IKennis Over het centrum van ieders universum

Ik. Je hoort het. Je ziet het in de spiegel. Of een stukje ervan, als je je hand uitsteekt of je veters strikt....

Daar zit ze. De koningin. Een dikke, bruine bewegingloze prop, heel wat onooglijker dan het volk dat nerveus om haar heen krioelt. Weinig soeverein, eigenlijk. Het is de lome zomeravond en de plaatselijke imker, rookpot bij de hand, legt belangstellenden uit hoe het universum van de bijen werkt. Raar, is een mens toch geneigd te denken.

De koningin, vertelt hij, is in het volk het enige vrouwtje dat zich voortplant. Alle andere vrouwtjes voeden en verzorgen haar én de mannetjes, de darren, die niets anders doen dan eten. Tot één van hen, als de tijd rijp is, erin slaagt een nieuwe koningin te bevruchten.

Waarom, is de onvermijdelijke vraag, hebben bijen geen behoefte zich als individu voort te planten?

De redenering is intrigerend. Bij de paring slaat de koningin genoeg darren-sperma op voor een heel leven. Daarmee bevrucht ze eieren waarin haar chromosomen worden verweven met die van het mannetje. Dat worden nieuwe vrouwtjes.

Maar de koningin maakt meer eieren dan ze kan bevruchten en wat onbevrucht blijft, heeft telkens een willekeurige helft van haar genetisch materiaal. Dat worden nieuwe mannetjes.

Resultaat is dat alle vrouwtjes genetisch nauw verwant zijn. Nauwer zelfs, kunnen biologen voorrekenen, dan wanneer ze allemaal afzonderlijk met mannetjes uit het volk zouden paren.

In 1964 begreep de Britse bioloog W.D. Hamilton als eerste dat dit geen gril van Moeder Natuur is, maar juist een zeer verfijnde strategie. Voortplanten is het creëren van genetisch nauw verwante nakomelingen. En dat lukt bij het teamwerk van de bijen beter dan, bijvoorbeeld, bij mensen.

Hamiltons teamwerk-theorie bracht de bekende bioloog en evolutie-denker Richard Dawkins tot het idee van de zelfzuchtige genen: de genen zijn de essentie van planten en dieren die volgens hem alleen maar voertuigen zijn van dna. Voertuigen in de tijd, vooral. Van generatie naar generatie.

Het zijn ingewikkelde wetenschappelijke inzichten. Als we de tijdelijke verpakking zijn van bazige genen, waarom merken we daar in het dagelijkse leven dan zo weinig van? Waarom zien we een individu in de spiegel? Waarom zeggen we zonder aarzelen ik over onszelf? Is dat allemaal strategie van het dna dat in ons huist?

In feite is het allemaal de schuld van Charles Darwin dat we zulke verwarrende vragen over onze eigen existentie kunnen stellen. Ten eerste geldt Richard `Selfish Genes` Dawkins als een van de felste hedendaagse darwinisten, die altijd bereid is zijn pen scherp te slijpen als het gaat om tegenstanders die in de schepping een hoger plan zien.

Maar het was natuurlijk vooral Darwin zelf die anderhalve eeuw geleden de mens een heel nieuw zelfbeeld gaf. Niks kroon op de schepping. De mens is beest met de beesten. En alles draait om voortplanting. Om het voortzetten van de soort.

Wie zijn On the Origin of Species uit 1859 openslaat komt daarbij tot verrassende inzichten. In de eerste plaats was Darwin zich van meet af aan volkomen bewust van de ophef die zijn werk teweeg zou brengen. In zijn autobiografie schrijft hij later zelfs dat hij zich tijdens het schrijven trainde om elke onwelgevallig feit en iedere tegenstrijdigheid te noteren en overdenken. `Omdat de natuurlijke neiging nu eenmaal is juist dat soort gegevens weer snel te vergeten.` In de discussies met opponenten, zei hij, had hij van die discipline veel profijt gehad.

Maar misschien nog wel opmerkelijker dan die strategie is de manier waarop Darwin het allemaal opschreef: in de ik-vorm. Darwin stond voor wat hij beweerde. De eenling, in een halfduistere studeerkamer in Downe, Engeland, straalde er een immense autoriteit door uit.

Hoe anders leest het werk van een andere eenling, pakweg vijftig jaar later in de Zwitserse hoofdstad Bern. Daar werkte de academische drop-out en patentklerk Albert Einstein in zijn vrije tijd aan een nieuwe theorie van ruimte en tijd die de natuurkunde op een nieuw spoor zou zetten. Een revolutie van de orde van die van Darwin.

Maar blader door het baanbrekende artikel in Annalen der Physik waarin hij in 1905 zijn relativiteitstheorie uiteenzet. Daar komt geen ik in voor. De eenling Einstein schrijft alles in de wij-vorm.

Conventie of de retorische bluf van een onzekere outsider? Wat het ook is, het is een omwenteling op zichzelf. Eeuwenlang hebben wetenschappelijke grootheden, van Copernicus tot Newton en Darwin, hun theorieën onbekommerd in de eerste persoon enkelvoud op papier gezet. Ik.

In de twintigste eeuw is dat opeens voorbij. Wij wordt de norm in de wetenschappelijke literatuur. Geen wetenschapper die het nog in zijn hoofd haalt ik te schrijven in Science of Nature. En het wonderlijke is dat de praktijk zich hier naar het woordgebruik lijkt te hebben gevoegd. Wetenschap is teamwerk geworden. Dat lijkt logisch. Maar misschien voelt zo het wij van de baanbrekende wetenschap ook gewoon wat veiliger. Ik vereist nu eenmaal de moed van een Charles Darwin.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden