In de Nieuwe Steentijd was het 'Vrouw zoekt Boer'

De meeste mannen in Europa stammen van boerende nieuwkomers af...

Het is een van de oudste debatten over de bevolkingsgeschiedenis van Europa: kwam de landbouw, de belangrijkste uitvinding van de mens, in de Nieuwe Steentijd vanuit het Midden-Oosten met migrerende boeren mee naar Europa, of werd hij door de inheemse jager-verzamelaars in de vorm van een culturele uitwisseling overgenomen?

Vermoedelijk het eerste, blijkt uit genetisch onderzoek dat deze week is gepubliceerd in PLoS Biology. De studie wijst uit dat de meeste Europese mannen afstammen van voorouders die 10 duizend jaar geleden vanuit het zuidoosten het continent binnentrokken. Dit suggereert, in tegenspraak met eerder onderzoek, dat de landbouw met de boeren meekwam.

De auteurs, genetici van de universiteit van Leicester, analyseerden de geografische diversiteit van het Y-chromosoom, dat van vader op zoon wordt doorgegeven en waaruit zich de mannelijke afstamming laat aflezen. Zij concentreerden zich op de meest voorkomende, maar tot nu toe minst onderzochte afstammingslijn van Y, haplogroep R1b1b2, waartoe ongeveer 110 miljoen Europese mannen behoren, en keken naar verspreiding, variatie en ouderdom.

De frequentie van deze Y-haplogroep, stelden ze vast, verloopt van zuidoost naar noordwest, van een dichtheid van 12 procent in Oost-Turkije naar 42 procent in Nederland en 85 procent en meer in Ierland. De haplogroep moet zich 10 duizend jaar geleden vanuit het Midden-Oosten hebben verspreid, en niet zoals eerst werd gedacht tienduizenden jaren eerder vanuit IJstijd-toevluchtsoorden in Zuid-Europa. Hij verwijst dus eerder naar een Neolithische boerenachtergrond dan naar die van Paleolithische jager-verzamelaars.

Volgens de onderzoekers is op basis van R1b1b2 en enkele andere haplogroepen ruim 80 procent van de moderne Europese Y-chromosomen nu traceerbaar tot Neolithische landbouwers. Daarmee is alleen haplogroep I nog een betrouwbare marker voor een Paleolithische jager-verzamelaars-komaf. Tot die haplogroep I hoort 18 procent van de Europese mannen.

Opmerkelijk is dat ander dna-onderzoek laat zien dat de meeste mitochondriale haplogroepen, in vrouwelijke lijn, wel verwijzen naar afstamming van oudere Paleolithische jager-verzamelaars. Hoe valt dit met elkaar te rijmen?

De paradox wijst volgens de PLoS-auteurs op een ‘reproductief voordeel’ dat landbouwende mannelijke nieuwkomers boven hun jagende rivalen hebben gehad. Inheemse vrouwen moeten boeren aantrekkelijker partners hebben gevonden. Misschien, oppert het persbericht, was het in die overgangstijd ‘gewoon sexyer’ om boer te zijn. Vrouw zoekt boer dus.

De uitkomsten staan diametraal tegenover een Nederlandse dna-studie van populatie-geneticus Peter de Knijff (LUMC), die in 2008 samen met The Genographic Project van National Geographic op basis van mitochondriale en Y-chromossoom-markers vaststelde dat 80 procent van de Nederlanders afstamt van Paleolithische jager-verzamelaars en 20 procent van Neolithische boeren, en landbouw dus vooral cultureel is verspreid.

De statistiek en simulatie-analyses achter dit soort dna-onderzoek zijn altijd gebaseerd op aannames, zegt De Knijff. ‘En soms blijken die niet correct. Tot voor kort dachten we dat R1b1b2 een marker was voor jager-verzamelaars-dna van 35 duizend jaar oud. Nu blijkt het boeren-dna van 10 duizend jaar oud.’

Vooruitgang in de wetenschap, aldus De Knijff. ‘De uitkomsten moeten nu worden bevestigd door dna-onderzoek aan Neolithische botten. Ik sluit niet uit dat het dan toch nog anders blijkt te liggen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden