ColumnRinske van de Goor

Ik voel de ogen van de familie prikken en denk beschaamd: wat een toneelstuk

null Beeld

26 was ik, in opleiding tot huisarts, in een dorp zoals dorpen moeten zijn, en ik had dienst. Vroeg in de nacht word ik via de semafoon (ja, zo lang geleden) opgepiept voor een visite – een schouw. Een schouw is nodig voor de registratie bij overheid, zoals uitkeringsinstanties en de Belastingdienst, voor inzicht in overlijdensoorzaken en om te bepalen of de dood wel natuurlijk is. Op de kaart zoek ik het adres op – ergens achteraf. Als ik over de dijk rijd, zie ik al waar ik moet zijn – overal is het donker, maar op een klein boerderijtje onder aan de dijk brandt licht. Een man, die zich voorstelt als een zoon, doet open voor ik kan aanbellen.

Hij leidt me via een woonkamer vol vermoeide en betraande gezichten naar de opkamer. Ik begroet ze links en rechts met een bedeesd knikje, ze zijn met teveel om allemaal de hand te schudden. Daar ligt ze, in de opkamer. Hun moeder, schoonmoeder, oma. Ze ligt er vredig bij, iemand heeft haar handen gevouwen en een rozenkrans door haar vingers geweven.

Haar mond is wat opengevallen, haar neus is spits en haar kleur is verdwenen. Ze is duidelijk overleden. Toch pak ik mijn stethoscoop uit de tas en leg die op haar borst. Zo is het me geleerd. Ik hoor niks. Natuurlijk hoor ik niks. Vanuit de woonkamer kijkt de familie toe. Ik voel hun ogen in mijn rug prikken en denk beschaamd: wat een toneelstuk. Ik berg de stethoscoop weer op, kijk de kamer in en zeg zacht: ‘Gecondoleerd allemaal.’

Nu moet ik de papieren invullen, voor het vrijgeven van haar lichaam om begraven te mogen worden. Het is een invuloefening, haar registratie als dode. Geboortedatum, sterfdatum, voornamen, geboorteplaats, waaraan ze stierf, hoelang ze al ziek was, een paar kantjes toch. Het voelt ongemakkelijk om deze mensen nu te belasten met banale vragen over hun moeder, zoals haar geboorteplaats. Ik ga er zo vlug als ik kan doorheen. Als ik alles heb ingevuld, kan ik gaan. Teruglopend door de woonkamer wens ik mijn rouwend publiek sterkte.

Buiten haal ik opgelucht adem, want ik vind het maar niks, dat ik zo hun gezamenlijk afscheid moet verstoren voor deze bureaucratische exercitie. Ik voel me een ongepaste indringer in de intimiteit van dit belangrijke familiemoment.

Nu, jaren later, ervaar ik het schouwen nog steeds deels als een schouwspel. Maar waar ik vroeger bang was het rouwproces te verstoren door mijn bezoek, zie ik het nu als onderdeel van een ritueel. Dat een arts langskomt die het overlijden officieel vaststelt, de papieren invult, daarbij vraagt wie ze allemaal zijn in relatie tot de overledene, hoe het allemaal is gegaan, of ze bij het moment van overlijden waren, dat is goed. Belangrijke momenten moeten we blijven markeren. Zoals een ambtenaar van de burgerlijke stand bij een huwelijk een echtpaar plechtig tot man en vrouw verklaart, zo verklaar ik iemand officieel overleden. Ik red er niemand mee, maar het ritueel verbindt en helpt bij een goed rouwproces. Dus leve het schouwspel.

Rinske van de Goor is huisarts

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden