Column Joost Zaat

Ik vind dat de patiënt niet de dupe van mijn drukte moet zijn

De dag na Pasen. Om 8.00 uur is mijn agenda op de eerste patiënt na vrijwel leeg. Misschien tijd voor een paar extra klusjes? Als ik mijn eerste patiënt al na een paar minuten de deur uitzwaai omdat haar klachten tijdens de vrije dagen vanzelf zijn verdwenen, zie ik een melding voor een mogelijke spoedvisite. 

Het ochtendspreekuur staat inmiddels bomvol. Ik bel de oude dame om in te schatten of ik meteen moet komen of dat ik die binnenstromende mensen nog even snel kan helpen. 

Het hele weekend is ze stikbenauwd, maar ze wilde de dokter niet bellen. Niks wachten. Ik roep tegen de balie dat ze maar een paar patiënten moeten afbellen en ik spring in mijn ligfiets. Ze is te benauwd om thuis te laten. Wachtend op de ambulance stop ik haar bril en sleutels in haar tas, doe de ramen dicht, zet de tv uit en bel haar dochter. Na veertig minuten ben ik terug. Snel zie ik de partner van een ingewikkelde patiënt, die door de assistente bij een van mijn collega’s in de agenda is gezet, toch maar even zelf. En dan, dan begin ik zogenaamd weer op tijd, maar voor die eerste patiënt is tien minuten ook weer te kort. Er is niets meer over van mijn contemplatieve ochtendstemming.

Zeker niet als ik tussendoor nog een formulier moet tekenen voor een patiënt dat is zoekgeraakt, terwijl de patiënt nú naar de specialist moet. Vrijwel elk consult loopt uit omdat het probleem veel ingewikkelder blijkt dan ingeschat. Ik vind dat de patiënt niet de dupe van mijn drukte moet zijn. Goddank heb ik maar een paar telefoontjes en loop ik in. Er staan twintig overlegjes van mijn assistente in mijn takenlijstje. Die kosten elk tussen de tien seconden en een minuutje. Daarna moet ik de 32 herhaalrecepten van mijzelf en van een afwezige collega bekijken. Denk ik net klaar te zijn, staan er weer tien. Vergt altijd meer aandacht dan gedachtenloos vinkjes zetten. ‘Hé, dat oxycodonrecept mag helemaal niet meer.’ Ik kijk nog in een oor en naar een ontstoken wond. Vlak voor de lunch vlieg ik naar een oude dementerende heer die in bed ligt en er niet meer uit wil. Broodje kaas op de fiets. Overlegjes met onze praktijkondersteuners.

’s Middags gaat het precies hetzelfde, ik ben niet op tijd klaar voor het inloopspreekuur dat om half vier begint en bedoeld is voor ‘kleine klachten’ die niet tot de volgende dag kunnen wachten. Er zitten negen mensen in de wachtkamer, bij twee staat in mijn agenda dat ze haast hebben omdat ze naar hun werk moeten. Zucht. Niks kleine klachten. Het loopt uit.

Vijf uur. De casemanager van mijn demente mijnheer is er ­natuurlijk niet meer om even te overleggen. Morgen maar. Espressootje en muziekje aan. Ik bel nog een uurtje, haal uitslagen, e-mail en post op en en schrijf verwijsbrieven. Leuk vak, maar nu ben ik te moe om verder dan de bank te komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.