Interview Sytze van der Zee

Hoe schrijver Sytze van der Zee worstelt met de verleidingen en gevaren van ooggetuigenverslagen

Journalist-schrijver Sytze van der Zee sprak voor zijn nieuwe boek met hoogbejaarde ooggetuigen over hun ervaringen tijdens de Duitse bezetting. Hoe kan hij hun hoogst persoonlijke herinneringen verifiëren?

Sytze van der Zee. Beeld Kiki Groot

‘Ik ben nu wel klaar met de oorlog’, dacht Sytze van der Zee (80) na voltooiing van zijn in 1997 verschenen boek Potgieterlaan 7 – over zijn wederwaardigheden als kind uit een NSB-nest. Sindsdien heeft hij echter nog geregeld gezondigd tegen zijn voornemen dit thema te laten rusten. Zo verscheen onlangs zijn boek Wij overleefden, de weerslag van gesprekken met tachtig ooggetuigen van uiteenlopende gebeurtenissen tijdens de Duitse bezetting. Van zijn hoogbejaarde gesprekspartners zijn er, denkt Van der Zee, inmiddels al zeker tien overleden.

Wat deed u als u vermoedde dat bepaalde details in die verhalen niet klopten?

‘Dan moet je, hoe pijnlijk dat ook is, met die mensen in discussie gaan over hun eigen herinneringen. Ik ben tenslotte geen postkantoor waar je zomaar alles kunt deponeren. Maar als je aan het vijlen en herschikken slaat, vraag je je weleens af: is dit nog wel oral history?’

Gedeporteerden in Auschwitz in 1944. Beeld Yad Vashem

En hoe luidt uw antwoord op die vraag?

‘Dat oral history, geschiedschrijving op basis van persoonlijke getuigenissen, niet betekent dat je alleen maar een aanhalingsteken zet aan het begin en aan het eind van een ooggetuigenverslag. Soms stelde ik die mensen aanvullende vragen: hebben uw ouders echt al in het vroege voorjaar van 1942, dus maanden voordat de grote deportaties begonnen, onderdak geboden aan Joodse onderduikers? Werden de gedeporteerde Joden in Auschwitz echt opgewacht door SS’ers met de bajonet op het geweer? En is het wel aannemelijk dat een man die als kind uit Roermond naar de noordelijke provincies werd geëvacueerd, op doorreis in het Duitse Brüggen meerdere kinderwagens met dode baby’s heeft zien staan?’

Dit soort informatie lijkt mij moeilijk te verifiëren.

‘Soms is dat inderdaad lastig. Maar met doorvragen kom je vaak een heel eind. Zo stoelt het verhaal over die dode baby’s op de waarneming van één dode baby in één kinderwagen. Kennelijk vond hij één dode baby niet genoeg, en probeerde hij zijn verhaal aan te dikken. Dat gevaar loop je als je je verhaal vaker vertelt.’

Maar wat doet u als zo’n precisering niet mogelijk is?

‘Als zo’n element wezenlijk is voor het verhaal, kun je het niet gebruiken. Maar als het slechts een onderdeel is van een groter verhaal dat vergaand te toetsen is aan andere bronnen, kun je het best overnemen – al dan niet voorzien van een voetnoot. Als een ooggetuige terloops zegt: ik heb in kamp Westerbork samen met Anne Frank batterijen moeten demonteren, heb ik niet de neiging om daaraan te twijfelen. Op basis van andere bronnen kan namelijk worden vastgesteld dat beiden tezelfdertijd in het kamp verbleven, en dat beiden inderdaad batterijen hebben moeten slopen. Waarom zou een deportatieslachtoffer haar verhaal met een verwijzing naar Anne Frank willen verfraaien?’

Joden worden met overvalwagens opgepakt in de Amsterdams Transvaalbuurt. Beeld NIOD

Heeft u nooit overwogen op een van uw boeken te promoveren?

‘Die aanvechting heb ik nooit gevoeld. Toen ik de biografie schreef van François van ’t Sant, de enigszins mysterieuze vertrouweling van koningin Wilhelmina, was wijlen Cees Fasseur mijn meelezer. Die mailde mij, na 140 pagina’s te hebben gelezen: ‘Ik houd ermee op want je hebt geen noten aan het boek toegevoegd. Daarmee doe jij jezelf en mijn professie te kort’. Ik heb die noten toen alsnog toegevoegd. Een heidense klus was dat. Toen ik daarmee klaar was, zei Fasseur: ga hier toch op promoveren. Maar ik had er geen zin in. Ik doe mijn hele leven al zonder titel.’

Ooggetuigen en andere bronnen

Lange tijd hebben historici zich niet, of zeer terughoudend, bediend van oral history. Zo heeft Loe de Jong de getuigenissen voor zijn televisieserie De Bezetting (1960-1965) goeddeels onbenut gelaten bij de documentatie van zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Volgens Johannes Houwink ten Cate, emeritus hoogleraar holocaust- en genocidestudies, doen verhalen van ooggetuigen echter niet onder voor andere historische bronnen. ‘Die zijn geschreven met een specifiek doel, maar niet ter verrijking van onze historische kennis. Omdat er geen principieel verschil is tussen de verschillende historische bronnen, bestaan er geen goede of slechte historische bronnen. Voor deze visie pleit ook dat er in de geschiedschrijving geen regels voor bewijsvoering bestaan. Alles mag. De jurist is gebonden aan een methodologie, de historicus is vrij. Dit neemt niet weg dat er wel goede en slechte historici zijn: historici die al dan niet excelleren in bronnenkritiek, al dan niet voorzichtig zijn, en al dan niet bronnen kunnen hergebruiken voor een nieuwe vraag.’

Sytze van der Zee: Wij overleefden. De laatste ooggetuigen van de Duitse bezetting. Prometheus; 462 pagina’s; € 22,50.

Verder lezen
Mijn bevrijding: 75 jaar geleden werd Nederland bevrijd. Lees hier de verhalen over mensen die erbij waren.

Wat de kennis over het geheugen betekent voor de verhalen van ooggetuigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden