Ik Jan Cremer en ik

Bij de vijftigste druk van Ik Jan Cremer - en bij de zestigste verjaardag van de auteur - spreken collega's, critici, vrienden en vijanden zich uit over de invloed van een boek op hun leven, op Nederland en de letteren....

Met een 'rake vuistslag' stelde Jan Cremer in één klap een heleboel boeken buiten gevecht, zo schreef schrijver/criticus Adriaan Morriën na het verschijnen van de 'onverbiddelijke bestseller' Ik Jan Cremer, in 1964. Anderen spraken van een 'fascistisch' boek en uitgever De Bezige Bij kreeg korte tijd de bijnaam 'De Bezige Dij'. Deze week, op de zestigste verjaardag van de schrijver, verscheen de vijftigste, zilverkleurige druk van de schelmenroman waarvan volgens de uitgever wereldwijd (twaalf talen, dertig landen) rond de dertien miljoen exemplaren zijn verkocht. In Nederland zou het boek statistisch gezien bij ongeveer één op de vijf huishoudens in de boekenkast moeten staan (550 duizend verkochte exemplaren). Wat was het belang van de 'bevrijdende' boodschap van Cremer ('Ik heb het neuken in Nederland geïntroduceerd')? Blijft het boek ook in deze eeuw overeind? En heeft Jan Cremer enig spoor achtergelaten in de Nederlandse literatuur?

Maarten Spanjer, acteur:

'Het boek lag bij ons in de buurt, in Amsterdam-Oost, in de sekswinkel. Daar stond het in de etalage, tussen de boekjes met afgeplakte tieten. Je kwam er langs als je met je vader naar de kerk ging. Bij mijn weten werd het niet verkocht in de gewone boekhandel. Ik las het toen ik 14 was, in 1964, niet lang nadat het was uitgekomen. Bij ons thuis werd het van broer tot broer doorgegeven. Het lag onder het matras en af en toe las je er een passage uit.

'Het is volgens mij uniek in de literatuur dat iemand met één boek zo veel teweeg heeft gebracht. Een tijd lang wilde iedere jongen Jan Cremer zijn. Cremer heeft ook aangetoond dat literatuur niet saai en vervelend hoeft te zijn en dat een schrijver ook weleens in het café komt. Voor het grote publiek was dat nieuw. Het beeld van literatuur werd in die tijd bepaald door Victor van Vriesland en Harry Mulisch. Daar werd je niet echt vrolijk van. Ik denk dat Cremer veel mensen aan het lezen heeft gekregen.

'Mijn eerste ontmoeting met Jan, dat was zo'n twintig jaar geleden. En jawel, het draaide erop uit dat we in een nachtclub terecht kwamen. Ik dacht: ik ben met Jan Cremer, dus mij kan niks gebeuren. Er was bijna niemand in die tent, dus de nachtclubzangeres kwam al snel bij mij uit. Ze duwde haar borsten in mijn gezicht en ik nam een hapje, in haar tepel. Die zangeres riep opeens heel hard: ''Au!'', midden in die act. Vervolgens werd ik door drie bavianen de trap afgeslagen. Ik dacht nog: dit wordt een vechtpartij, want Jan grijpt nu in, maar ik hoorde alleen maar zijn wat hoge stem: ''Ach, laat die jongen met rust, die kan niet tegen blote tieten, hij komt net uit de bajes, dat is ie niet gewend.'' Zijn imago van onverwoestbare vechtersbaas liep toen al meteen een deukje op. Toen ik daarna op het Thorbeckeplein nog wat versuft op de grond lag, boog Jan zich over me heen en zei: ''Nou, wat doen we? Teruggaan en de boel verbouwen?''

'We zijn ook nog eens samen een restaurant uitgeschopt. Een heel duur restaurant bij Enschede. Die kelner kwam met zo'n heel sjiek gastenboek aanzetten. Of we daar iets in wilden schrijven. Een zeer duur uitgevoerd boek. Prins Bernhard stond erin, Pieter van Vollenhoven, Willem Duys. Met teksten als: ''Geweldig gedineerd, voortreffelijke bediening en: we komen zeker terug.'' Jan streepte dat allemaal door en vulde bij Bernard in: ''Zum kotzen'', bij Van Vollenhoven: ''Margriet en ik komen hier nooit meer terug'' en bij Duys: ''Ik ben heel wat gewend, maar dit slaat alles.'' Daaronder schreef ie zelf: ''Laat die anderen maar kletsen, ik vond het fantastisch.'' Daar probeerde hij vervolgens mij de schuld van in de schoenen te schuiven.'

Arjan Peters, literatuurcriticus

'Er moet met Ik Jan Cremer toch iets meer aan de hand zijn dan dat het toen een schandalig boek was, met geweld en schokkende seks. Anders werd het allang niet meer gelezen. Ik denk dat het de houding is van: lik me reet. Ten opzichte van alles, en misschien vooral ten opzichte van vrouwen. Dat is bevrijdend geweest door de ongekunsteldheid ervan. In de literatuur is dat op bepaalde momenten zeer welkom.

'Ik heb er nu weer eens in zitten lezen en het blijkt toch dat Cremer een manier van vertellen heeft die prettig leest. Daar kunnen sommige schrijvers, die minder hebben meegemaakt en dus meer moeten verzinnen, nog wat van leren. Alleen: Jan Cremer heeft maar één toon. Daarom is zijn latere trilogie De Hunnen ook zo oersaai. Daar werd alles opeens opgeblazen en komt hij over als een opsnijder.

'Als ik Ik Jan Cremer ergens mee moet vergelijken, dan denk ik aan Ciske de Rat, aan Pietje Bell, en voor volwassenen: Tijl Uilenspiegel en Casanova. Als je Ciske de Rat mengt met Casanova, dan heb je Ik Jan Cremer; een boefje dat later boef wordt. Maar wel een innemende boef op wie je niet kwaad kunt worden. In die traditie past Cremer, al weet hij dat zelf misschien niet.

'Ik zie weinig navolging van Cremer bij de jongere generatie schrijvers. Nou, bij Grunberg en Giphart wellicht. Bij Grunberg zie je diezelfde jolige houding van een jongen die al vroeg weet dat hij er niet bijhoort en daarom maar doet wat hij zelf wil. En het eerste boek van Giphart, Ik ook van jou, straalt uit dat literatuur leuk kan zijn. Dat is op zich al een prettige stelling. Maar Giphart wil er dan toch wel weer bijhoren. Dat heeft Cremer helemaal niet. Ik was laatst op een borrel bij De Bezige Bij en dan staat hij daar in de hoek met Rijk de Gooijer en Maarten Spanjer, en dan zie je ze naar die schrijvers kijken en denken: wat een stel mafketels.'

Rijk de Gooijer, acteur:

'Ik zat, toen het boek uitkwam, in de Snip en Snap-revue. Met Piet Muyselaar en Willy Walden, die al wat op leeftijd waren. Ik las uit Jan Cremer voor, in de bus, aan de balletmeisjes. Vooral Willy Walden ergerde zich daar mateloos aan. Dus werd ik bij de directeur, Sleeswijk, geroepen. Die zei: ''Ik hoor dat jij porno hebt voorgelezen in de bus.'' Ik zei: ''Porno? Dat is Jan Cremer!'' Maar ja, het kon niet, dus kreeg ik een voorleesverbod in de bus. Terwijl die meiden er vreselijk om moesten lachen. En ik ook. Het was zo grotesk, het was meteen mijn lievelingsboek. Nederland werd wakker geschud. Je moet niet vergeten: Nederland was nog heel braaf. Ook op televisie. Ik werkte toen voor de vara, in een programma van Eli Asser. Ko van Dijk zei op een keer, bij de opnamen van een aflevering: ''Mag ik een glas cognac?'' Dat kon niet, want de vara had een aantal geheelonthouders in de achterban. Dat moest dus melk worden. In die sfeer verscheen Ik Jan Cremer.'

Hanneke Savenije, journaliste:

'Ik zat op kostschool bij de nonnen. Eerst ging het boek van Peyton Place rond, dat las iedereen met rode oortjes. Dat was blijkbaar iets pikanter dan de televisieserie. En opeens was daar Ik Jan Cremer. Volgens mij begrepen we het niet eens echt, maar het boek en de maker, dat was de grote wereld, daar moest je bijhoren. Ik ben dan ook op mijn 16de naar Amsterdam gegaan.

'Later moest ik Jan Cremer interviewen, over De Hunnen. Voor Panorama. Het was een van mijn eerste interviews. Ik was behoorlijk opgewonden, ik vond het een wereldopdracht. Cremer had gezegd: ''Huh, ik doe alleen interviews als het in Berlijn kan.'' Dus zou ik met Cremer naar Berlijn gaan, dacht ik. Maar toen ik op Schiphol aankwam, stond hij daar met zijn hoogzwangere vriendin, Babette. Het verblijf in Berlijn had weinig te maken met het spannende leven dat ik me onder de dekens in de kostschool had voorgesteld. Ik vond Jan vooral een goede beer, een leuke man, en absoluut niet de grote vrouwenveroveraar. Maar ook al was alles anders dan verwacht, toch hield hij dat avontuurlijke beeld in stand. Dat is het mooie van Jan. Hij is een man van mythische proporties. Ook al zit hij voor negentig procent van de tijd bij Babette op de gracht, hij geeft je toch het gevoel dat ie weer ieder moment kan afreizen naar Groenland. Dat bewonder ik in hem. Daarnaast ken ik hem als een lieve, trouwe man. Sinds dat interview stuurt hij me nog altijd zo nu en dan een briefje.'

Martin Bril, schrijver/columnist:

'De betekenis van Ik Jan Cremer moet je niet onderschatten. Ik denk zelfs dat het boek in de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur en de ontwikkeling van het lezen van cruciaal belang is geweest. Sprekend over mezelf: ik herinner me het lezen van Ik Jan Cremer als de dag van gisteren. Er ging een wereld voor me open. In de zin van: dit kan dus ook allemaal in de literatuur. Daarnaast kreeg je het idee: schrijven is ontzettend leuk, spannend en spectaculair. Jan Cremer bracht ook voor het eerst een bepaald soort anti-maatschappelijkheid, een soort kont-tegen-de-krib-achtigheid onder woorden. Een geestverruimend boek, in de letterlijke betekenis van het woord.

'Jan Wolkers had een soortgelijke impact, maar dat was veel minder spectaculair, minder geestverruimend. Daar hing het wolkendek van Calvijn overheen en gloorde er af en toe een zonnestraaltje. Bij Cremer schijnt de zon van meet af aan, met een verzengende kracht. Plus dat er natuurlijk lekker veel geneukt werd. En dat het echt super-bohemien was, en krachtig en macho. Allemaal dingen die je toen in de Nederlandse letteren nauwelijks tegenkwam.

'Als schrijver ben ik in geen enkel opzicht door Cremer beïnvloed. Want Cremer is een uitermate beroerde schrijver. Een kannibaal, een loodgieter in de letteren. Maar dat maakt allemaal geen bal uit. Weet je wat het is: de man is een verteller. Hij is ook een mythomaan, het is iemand die van meet af aan, op een onbewust niveau, als een natuurkracht aan zijn eigen mythe heeft gewerkt. Kijk, je hebt ook mensen die er over nadenken, over hun eigen mythe. Het voorbeeld is natuurlijk Harry Mulisch, maar een goede tweede is Armando, Cremers eeuwige, donkere tegenstander. Cremers mythe is een vanzelfsprekende, natuurlijke, onontkoombare mythe. Hij kan er niks aan doen. Hij is een beroepsleugenaar, maar hij heeft weinig kwaads in de zin. Alleen maar het goede voor zichzelf. En het komt er overweldigend vrolijk uit. Je kan niet boos op hem zijn.

'Jan Cremer is ook een man zonder enig gevoel voor humor. Hij kan zichzelf niet relativeren. Als je een grappig stukje over Jan schrijft, dan is ie tot in lengte van dagen beledigd. Omdat hij zijn eigen verhaal niet met een knipoog kan zien. Hij begrijpt bij wijze van spreken niet dat hij, op een Tijl Uilenspiegel-achtige manier, een beroepsleugenaar is. Hij is een Tijl Uilenspiegel-achtig figuur. Ik Jan Cremer 1 en 2 zijn ook zo. In die zin zijn dat echt geweldige boeken.

'Maar de ironische humor, de humor die duidt op zelfrelativering, ontbreekt bij hem ten enen male. Dat is in de loop der jaren ook steeds erger geworden. Omdat hij als schrijver droog is gevallen. Ik bedoel: in De Hunnen zaten magistrale passages, maar als geheel was het allerbelabberdst. Ik ken het goed, want ik heb het met Hans Sleutelaar samen tot een derde ingekort. Dat is het boek Wolf geworden. Een heel goed boek. Eigenlijk gewoon een zelfstandige titel. Wolf is eigenlijk Ik Jan Cremer 0. Dan heb je 1 en 2. En 3 moet ie nog eens een keer maken. Maar dat zal er niet van komen. Ik heb tien jaar geleden een blauwe maandag bij De Bezige Bij gewerkt en toen hadden we het er al over. Regelmatig zelfs. Maar het komt er niet van. Het geduld ontbreekt. Ik denk dat hij dat niet meer kan opbrengen.

'Maar goed, ik denk dat Jan Cremer heel wat puisterige pubers dichter bij de letteren heeft gebracht. Misschien heeft dat ons uiteindelijk ook wel de schrijvende tegenpolen van Cremer opgeleverd, mensen als Huib Beurskens en Willem Jan Otten. Je weet het niet.

'Het leven moet een zekere glamour hebben en dat heeft Jan er allemaal aan gegeven. Alleen is alles steeds groter en groter bij hem geworden. Maar het is een vrolijke mythe, er zit weinig kwaad in en heeft weinig pretenties. Dat is er zo oké aan. Waar het bij Cremer om gaat is: gewoon iets goeds vertellen, goed eten en lekker neuken. Wat wil je nou nog meer eigenlijk?'

Antoine Bodar, priester:

Aantekening in het exemplaar van Ik Jan Cremer

(4e, 5e, 6e druk) van 'A.P.D. Bodar (5/8/1964): 'Enerzijds: vulgair, laag, sadistisch. Anderzijds: open, eerlijk, sprankelend van taal.'

Bodar nu, vanuit Rome:

'Goh zeg, dat ik al zo wijsneuzig was. Ik was toen 19. Het is jammer dat ik het boek nu niet even opnieuw kon inkijken. Maar goed, ik was in die periode buitengemeen geïnteresseerd in literatuur. Al ging mijn voorkeur toen al uit naar Couperus en niet naar Jan Cremer. En de enige eigentijdse auteur die mij zeer heeft aangesproken is wederom niet Jan Cremer, maar Gerard Reve. Cremer stond natuurlijk wel aan het begin van de seksuele revolutie, dat kun je niet ontkennen. En ook de titel is al een programma: Ik Jan Cremer. Ver voor het Ik-tijdperk. Naderhand zijn veel mensen Cremer daarin gevolgd. Voor mij hoeft dat niet zo, maar ik zie wel dat het zo is.

'Als ik nu belletrie lees, dan is het Proust of Thomas Mann. Mijn hele literatuuropvatting is ook tamelijk symbolistisch geworden. Reve heeft dat in zekere zin nog wel, die zou je best symbolistisch kunnen noemen, maar Jan Cremer heeft dat dus helemaal niet. Integendeel.'

Willem Jan Otten, schrijver:

'Ik heb het boek nooit gelezen, waarschijnlijk als een van de weinigen van mijn generatie. Maar ik heb zo veel boeken niet gelezen die wel invloed op me gehad hebben. Waarschijnlijk zijn dat vaak de boeken die je met een zekere kracht niet leest. Ik kom uit een Montessori-milieu waar dus geen grote problemen waren over het verschijnen van zo'n boek. Toen ik 12, 13 was, lag het bij ons thuis gewoon op tafel. Misschien is het wel veelbetekenend voor dat boek dat een 12-jarige, voor literatuur gevoelige jongen, dat op tafel liggende boek ongelezen laat. Wat voor anderen een bevrijding is geweest, daar kan ik totaal niet over meepraten. Cremer had in mijn ogen ook iets ontzettends geforceerds.

'Het enige dat mij altijd wel geïntrigeerd heeft is zijn blik. Hij heeft een speciale, moeilijk thuis te brengen blik. Een heel schuwe blik, alsof ie te veel gezien heeft. Dat eerder dan die rare pose van zelfverzekerdheid.

'Cremer is voor mij spreekwoordelijk geworden vanwege die uitstraling, dat wilde en dat schuwe. Iedere generatie heeft een paar van dat soort mensen. Rob Scholte heeft het ook. Ik kijk daar altijd naar met een soort verbaasde bewondering, zonder dat het mij verder nou enorm bezighoudt.

'Ik heb die emancipatie-achtige boeken nooit zo gewaardeerd. Mijn emancipatie is pas met de religie gekomen, op latere leeftijd. Een soort omgekeerde emancipatie. Cremer is spreekwoordelijk geworden voor het je losmaken van allerlei bindingen. Maar hij belichaamt ook het spartelende, het stuurloze ervan. Ik ben juist op zoek gegaan naar iets wat me kan binden.

'Dat het boek nu zijn vijftigste druk beleeft, is fenomenaal. Curieus ook. Want jongeren zijn nu veel minder bezig met losbreken. Het zullen dus wel ouderen zijn die het kopen. Uit een soort herinnering, zo van: vroeger mocht je dit niet hebben. Dat boek had natuurlijk met durven te maken. Het was een man die je het gevoel gaf dat er een heleboel te durven viel. Maar het gebied waarop hij durfde is gemeengoed geworden, daar is niks durverigs meer aan. Wat dat betreft heeft de tijd hem natuurlijk enorm ingehaald.'

Hans Oordt, dekaan en leraar nederlands stedelijk lyceum enschede:

'U belt mij net in de pauze van ons jaarlijkse tentamencircus. Ik moet nog een stuk of vijf leerlingen en dan heb ik de hele havo/vwo-lichting 1999/2000 gehad. Ik Jan Cremer is niet ter sprake gekomen. En dan heb ik het nog wel over het boek van de Enschedeër Jan Cremer.

'Ik wil nog wel eens besmuikt gniffelen in de richting van leerlingen: ''Ja, dat Ik Jan Cremer, dat kwam in 1964 uit, ik kocht dat voor een gespaard tientje, we mochten het absoluut niet lezen en dus lazen we ons te pletter, met de zak lantaarn onder de dekens. En je hield het idee eraan over dat er op elke pagina wel een vrouw werd genomen, als ze maar voldoende op Marilyn Monroe leek.'' Ik heb ook weleens tegen een leerling gezegd: als je nou iets wilt weten over het doorbreken van het seksuele taboe, haal dan Ik Jan Cremer. Dan halen ze het uit de bibliotheek en dan komen ze bij me en zeggen: ''Ach, donder toch op met dat boek. Na twintig bladzijden had ik het al gelezen.'' En dan zeggen wij, oude geilaards: ''Maar vond je dat dan niet lekker?'' En dan zeggen ze: ''Neuh, dat interesseert me geen bal.''

'Überhaupt slijt je geen boeken aan de jeugd. Maar als je me vraagt: waar heb je je deze twee weken te pletter over gevraagd? Tim Krabbé. En af en toe Grunberg en Giphart, maar die zijn lang niet zo populair. En Tim Krabbé verdringt Marga Minco, Het bittere kruid, van de eerste plaats. Want het zijn lekkere dunne boekjes, spannende verhalen, klaar. Maar Jan Cremer: nee. Wat ze nog weleens op de lijst zetten is Jan Wolkers, Kort Amerikaans.

'Pas op: seksualiteit is zo geïncorporeerd in het leven van leerlingen. Een meisje zei: ''Grunberg en Giphart, dat is echt iets voor ons, want wij zijn jong.'' Toen vroeg mijn collega: ''Dat betekent dat jullie aan seks doen en wij niet?'' En dat meisje antwoordde: ''Nee, maar wij experimenteren, wij zijn nieuwsgierig, wij willen ontdekken. En daarom zijn die schrijvers bij ons populair.'' Dat is ook de reden waarom ze Kort Amerikaans nog lezen. In Jan Cremer zien ze volgens mij die ontdekkingsreis niet.

'Ik moet je wel vertellen: een aantal jaren geleden kwam hier bij ons een jongen binnen en zegt: ''Hi, man.'' Ik denk: ''Verrek, wie is dat dan.'' Een bink met sporen aan zijn laarzen. Hij zegt: ''Ik ben Clinton Cremer.'' Hij heeft hier een half jaar op school gezeten en vroeg op een gegeven moment aan een collega: ''Kan ik misschien ook een havo-diploma kopen?'' Ik weet niet of je dat weet, maar een paar jaar later werd hij in het westen van ons land vermoord, juist in relatie met het vervalsen van havo en vwo-diploma's. Ik kan me die jongen nog goed herinneren. De leerlingen dachten: wat een fantastische bikkel komt daar aan. Dus iedereen wilde met hem verkeren. Maar ja, hij had andere ideeën geloof ik, deze Clinton Cremer.'

Ronald Giphart, schrijver:

'Ik heb alleen maar kleine stukjes uit Ik Jan Cremer gelezen. Ik vond het stilistisch erg belabberd, ik vond de humor niet leuk en ja, ik heb een feministische opvoeding gehad en dat speelde ook wel mee bij de perceptie van dat boek. Dat vrouwbeeld, de manier waarop er vrouwen tegen de muur werden geplakt, alle stoere neukie-neukie-verhalen, nee, dat boeide mij totaal niet. Omdat ik over seksualiteit schrijf, word ik door kortzichtige critici al snel met Cremer vergeleken, maar dat is volledig misplaatst. Iede reen die een beetje doorleest ziet dat het vrouwbeeld in mijn boeken totaal anders is, en de seks ook. Ik heb de pretentie dat de seksualiteit in mijn boeken verre van plat is.

'Ik moest ook niet echt lachen om de humor in dat boek, in de passages die ik gelezen heb. Ik vond de humor in de boeken van Jan Wolkers veel sterker. Wolkers en Cremer zijn natuurlijk ook vaak met elkaar vergeleken. Dat is behoorlijk onterecht, want Wolkers steekt daar met kop en schouders bovenuit. Bij Wolkers komen de tragiek, de humor en de seks toch voort uit een diepere put. Dat is bij Cremer ver te zoeken.

'Ik denk wel dat het boek invloed heeft gehad. Ik denk dat er generaties scholieren en studenten aan de hand van Ik Jan Cremer een soort fictief heldenleven voor zich zagen. En misschien is een gedeelte van de seksuele ontwaking van Nederland in de jaren zestig en zeventig wel door dat boek gekataliseerd. Maar goed, ik ben geen socioloog. Op mij heeft het boek in ieder geval geen directe invloed gehad, al is het maar omdat ik het niet volledig heb gelezen.'

Mies Bouwman, tv-maakster:

'Ik heb me wezenloos gezocht naar het boek, maar ik denk dat we het uitgeleend hebben. Ik kan het absoluut niet meer vinden. Nee, ik kende Jan nog niet toen ik het las. Later heb ik hem wel een beetje leren kennen. Hij is nog bij Open het Dorp geweest, ja. Wat ik wel weet is dat wij planken vol hebben van wat er in de jaren zestig allemaal is verschenen. Van de meeste mensen hoor je helemaal niks meer, maar Jan Cremer ging door. En wat ik nou zo ontzettend aardig vind: toen hij hier laatst te eten was, bracht hij voor mij het boekje van zijn vader mee: Op de fiets de wereld in. En als je dit boek leest dan ontdek je, zoals Jan in zijn voorwoord schrijft, steeds meer overeenkomsten tussen de vader en de zoon. De oude Cremer, schrijft Jan hier, is herkenbaar in Jan Cremer: pionier, vrouwen, avontuur, reizen, omgang met geld, onverzettelijkheid. En o, dat boek is fantastisch.

'Verder weet ik dat we in de eerste Mies-en-Scène aan Friso Endt hebben gevraagd Jan in Amerika op te zoeken. Want Jan had het bericht gestuurd dat hij iets had met Jayne Mansfield en hij zou dus klaar staan, met haar, voor dat interview in Mies-en-Scène. Nou: Jayne was er effe niet. Hij had in die uitzending ook iets over een waanzinnige oplage in Amerika. Later bleek dat zijn dromen niet helemaal klopten met de werkelijkheid. Wel was het toen een aardige onderbreking van het programma.

'Maar het boek, het was een schelmenroman hè, en wat ik me vaag herinner is een wc-toestand met Sophia Loren, op een wc, in een trein, geloof ik? Hihihiellipse Maar we gaan nu ver terug en ik heb het sindsdien niet meer herlezen. Het heeft in ieder geval op mij de indruk gemaakt dat er een verschrikkelijk leuke, goede schrijver bezig was, die van die tijd was. En het wonderlijke van Jan is dat ie nog helemaal bezig is hoor. Ik denk dat ie ook wel weer gaat schrijven. Dan kijkt ie je aan en dan zeg ik: ''Jan, waar blijft je volgende boek.'' ''Huhuhu'', zegt ie dan.' Ik kan het niet nadoen, maar hij praat ook zo leuk.'

Herman Brusselmans, schrijver:

'Ik denk dat ik het boek voor het eerst las toen ik 17 was. En dat was toch wel een soort mokerslag. Het is een van de boeken die mij gevormd hebben. Weet je, er wordt van zo'n boek gauw gezegd: dat kan ik ook. Maar ik heb nu dat boek gelezen van de zoon van Cremer, Clifford. Nou, het is wel duidelijk waar die de mosterd haalt, maar het is echt epigonisme. Het is een beetje vadermoord, maar ook niet echt. Want ja, je zou dom zijn als je aan vadermoord gaat doen als je een boek schrijft dat zo duidelijk door je vader is geïn spireerd. Het is een soort kopie. En voor de geoefende lezer valt toch meteen op dat het duidelijk minder goed is dan Ik Jan Cremer.

'En pas op, er zit ook bij Cremer wel een trieste ondertoon in van iemand die op zoek is naar liefde. Wat men dan leest is: hij neukt 99 vrouwen. Maar dat Cremer, of het hoofdpersonage, iemand is die op zoek is naar de honderdste vrouw om daar gelukkig mee te zijn, daar gaat men wellicht aan voorbij.

'Ik hou van boeken die in de eerste plaats amuseren. En met Cremer amuseer ik mij kapot. Ik herlees het ook geregeld. Absoluut. Er zijn niet echt veel boeken die ik herlees: De Avonden, Jan Cremer, de eerste boeken van Campert. Dat zijn ook boeken die in feite niet gedateerd zijn. Het zijn meestal de boeken die zogezegd tijdloos willen zijn die het snelst gedateerd zijn.

'Reve en Cremer zijn absoluut inspiratiebronnen voor mij. Het is niet voor niets dat zowel Reve als Hermans pleitbezorger van Cremer was. Weet je: een goede schrijver herkent kwaliteit. Ik zeg ook altijd: ik kies bij wijze van spreken mijn vrienden erop uit. Als ze aan komen kakken met: ''Ik ben in De Avonden of in Jan Cremer begonnen en na veertig pagina's had ik het wel gezien'', dan denk ik: ''Nou, jij komt hier niet meer over de vloer.'' Wat ik echt prachtig vond: nog maar kort geleden heb ik mijn vriendin aan het lezen van Ik Jan Cremer gekregen. Zij vond het ook een heel leuk boek, en dan wordt onze band nog wat closer dan ie al was. Kijk, ik hou van mannenliteratuur. Een van mijn stellingen is: vrouwen kunnen niet schrijven. Als ik een top100 moet opstellen van mijn favoriete boeken, dan zit daar geen enkele vrouw bij. Ik Jan Cremer is mannenliteratuur, net zoals van mijn boeken wel wordt gezegd: dat is mannenliteratuur. En er zijn enorm veel vrouwen gek op die typische mannenliteratuur. Vrouwen die dat soort boeken lezen worden potentieel verliefd op dat hoofdpersonage.

'Ik zeg altijd: literatuur is rock 'n' roll. En het kan me niet schelen of het nou tijdsbestendig is of whatever. Als ik de literatuur eventjes hip kan maken, dan vind ik dat ik ernstig bezig ben met mijn taak als schrijver. En Jan Cremer heeft de literatuur alleszins hip gemaakt. Als hij dan uitspraken heeft als: ''Rembrandt, nooit van gehoord. Ik weet niks van wielrennen'', dan heb je iemand die zegt: ik ben van de straat en het kan me allemaal geen lor schelen, maar ik schrijf hier wel twee bestsellers die nog leuk zijn ook. Nou, dan vind ik Cremer wel een groot schrijver.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden