Hoe stenen botten fabels werden

Mammoetbeenderen waren van reuzen en dinobotten van draken. Met fantasie werden fossielen geduid...

Het mooiste verhaal is dat van de griffioen. Dit strijdvaardige beest was zo groot als een leeuw, had vier poten met klauwen, vleugels en een sterke adelaarssnavel. De oude Grieken wisten dat al en volgens hen was dit monster bewaker van goud. Hoe kwamen ze aan dat verhaal? Zat er waarheid in?

De Amerikaanse folkloriste Adrienne Mayor gaf in 2000 het baanbrekende antwoord. In de 7de eeuw voor Christus, schreef ze in haar boek The first fossil hunters, kwamen Griekse reizigers in contact met Scythische nomaden, die naar goud hadden gezocht in de verre Gobi-woestijn. De Scythen, aldus Mayor, moeten de Grieken een monster hebben beschreven dat dit goud bewaakte.

Begin 20ste eeuw werd de Gobi-woestijn bekend als vindplaats van dinosauriër-fossielen. En zie: één dino sprong eruit. Het was de Protoceratops, die blijkens zijn versteende resten zo groot was als een leeuw, vier poten had met klauwen en een vogelachtige bek. Erosie in de Gobi-woestijn had zijn fossiele botten blootgelegd, samen met stukken goud.

Zo wist Mayor diverse (niet alle) klassieke mythische wezens te koppelen aan fossielen. 'Toen ik haar boek las, wist ik meteen waar ik een tentoonstelling over wilde maken', vertelt Bert Sliggers, conservator van Teylers Museum in Haarlem. Vandaag gaat zijn expositie Dino's en draken open.

Het gaat daarin niet alleen over mythische dieren uit de klassieke oudheid. Want al veel eerder en later, vanaf oeroude tijden tot begin 19de eeuw, hebben mensen gespeculeerd over de vraag waar die vreemde, versteende resten toch vandaan kwamen die ze vonden. Fossielen genoeg, maar nergens een Darwin om ze evolutionair te duiden. Dan maar je fantasie gebruiken met al die goden daarin, met mythische helden en later de christelijke God met zijn bijbelse scheppingsverhaal waarin geen plaats leek voor evolutie.

'Stel dat je tienduizend jaar geleden leefde', zegt Sliggers 'en je woonde ver van de zee, die je niet kende. Je vindt fossiele haaientanden. Dan denk je niet: haaien'. Daarom konden die tanden worden gezien als versteende slangentongen. Die kwamen volgens oude mythen van de goden, die ze bij onweer of slagregens naar beneden stuurden. Inderdaad werden ze vaak na noodweer gevonden, want harde regen spoelt schoon.'

Zoveel vondsten, zoveel mythen, lijkt het. Nog tot diep in de 18de eeuw werd wijd en zijd aangenomen dat mammoetbotten van reuzen waren en wolharige-neuhoorn- en dinofossielen van draken. Indianen zagen skeletten van mosasauriërs en pterosauriërs aan voor watermonsters en dondervogels, die met elkaar een titanenstrijd hadden uitgevochten.

In de klassieke oudheid verschijnen schrijvers als Herodotos en Plinius die de mythen gingen optekenen als ware stukken geschiedenis. Sliggers: 'Zo is er de rode, ijzerhoudende aarde met versplinterde fossiele botten erin. Die komt voor in de klassieke verhalen over godenslagen, waarin sprake is van met bloed doordrenkte slagvelden waar de botten uit steken.'

Neem anders de cycloop, de eenogige reus die het Odysseus en zijn maten zo moeilijk maakte. De schedels van uitgestorven dwergolifanten die op Middellandse-Zee-eilanden zijn ontdekt, hebben geïnspireerd tot de cycloop, wordt nu aangenomen. Er zit een groot gat in het midden van zo'n schedel, waar overigens geen oog zat, maar de opening voor de slurf.

Twijfels

Maar met de voorzichtige opkomst van de wetenschap in Europa in de 17de en 18de eeuw gingen twijfels knagen aan de oude mythes. Dat ging moeizaam - de ontluikende proto-paleontologie moest opboksen tegen de bijbelse verhalen, zoals dat in Genesis, waarin God in zes dagen de wereld schiep. Ruim zesduizend jaar geleden.

Moeilijk te geloven dat die fossielen van uitgestorven dieren waren. Immers, wat God geschapen heeft, is volmaakt en kan niet uitsterven. De fossielen kunnen best van planten en dieren zijn geweest die we in Europa niet (meer) kennen, maar elders nog springlevend zijn. Brengen de reizigers over de pas ontdekte wereldzeeën niet aldoor nieuw ontdekte levensvormen mee naar huis?

Nee, die fossielen zijn van planten en dieren die zijn omgekomen tijdens de zondvloed, luidde een invloedrijke gedachte. Het zijn soortgenoten van levensvormen die Noah in zijn ark had meegenomen en daarmee voorkwam dat ze als soort zouden uitsterven.

Maar niet iedereen was tevreden met deze kijk op de zaak. Hoe zat het met de resten van zeedieren die hoog in de bergen zijn gevonden? Kwam het water van de zondvloed zo hoog - waar kwam het dan vandaag en waar ging het naartoe? En hoe kan het dat fossielen vaak middenin een dikke laag steen worden gevonden?

Voor met name dit laatste kwam de Deense anatoom Steno (1638-1686) met een verklaring. Fossiele haaientanden, stelde hij, zien er niet verwrongen uit, zoals boomwortels in rotsachtige bodem. Het lijkt erop dat het afzettingsgesteente zich later rond de tanden heeft gevormd. De Engelse natuurvorser Robert Hooke (1635-1703) ging een stapje verder. Fossielen zijn de resten van organismen die ooit hebben geleefd, zei hij.

Maar de zondvloedtheorie gaf zich niet zomaar gewonnen. Hookes landgenoot John Woodword (1665-1728) poneerde dat de gelaagdheid van de aardse afzettingen - die was opgemerkt door Steno - wel degelijk door de zondvloed was bewerkstelligd. Die had de omgewoelde grond netjes op de aarde gedeponeerd in de volgorde van zwaar naar licht.

Woodword had een belangrijke navolger in de persoon van de Zwitserse arts Jacob Scheuchzer (1672-1733). Die beschreef een versteend skelet dat enigszins op een mens leek en noemde dit de resten van een mens die bij de zondvloed was verdronken omdat hij zondig was en dus niet met Noahs ark meemocht.

Teylers Museum verwierf het fossiel van deze Zondvloedmens. Het vertrouwde Scheuchzers verklaring niet en liet de Franse anatoom George Cuvier (1769-1832) in 1811 naar Haarlem komen. Cuvier onderzocht het oude geraamte, ontdekte er twee voorpoten aan en identificeerde het als het fossiel van Andrias schweckzeri, een uitgestorven reuzensalamander.

Rampen

Tegen die tijd was het idee al zo'n beetje verlaten dat er geen uitgestorven diersoorten konden zijn. Petrus Camper (1722-1789) bijvoorbeeld ontdekte dat het dijbeen en een wervel van een olifant-achtig dier niet van een hedendaagse olifantsoort kon zijn. Zo'n groot dier kan niet elders nog leven en toch niet opgemerkt zijn, betoogde hij. En Cuvier kwam met de gedachte van de 'revoluties': opeenvolgende rampen die hele groepen soorten hadden weggevaagd.

Vanzelfsprekend is de Zondvloedmens op de expositie in Teylers te zien. Vele andere voorbeelden van fabel-fossielen staan er ook. Sommige krijgen geen verklarende tekst mee. Sliggers: 'Laat de mensen maar raden wat voor beesten dat waren. Kunnen ze ervaren hoe lastig het is om met weinig kennis die dingen goed te duiden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden