelijk.’

Het is vooral de moleculaire wetenschap die de afgelopen vijf jaar de doorbraak forceerde. Door te kijken welke gewichtsklasse atomen er in opgegraven tanden en botten zitten – zogeheten ‘isotopenonderzoek’ – kan men ruwweg nagaan in welke streek iemand opgroeide. Het dna kan intussen een aanwijzing geven tot welke herkomstgroep men behoorde.

Dat gaf de afgelopen jaren prompt een revolutie. Want waar archeologen ook kijken: de expats en migranten uit de oudheid liggen overal. In de hak van Italië en in Londen vond men resten van afstammelingen uit Oost-Azië, in Libanon doken 3700 jaar oude skeletten op verwant aan de bewoners van het huidige Iran, in Europa bleken groepen zoals de Basken en de Kelten geen losstaand volk maar een genetisch allegaartje.

Of neem migraties op kleinere schaal, vertelt Lendering. Handelskaravanen, scheepvaarders, kolonisten en boeren die verderop gingen wonen. ‘In mijn boekje noem ik een voorbeeld van aardewerk dat bij Antwerpen is gevonden, en is gemaakt van klei uit Drenthe. Het is geen handelswaar, maar gewoon keukengerei dat iemand heeft meegenomen. Dat zou wel eens een seizoensmigrant kunnen zijn.’

De sarcofaag van Wahibre-em-achet wordt na een uitleen uitgepakt in het Rijksmuseum voor Oudheden. Beeld RMO

Wat voelde een migrant zich eigenlijk? Een Romeinse expat of zoiets?

‘Dan ga je ervan uit dat iemands identiteit met hem meeverhuisde. Ik denk dat het zinniger is om te denken aan mensen die in  bepaalde omstandigheden bepaalde rollen aannamen. Uit het oosten van Afghanistan kennen we bijvoorbeeld een gemeenschap waar het belangrijker was om soms de rol aan te nemen van Griek, dan wie je ouders zijn. Je trok een chiton (Grieks gewaad, red.) aan, offerde aan Griekse goden en ging naar het gymnasium, de antieke sportschool. Maar in andere settings, bijvoorbeeld thuis of op de markt, had je een andere rol en kon je een Baktriër zijn, het volk dat op de grens van Afghanistan en Oezbekistan woonde. Het woord ‘rol’ roept de vaagheid van het begrip identiteit uit de oudheid beter op.’

Dat is toch niet zo anders dan de Nederlandse Marokkaan die thuis een djellaba aantrekt?

‘Klopt, maar in de oudheid was iemands identiteit nog vloeibaarder dan bij ons. Een mooi voorbeeld vind ik een inscriptie die is gevonden in Duitsland: Francus ego, ik ben een Frank; miles in armis, ik ben een soldaat onder de wapenen; en civis Romanus, ik ben Romeins burger. Dat zijn drie identiteiten. En al die identiteiten vonden hun expressie in de religie: in een bepaalde situatie zal hij hebben geofferd aan een Frankische godheid, een andere aan Romeinse goden. Bij ons ligt dat allemaal veel vaster: je hebt je nationale identiteit, en maximaal één religieuze identiteit. Daar zouden ze in de oudheid niets van snappen. Net zo min als wij begrijpen dat iemand niet wist wat hij gevoelsmatig is.’

Na de verkiezingstoespraak van Thierry Baudet was er veel te doen om de ‘boreale wereld’, alsof er zoiets is als een etnisch afgebakend noorden. Klopt dat?

‘Nee. We weten al een eeuw dat er nooit zoiets heeft bestaan als een zuiver Germaans ras. Het was een mengelmoes. Dat begon al in de prehistorie. Eerst met de verspreiding van de landbouw, waarbij er een massale migratie was vanuit het Midden-Oosten. En daarna, in de bronstijd, de massale binnenkomst van Indo-Europeanen uit het oosten. De afgelopen vierduizend jaar kun je in Europa vanuit de genetica eigenlijk niets zinnigs meer zeggen over ras en afkomst. Er zit hier van alles.’

Maar het beeld is: de Romeinen kwamen hierheen, en stuitten op de Germanen.

‘Lisette Kootker van de VU Amsterdam heeft recent aangetoond dat destijds de helft van de bewoners van het rivierengebied al niet uit de regio afkomstig was. Door het isotopenonderzoek kun je gewoon zien dat ze elders opgroeiden. En dat waren de proto-Germaanse bevolkingsgroepen, de Kelten. Die waren al vrij mobiel.’

Moet alle kennis nu op de schop?

‘Dat de bevolking veel mobieler is geweest betekent dat we veel bestaande data anders moeten bekijken. Als je een oude tekst leest van Vergilius en je komt iets geks tegen dat je niet begrijpt, moet je er voortaan rekening mee houden dat er misschien een joods idee in is geslopen – iets dat wel eens is geopperd. De cirkel van toegestane interpretaties wordt wijder. En dat is buitengewoon fascinerend.’

Jona Lendering: Wahibre-em-achet en andere Grieken. Uitgave ter gelegenheid van de Week van de Klassieken, 4 t/m 14 april, Omniboek, € 2,99.

Waarom de Ariërs niet bestonden
Een trots, blond volk met blauwe ogen, zo werden de Ariërs altijd voorgesteld. Een fantasie, blijkt uit genetisch onderzoek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden