ColumnCasper Albers

Iedereen krampachtig indelen in de hokjes ‘goed’ en ‘slecht’ is niet te doen

Casper Albers artikel columnBeeld .

Het is verleidelijk om in hokjes te denken. De discussie over de ‘beeldenstorm’ van de afgelopen weken is hier een goed voorbeeld van. Krampachtig iedereen indelen in de hokjes ‘goed’ en ‘slecht’ is niet te doen. Dit leidt tot rare situaties waarin zelfs het standbeeld van Gandhi beklad wordt en de wandaden Jan Pieterszoon Coen worden verdedigd. Niemand is perfect, niemand is alleen maar slecht. Iedereen zit ergens in een continuüm daartussenin.

Een ander probleem met hokjesdenken is dat het soms lastig is om te bepalen in welk hokje iets moet. Jasper van Kuijk ondervond dat vorig jaar toen hij de Lego-collectie ging sorteren: sorteer je op kleur, op vorm, of andere kenmerken? Als je op alle eigenschappen sorteert, zit elk blokje in zijn eigen bakje en dan ben je nog steeds uren op zoek voor je dat ene Lego-blokje hebt.

Ook rond corona is de neiging om in hokjes te denken alom aanwezig. Kan het virus van mens op kat overspringen? Kunnen peuters volwassenen besmetten? Is 1,5 meter afstand gegarandeerd veilig? Op al deze vragen kán je volstaan met een ja of nee. Het voordeel daarvan is dat je er fijne ophef-tv van kan maken: huisdieren en peuters zijn levensgevaarlijk en buiten ben je je leven niet zeker!

De werkelijkheid is echter veel genuanceerder dan de hokjes ‘ja’ en ‘nee’. Katten en peuters kunnen volwassenen inderdaad besmetten, maar de kans daarop is vele malen kleiner dan bij contact tussen twee volwassenen. 1,5 meter afstand is behoorlijk veilig, en marginaal veiliger dan 149 centimeter, maar het is geen garantie voor een virusvrij leven. (En die grens van 1,5 meter is ook wat arbitrair: zo gebruiken de Britten 2 meter en Amerikanen 6 voet, oftewel 183 centimeter.)

Vorig jaar was ik betrokken bij een studie in deze krant naar wetenschappelijke medische onderzoeken. Bij medische klachten speelt leeftijd vaak (indirect) een rol en dat wordt dus steevast gemeten. Statistisch gezien is het een fluitje van een cent om vervolgens te kijken hoe leeftijd samenhangt met het ziektebeeld. Toch kiest men er in dergelijke studies voor om leeftijd te groeperen: jongeren versus ouderen. Men stelt bijvoorbeeld dat iedereen tot 40 jong is, en iedereen vanaf 40 oud. Die grens bij 40 is arbitrair en vaak wordt een grens gekozen die toevallig goed uitkomt.

Die categorisatie is zonde: iemand van 60 heeft doorgaans andere risico’s dan iemand van 90, toch zitten ze allebei in groep ‘oud’. Kostbare informatie wordt overboord gegooid, alleen omdat het narratief jong versus oud makkelijk is.

Het draaiboek ‘code zwart’ voor de intensive care doet iets soortgelijks: in noodsituaties krijgen jonge mensen voorrang boven ouderen. Maar ook dit gaat in blokken van twintig jaar: iemand van 21 krijgt geen voorrang boven een 39-jarige, maar die 39-jarige gaat wel voor een 41-jarige. Voor deze onnodige categorisatie is geen enkele methodologische onderbouwing.

Zekerheden bestaan niet. Alleen door onzekerheid te omarmen kan je ingewikkelde zaken als de coronacrisis goed modelleren. En zodra je met kansen en risico’s werkt, zijn hokjes overbodig.

Casper Albers is hoogleraar statistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden