'Ik kan niks. Ik weet niks. Ik ken hier niemand'

De vader van Agnes Sommer lijdt aan dementie en woont in een verzorgingstehuis. Van haar bezoek doet ze op even serene als grappige wijze verslag aan haar familie. In de Volkskrant een selectie.

Beeld Merel Corduwener

Mijn vader is 93 en dement. Het begon zo'n vier jaar geleden, toen mijn moeder overleed. Eerst leek hij het goed aan te kunnen, hij kookte zijn eigen aardappels en deed zijn eigen wasje. Maar na twee jaar bleek hij al hoog te scoren op de dementietest en was wekelijks bezoek van een van zijn zes kinderen niet voldoende. Er waren valpartijen en er dreigde erger. Er moest een oplossing gevonden worden. Het werd Friesland, eerst Leeuwarden en na een paar jaar een andere plek, vanaf de mijne een uur gaans. Daar is een vriendelijke boerderette voor dementerenden. Er staat een groot hek omheen dat alleen door de verzorgers kan worden geopend, met een afstandsbediening. Dus geen rammelende sleutelbossen. De bewoners chillen in de tuin of in een van de twee huiskamers. Maar vaak hangen ze aan tafel met de kin op de borst.

Mijn vader heeft een katheter: zo'n zijuitgang waardoor de urine ongestoord in een aan het been gebonden plastic zakje loopt. En hij heeft door artritis misvormde handen, waar hij vaak pijn aan heeft. Verder mankeert hem niks: hij kan in principe nog jaren mee. Ik bezoek hem wekelijks en maak voor mijn zussen en broers een verslagje. Hier zijn er een paar.

19 juli 2015

Het leek allemaal vrij aardig in het nieuwe onderkomen. Pap liet al meteen weten dat ze hem er als een baby behandelen, maar die kennen we al, dus dat telt niet. Een wandelingetje dan maar, naar het centrum, op een half uur afstand. Allemaal leuke buitenwijken, de Jumbo, twee snelwegen onderdoor en je bent er.

Broodje kroket op zonnig terras ging ook goed: tot het laatste blaadje decoratieve sla werd alles op de vork geharkt en tussen de vervaarlijk klapperende kaken gestoken. Echt vrolijk wilde het niet worden, maar hij hield zich groot.

Tot we weer door het onverbiddelijke hek waren en voor het huis aan de lange tafel gingen zitten. Het was mooi weer, dus er zaten meer bewoners. Een van hen was losgebarsten in een zacht Fries jammeren. Het klonk als: 'Grietemepietsje, grietemepietsje, grietemepietsje...' Ze ging maar door. Papa observeerde het eens met klinische blik en sprak: 'Kunnen ze die niet platspuiten?' (Mijn vader is opgeleid als B-verpleegkundige, dus hij weet waar hij het over heeft.)

Ik kondigde mijn vertrek aan. Zijn mond zakte open. 'Ga je weg? En laat je mij hier alleen?'

'Ik moet naar huis', zei ik.

'Kan ik niet mee?', vroeg hij hoopvol. Leg dan maar eens uit dat dat niet gaat. Hij probeerde zijn kant van de zaak duidelijk te maken: 'Ik kan niks. Ik weet niks. Ik ken hier niemand.'

Het was zo godvergeten wreed.

Gelukkig was dit niet het echte einde. Ik bracht hem naar bed voor een verlaat middagdutje. Toen ik de kamer verliet, gingen twee verzorgdames binnen, zich geheel niet storend aan mijn waarschuwing dat-ie net op bed lag.

'Hallo, ik ben Grietje.'

'En ik ben Lex', antwoordde hij op tamelijk vrolijke toon.

'Lex, wat een mooie naam', babbelde zuster Grietje lekker door. Ik maakte dat ik wegkwam.

16 november 2015

Hij lag op zijn bed toen ik aankwam, maar hij sliep niet. 'Hoorde jij dat ook?', vroeg hij. 'Iemand gilde de hele tijd om hulp. Ik ben gaan kijken, maar ik zag niemand en ook geen hulp. Toen vond ik dit bedje en ben ik maar gaan liggen.'

Ik vroeg hem hoe hij dan is gaan kijken, want in zijn kamer stond alleen de rolstoel. 'Op handen en knieën', giechelde hij, 'de rollator hebben ze gejat.' Hij bleef half liggen en speelde met een doosje waarin een horloge had gezeten. 'Legus', las hij voor. Het horloge zat in het laatje van het nachtkastje. Ik gaf het hem en hij probeerde het om zijn vrije pols te wurmen. Aan de andere pols zat al een horloge. Nadat ik het hem omgegespt had, probeerde hij op beide horloges te kijken. 'Het klopt niet.' Ik draaide zijn armen zo dat de horloges boven elkaar voor zijn ogen waren. Nu klopte het, stelde hij vergenoegd vast. Het bleek ook te kloppen met de klok aan de muur en met mijn horloge. Hij vond het wonderbaarlijk en bleef maar kijken, van de ene pols naar de andere. 'De hele wereld is nu op mijn tijd!'

'Ja, nu is het wel genoeg', zei ik en probeerde zijn arm weg te trekken. Hij begon hard te piepen. 'Je draait mijn arm uit de kom. Je mag helemaal niet aan me komen. Zeker niet nu ik de beheerder van de tijd ben!'

Hij wilde wel een borrel. Bij de eerste slok begon hij al te proesten. 'Wat heb je er in gedaan? Het brandt mijn strot uit!' Na nog een slok werd ik verdacht van het stiekem leegdrinken van de fles, want die was nog maar halfvol. Toch bood hij me een glas aan. 'Ik moet nog rijden', zei ik.

'O, dat geeft niet', vond hij. 'Ik stop je wel onder de bank.'

Soms werd het stil en sloot hij de ogen. 'Waar ben je?', vroeg ik.

'Af en toe trek ik me helemaal terug uit het heden', antwoordde hij plechtig.

'Waar ga je dan heen?'

'Naar een plaats waar een betere toekomst voor mij is.'

'Waar is dat dan?'

'Weet ik niet', zei hij, 'ik heb het nog niet gevonden.'

De afloop was als altijd: 'Pap, ik moet naar huis.'

'Ik mag zeker niet met je meerijden?'

30 november 2015

Het was een zwijgzame bedoening aan de huiskamertafel van de bovenverdieping. Een stuk of wat dames zat voor zich uit te staren of knikkebolde langzaam weg. De koffiekopjes waren al afgeruimd, want het was 20 over 11 en om 12 uur staat het warme eten op tafel. Dus is er geen koffie meer, werd mij door een van de verzorg-engelen gezegd. De logica van het tehuis. Geen speld tussen te krijgen. Pap begroette me met een welgemeend: 'Wat kom jij doen?', en dat begon ik me toen ook af te vragen. Eerst maar eens uit die huiskamer, dacht ik,en een kwartier later zat hij hijgend in zijn stoel in zijn kamer. Niet dat hij daar iets van wist.

'Wie gaat er over dat bed?', vroeg hij met een hoopvol lachje.

'Ik.'

'Nou, da's dan niet best.' Hij begreep wie hij tegenover zich had en bleef verlangend naar het bed staren.

'Het beweegt', zei hij tenslotte.

'O ja? Waarheen?'

'Deze kant op.'

'Nou, als je dan lang genoeg wacht, kun je er zo inwippen.'

'Kan het dan ook wippen?'

Het eten werd op de kamer geserveerd. Natuurlijk wilde hij eerst zijn aardappels met witlof en spekjes met mij delen, maar tenslotte begon hij maar. De spekjes liet hij liggen: 'Allemaal bonken.'

'Dat zijn geen bonken, maar geklonterde spekjes.'

'Je bent zelf geklonterd.'

'Moet je niet meer?'

'Nee, je maakt me smakeloos.'

14 februari 2016

Het was 11 uur toen ik aankwam, maar hij lag nog in bed, geheel gewassen, geschoren en aangekleed. Alleen zag hij eruit alsof hij zijn gebit had ingeslikt. Bleek niet zo te zijn: met enig getrek en geduw zat het weer op zijn plek, maar passen doet het niet meer echt. Afijn, het zal zijn tijd wel duren. Hij vond het in ieder geval prima om uit bed te komen en in de rolstoel te gaan zitten. Braaf at hij zijn voorgesneden boterham op.

Vervolgens deden we het ritueel: alles op tafel doornemen. Eerst de foto van Moeder (overleden toen hij 19 was) met Tini (een van zijn zusjes) en wie is die kleine toch? Hij wist het niet meer. Krant lezen dan maar.

'Ken jij Paul Bocuse?'

'Ja, dat is een dure kok.'

'O, nou die zit met een bloedende aflaat.'

Ik verstond hem niet echt want de articulatie laat te wensen over de laatste tijd , maar zo klonk het.

'Dat is niet niks', besloot hij. Terug naar de foto van Moeder.

'Er zitten hier nog meer spruitjes.' Hij wees naar de struik bonen waar Moeder met haar handen in zit. 'Kijk maar, een, twee, drie, vier. Hier zit nog zo' n knuppeltje. En zij heeft kroezen in haar hand.'

Voor mij allemaal niet te zien, maar dat vertelde ik hem maar niet. Toen was het tijd voor patat met een frikandel, voorzien van curry en mayo. Pap begon met overgave te eten, frietje voor frietje en met veel gesmeer. Het duurde eindeloos. Intussen graaide hij in zijn broekzak naar zijn zakdoek, maar kon hem niet vinden. Ik gaf hem er eentje, een katoenen.

Op het labeltje las hij: 'Hofwijk. Sommer. Kastelen.' Die moest dus wel van hem zijn. (Zijn leven lang heeft hij alles over kastelen gespaard, van theelepeltjes tot specialistische en onbetaalbare boeken.) Na gebruik moest de zakdoek weer in de broekzak, maar dat lukte niet. Met de andere hand bleef hij patat in zijn mond stoppen. Ik moest lachen om het tafereel.

'Lach niet. Ik ben bezig met heilig werk ', gromde hij met de mond vol frieten.

'Verdomme!' Hij gooide driftig de zakdoek op de grond. 'Ik krijg hem er niet in. Dan komt-ie ook niet mee.'

Dan weer lachend: 'Ze moeten de dingen sprekend maken. Als ik dan roep...' Ja, wat dan? Hij was het kwijt.

Na gedane zaken wilde hij wel weer naar bed. Maar eerst pissen. Ik vertel hem al lang niet meer dat dat niet gaat, maar bracht hem naar de wc. Dat gaat niet zo maar, want hij weet niet meer hoe het moet, waar hij moet leunen, hoe hij moet draaien, kortom het is slepen aan een baal hooi. Toen-ie eindelijk zat, liet-ie een paar knetterende scheten en dat was het dan.

Dan maar naar bed. Opstaan, leunen op de armsteunen voor de douche, broek aan, draaien, leunen op de armsteunen voor de wc, overpakken naar de rolstoel die ik met een voet dichterbij had geschoven, zakken maar. De wc uitrijden, voor het bed parkeren. Een twee drie, steunen op het bed, overpakken naar de rolstoel, draaien...

'Eerst moet ik pissen...'

22 februari 2016

Vandaag herkende hij me niet. Hij dacht dat ik Lucie was, de wuftste van zijn tantes. De Oldenhove herkende hij wel, in zijn fotoboek over Leeuwarden.

Toen hij na het eten en poepen op bed lag uitgestrekt en de ogen had gesloten, zei hij opeens: 'Ik hoop dat het niet te lang duurt. Maar het zal wel goed gaan. Het is goed voorbereid.'

Hij begon te snikken. 'Bedank iedereen die voor me gezorgd heeft. Dank jullie, jij ook. Je hebt het goed gedaan. Bedank iedereen.'

Ik dacht aan het sterfbed van mijn moeder dat ongeveer volgens dit scenario was verlopen en wist niet hoe ik moest reageren. Was dit echt een soort afscheid, van wie hij ooit was bijvoorbeeld? Hij dacht echt dat hij doodging, moest ik nu zeggen dat hij nog jaren meekon?

Ik verzekerde hem dat ik iedereen zou bedanken en dat hij het ook goed gedaan had. En dat hij nu maar moest gaan slapen. En niet meer huilen. Hij zei niets en bleef met zijn ogen dicht liggen. Klaarwakker. Vermoedelijk nog steeds bezig dood te gaan.

Op de gang vertelt de zorgdame dat hij deze week heel bang was geweest voor 'een wezen dat om zijn leven kwam'. En daarna was hij op een dag heel blij wakker geworden, had zijn benen over de rand van het bed geslingerd en was bijna gaan dansen. Hij had gewonnen, vertelde hij de zuster, hij leefde nog!

Dank dus allemaal, namens pap.

Mijn vader leeft nog steeds en laat me nog steeds nadenken over wat iemand maakt tot wie hij is. Is iemand ook wie hij vroeger was? Ook als hij daar zelf niks meer vanaf weet? Iedere week zie ik in hem mijn mogelijke toekomst voor me en dat stemt niet tot grote vreugde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden