Column

Hoppa, weer een stukje van de Nederlandse taal veroverd

Column Nadia Ezzeroili

Toen ik tien jaar geleden nog hoop koesterde voor de mensheid, liep ik geregeld politieke debatten en discussieavonden af, met een voorkeur voor onderwerpen als 'de positie van vrouwen in de islam' en 'vergeten Berberschrijvers'. Soms waren die bijeenkomsten best amusant, want er zat altijd wel een allochtoon tussen die dure of ambtelijke woorden gebruikte in zijn verhaal, niet zelden verkeerd uitgesproken of gebruikt in een onbegrijpelijke context. Woorden als 'contradictie' en 'attaqueren'. Of, echt gehoord, combinaties als 'paradoxaal arrangement'.

Een cursist van het Haagse ROC Mondriaan leest een lesboek tijdens een les Nederlands voor anderstaligen. Beeld anp

'Typische allochtonenziekte', zei een Marokkaanse vriend toen ik vertelde dat het me opviel dat allochtone romanschrijvers soms de neiging hebben onnodig dure woorden te gebruiken. 'Het is een diepe behoefte om serieus genomen te worden door Nederlanders', vervolgde hij.

Ik herkende me wel in die psychologie van de koude grond. Ik weet nog dat ik een keer de behoefte voelde het woord 'recalcitrant' te gebruiken tegenover een docent. Wist ik veel. Ik had het nog nooit iemand in mijn omgeving horen zeggen, maar wel ergens gelezen. En het klonk nog chic ook. Hiermee zou ik vast indruk maken.

Dus hoorde ik mezelf het woord voor het eerst hardop zeggen, zonder haperingen, en ik voelde me een winnaar. 'Ré-kal-ki-trant!' Hoppa, weer een stukje van de Nederlandse taal veroverd en daarmee mijn positie in dit land verstevigd.

Maar toen zag ik mijn docent verbijsterd kijken. 'Herhaal dat woord eens', droeg hij me op na een ongemakkelijke stilte. 'Wat, meneer? Re-kal-ke-trant?' Hij schudde zijn hoofd, beet op zijn lip om zijn lach in te houden en boog zich naar mij toe. 'Nee, lieverd', zei hij zachtjes. 'Je spreekt het verkeerd uit. Het is: re-kal-si-trant.'

Ik bedankte hem en liep vernederd weg. Dacht ik net indruk te hebben gemaakt met een duur woord, werd ik gelijk weer een paar treden van de sociale ladder getrapt. Maar ik zou natuurlijk mezelf niet zijn als ik iets had geleerd van die ervaring. 'Het is menens', zei ik nog diezelfde maand tijdens een discussie met een autochtoon vriendje. Hij stond voor de spiegel, morrend aan zijn kraag waar hij abrupt mee stopte toen ik de zin uitsprak. 'Wacht even, hóé zei je dat precies?'

'Dat het men-èns is', zuchtte ik. 'Maar je spreekt het uit als 'ménens' hoor', riep hij en zakte vervolgens half in elkaar van het lachen. 'Hou je klep', kaatste ik waardig terug. 'Met je arische aardappelhoofd. Racist.'

Hij heeft me er nog een tijdje mee gepest en ik heb daarna nog vele taalblunders gemaakt. Maar de tijden zijn veranderd. Laatst hoorde ik een witte, hoogopgeleide, autochtone Nederlander de inmiddels hippe uitdrukking 'wayaw' (een soort 'wauw' op z'n Marokkaans) zeggen, maar hij sprak het verkeerd uit. 'Nee lieverd', zei ik. 'Je spreekt het niet uit als 'ajoo', maar als 'wáyáááw'.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.