Reportage Benen eraf, toch gelukkig

Hoe Leon zich beter voelt dan ooit (zonder zijn beide onderbenen)

Leon Emmen verloor drie jaar geleden beide onderbenen, maar is nu minstens zo gelukkig als toen zijn lichaam nog intact was. Mensen keren regelmatig opvallend sterk terug na het incasseren van een wagonlading ellende, blijkt uit onderzoek. Wat verklaart die wonderlijke veerkracht?

Leon Emmen. Beeld Jan Mulders

Hij kan zijn handen amper meer gebruiken, maar het knopje van zijn ziekenhuisbed bedienen, dat lukt. Bzzzz, klinkt het motortje. Bed omhoog, bed naar beneden. Het is maart 2015 en de 31-jarige Emmen tuurt soms naar dat knopje, als het ziekenhuis ’s nachts stilvalt, de slaap niet wil komen, en hij nadenkt over wat hem allemaal is overkomen.

Een paar weken eerder liet hij in het ziekenhuis een abces wegsnijden. Normaal een routineoperatie. Maar bij Emmen nestelt een streptokokkenbacterie zich in zijn bloedbaan. Binnen de kortste keren voelen zijn voeten en handen koud en doods. Een natuurlijke reactie van het lichaam: als alles dreigt uit te vallen, gaat het bloed alleen nog naar de belangrijkste organen. Hart, longen, hersenen. De rest krijgt niks meer. Hij raakt langzaam in een septische shock die zijn geest zo verwart dat hij feitelijk aan het doodgaan is zonder dat hij er zelf erg in heeft.

Zijn vrouw ziet de ernst van de situatie wél in en rijdt hem naar de huisartsenpost in het St. Antonius Ziekenhuis in Utrecht, waar binnen de kortste keren een indrukwekkend aantal artsen en verplegers rond zijn bed staan met infusen en dekens. U bent erg ziek meneer Emmen, zegt er een, we gaan u naar ons ziekenhuis in Nieuwegein brengen.

Beeld Jan Mulders

‘Waar blijft godverdomme die ambulance?!’, hoort Emmen een andere hulpverlener op de gang roepen.

Zeventien dagen houden artsen hem in een kunstmatig coma, terwijl hij een zware cocktail aan antibiotica krijgt. Als hij ontwaakt, heeft hij zwarte, bijna verkoolde onderbenen en voeten. Een gehavende huid op zijn armen. Handen die hij zo slecht kan aansturen dat hij de eerste dagen niet eens een tennisbal van zijn ene aan zijn andere hand kan overgeven. Hij heeft een beademingsbuis in zijn keel en poept in een zakje bevestigt aan zijn buik.

Emmen, high potential bij een ict-multinational. Een jonge, getrouwde vader met een baby van een half jaar. Een gezin voor wie hij er juist nú moet zijn. Maar hij ligt hier in dat ziekenhuis in Nieuwegein, terwijl zijn vrouw en ouders hem voeren en moed inspreken.

Hij denkt: mijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn.

Hij denkt: ik ben iedereen alleen nog maar tot last.

Dat knopje naast het bed. Bzzzz, doet het motortje. Bed omhoog, bed naar beneden, bed omhoog.

De hoogste stand en je dan zo hard als je kan richting vloer laten vallen, hoofd eerst. Die mogelijkheid spookt meer dan eens door zijn gedachten.

Beeld Jan Mulders

Dat is nog vóór hij, op Goede Vrijdag, definitief te horen krijgt dat zijn onderbenen en voeten niet meer te redden zijn.

‘Ik vind het vervelend om het u te moeten vragen’, begint de chirurg in de operatiekamer. ‘Maar ons veiligheidsprotocol schrijft het voor. Weet u voor welke ingreep u hier komt?’

Emmen snapt de man en zijn protocol wel. Het is nodig om zeker te weten dat de arts de juiste patiënt voor zich heeft. Maar toch voelt het zó wrang om zelf zijn lot te moeten bevestigen.

‘Ik ben hier om mijn beide onderbenen te laten amputeren.’

Ontwaken na de operatie. De moed verzamelen om onder de deken te kijken. In sommige culturen, zo hoorde Emmen, organiseren mensen een begrafenisceremonie voor afgezette ledematen. Nu, turend naar zijn benen die vlak onder de knieën overgaan in witte zwachtels, en daaronder niks, snapt hij waarom.

Dat volle besef, als een dolk in je ziel: ik ga incompleet mijn graf in.

****

We spoelen de tijd drie jaar vooruit, lente 2018. Op zijn prothesen wandelt Emmen vlot de cafetaria binnen van Golf Amsteldijk, een golfclub in Amstelveen. Stevige handdruk, vriendelijke lach. Hij vertelt ronduit over zijn grote hobby, golf, waarvoor hij de halve wereld rondreist naar toernooien voor mensen met een lichamelijke beperking. Hij vertelt met glimmende ogen over zijn nieuwe vriendin, die hij ontmoette op een D66-borrel. Over de goede relatie met zijn ex, met wie hij na alles wat er was gebeurd uit elkaar groeide, maar met wie hij nu de zorg voor hun dochter deelt. Over zijn werk bij de ict-dienstverleningsmultinational. (‘Ik moet straks even een half uurtje weg, presentatie voor de bazen.’)

Wacht even. Is dit dezelfde Emmen als drie jaar geleden in dat ziekenhuisbed in Nieuwegein?

Ja, dit is dezelfde Emmen.

Om te meten hoe gelukkig mensen zijn, stellen wetenschappers doorgaans een simpele vraag: ‘Op een schaal van 0 tot 10: hoe tevreden bent u vandaag met uw leven als geheel?’

‘Iets meer dan een 8’, antwoordt Emmen in de cafetaria van de golfclub, en neemt een slok van zijn cola.

En hoe was dat drie jaar geleden, voor de infectie die zijn leven omgooide?

‘Een 8.’

Minstens zo gelukkig zonder onderbenen als mét. Is Emmen een uitzonderlijk geval? ‘Ja, want van een handicap word je meestal niet gelukkiger’, zegt Ruut Veenhoven, geluksprofessor aan de Erasmus Universiteit. ‘Wel is het geluksverlies op de lange duur kleiner dan je zou denken en scheppen ook zwaar gehandicapte mensen meestal voldoening in hun leven.’ Dat blijkt uit de resultaten van diverse onderzoeken die hij verzamelt in de World Database of Happiness. Die bevat onder meer een Amerikaanse studie naar het geluksgevoel van thuiswonende mensen die twintig jaar geleden een dwarslaesie opliepen. Uitgedrukt in een rapportcijfer scoorden ze gemiddeld een half punt minder dan de gemiddelde Amerikaan.

Beeld Jan Mulders

Het geluksverlies zit grotendeels in neveneffecten van de handicap op werk, inkomen en huwelijk, aldus Veenhoven. ‘Er zijn grote individuele verschillen, maar de meeste mensen zijn veerkrachtiger dan ze zelf beseffen. Vraag mensen hoe ze denken dat ze hun leven zouden waarderen als ze verlamd zouden raken of blind worden en ze antwoorden al snel ‘dan hoeft het van mij niet meer’. Ze zien op zo’n moment vooral de beperkingen. Wat zou ik allemaal niet meer kunnen? Maar stel precies diezelfde vraag aan mensen die het daadwerkelijk is overkomen en je krijgt een totaal ander antwoord. Dan richt je je doorgaans op wat je nog wél kunt.’

Een tijd lang was onder psychologen de zogeheten set-pointtheorie populair. Die stelt dat je genen en de ervaringen in je jeugd al dermate bepalend zijn voor je geluksniveau, dat daar weinig meer aan kan veranderen. Dit zou bijvoorbeeld verklaren waarom loterijwinnaars vaak zeggen dat ze niet zoveel gelukkiger zijn geworden na het winnen van een enorm geldbedrag.

Veenhoven is geen fan van de set-pointtheorie. ‘Trek die redenering door en mensen zouden net zo gelukkig zijn in de hemel als in de hel. Dat kan niet waar zijn.’

Hij krijgt bijval van psychiater Pim Scholte, gespecialiseerd in de behandeling van oorlogsslachtoffers en vluchtelingen. ‘Daar zitten mensen bij die zijn gemarteld en vernederd, die hun land moesten ontvluchten en nu op een plek wonen waar ze niet aan het werk komen en óók niemand op ze zit te wachten. Nou, dan daalt je geluksniveau flink en terugkeer naar het oude niveau is dan vaak onrealistisch.’

Zowel Veenhoven als Scholte zien meer in de beroemde piramide van Maslow, van de Amerikaanse psycholoog die de universele behoeften van de mens in de jaren veertig van de vorige eeuw stapsgewijs weergaf in een schema. Onderop de basisbehoeften: zuurstof, eten, veiligheid. Een stap hoger: liefde, het gevoel ergens bij te horen, zelfwaardering. Aan de top: jezelf kunnen verbeteren, geestelijk kunnen groeien, iets wezenlijks kunnen bijdragen aan de wereld.  Hoewel wetenschappers later kritiek uitten op het stapsgewijze karakter van de piramide - alsof geestelijke groei onbereikbaar zou zijn voor mensen in armoede - is Maslows beschrijving van verschillende soorten levensbehoeften nog steeds invloedrijk in de psychologie. Scholte: ‘Veel vluchtelingen kunnen jarenlang niet hun behoeften op die piramide vervullen. En dus is het terugvinden van geluk erg moeilijk. Bij alleen het oplopen van een handicap – hoe erg dat ook is – is dat toch een ander verhaal.’

De behoeftenpiramide van Maslow. Beeld Pbuddenberg

Stel je wordt blind. Dan knelt het op alle niveaus van die piramide. Je voelt je onveilig, je kunt slechter contact leggen met je dierbaren en met collega’s, je voelt je hulpeloos. Veenhoven: ‘Maar hoe ziet de piramide van Maslow er een paar jaar later uit? Je leert braille, je kunt weer lezen. Je leert vertrouwen op andere zintuigen en hulpmiddelen. Je ontdekt dat je nog van alles voor jezelf en de wereld om je heen kunt betekenen.’

Erg herkenbaar, vindt Emmen, die in het revalidatiecentrum langzaam maar zeker weer opkrabbelde. Zo zag zijn dagschema eruit: veel praten, praktische tips uitwisselen met lotgenoten in de ‘amputatiegroep’, veel fitness en sport, maar ook veel hangen. (‘Op een gegeven moment had ik Netflix wel zo’n beetje uit.’)

De wonden op zijn knieën en stompen heelden extreem traag, waardoor het maanden duurde voordat hij zijn prothesen aankon. Hij bleef trainen, buik- en beenspieren, zodat hij fit zou zijn wanneer zijn huid er wél klaar voor zou zijn.

Hoe verder?

Je vrouw én kind die doodgaan op de dag van de bevalling. Jarenlang onterecht gevangen zitten. Dierbaren verliezen doordat hun vliegtuig met vluchtnummer MH17 wordt neergehaald. Hoe ga je om met zulk onpeilbaar verlies? Journalist Jeroen Kleijne beschrijft het in zijn boek De draad weer oppakken (Amsterdam University Press, 2017). Een boek vol heftige persoonlijke verhalen dat toch hoop biedt. Ervaringsdeskundigen en experts op het gebied van rouw en traumaverwerking vertellen hoe je weer op kunt krabbelen na een extreem persoonlijk drama. 

Er viel hem iets wonderlijks op, daar in het revalidatiecentrum, vol mensen met verlammingen, amputaties en zenuwziektes als MS. ‘We vonden allemaal van elkaar dat anderen het pas écht zwaar hadden getroffen. Alsof ook wij bij de ander vooral de beperking zagen, maar bij onszelf de mogelijkheden.’

Die eerste keer dat hij zelfstandig in zijn rolstoel naar de kapper ging, in het winkelcentrum vijfhonderd meter verderop − wát een overwinning. ‘Eindelijk kon ik weer iets doen zonder dat iemand me erbij hoefde te helpen. Vanaf dat moment begon ik de toekomst weer rooskleuriger te zien.’

Hij begon te lezen. Mark Manson, The Subtle Art of Not Giving a F*ck, met inzichten als: ‘Het verlangen naar positieve ervaringen is in feite een negatieve ervaring. De acceptatie van een negatieve ervaring is juist een positieve ervaring.’ Maak je alleen druk om de dingen die je belangrijk vindt én waar je invloed op hebt, is zijn nieuwe levensmotto. Al het andere doet er niet toe.

Hij begon anders naar zijn leven vóór de medische misère te kijken. Want man, wat liet hij zich toch opnaaien door succesverhalen van vrienden en kennissen van University College Utrecht, waar hij afstudeerde. Hoorde hij via via dat iemand ceo bij bedrijf zus en zo geworden, dan werd Emmen zelf ook onrustig. Moet ik sneller klimmen op de carrièreladder? Is mijn lease-auto wel goed genoeg?

Nog zoiets. Voorheen was hij een pleaser, rende voor elke collega en elke baas zodat iedereen ’m een toffe peer zou vinden.

‘Mijn nieuwe situatie dwong me kritisch naar mijn eigen wensen en gedrag te kijken. Werd ik gelukkig van die ratrace? Nee, dus dat doe ik nu anders. Ik heb geweldig werk maar zit niet meer continu te zoeken naar promotiemogelijkheden. Bovendien zeg ik vaker ‘nee’, zodat ik meer grip houd op wat ik zélf wil. Dit zijn de veranderingen die me evenwichtiger maken en zelfs iets gelukkiger dan vroeger.’

Dat hij, tegen zijn eigen verwachting in, nog nieuwe liefde vond helpt ook mee. Op hun tweede date gooide hij het allemaal op tafel. Besef wel, begon hij, waar je aan begint. Je zit hier tegenover een man die na een avond stappen ’s nachts urenlang wakker kan liggen van de pijn in zijn stompen. Een man waarvan het onzeker is of hij later toch in een rolstoel zal belanden omdat de huid rond de stompen het niet houdt. Een man die − zoals het er toen naar uitzag − wellicht geen kinderen meer kon krijgen en soms potentieproblemen had. Ook die lichaamsfunctie was aangetast door die rotinfectie.

Ze liet zich er niet door tegenhouden. De twee gaan nu samenwonen. Soms, als hij naast haar wakker wordt, stelt hij zichzelf de vraag hoe het kan, dat deze mooie, intelligente jonge vrouw voor hem kiest, terwijl er zat interessante mannen rondlopen zonder medische problemen?

‘Vroeger duurde het even voordat ik op het antwoord kon komen. Tegenwoordig weet ik het meteen. Omdat ik ook zonder poten zát te bieden heb.’

Onoverwinnelijk

Vanuit een peilloze diepte, zwart als de nacht,

Een duisternis zo lang als mijn leven,

Dank ik een God, welke is mij om het even,

Voor een ziel met onverwoestbare kracht.

Het lot grijpt mij met klauwen beet,

Maar ik geef green krimp, slaak geen enkele kreet.

Al regent het nog zo veel slagen in mijn leven,

Mijn hoofd is bebloed, maar ik houd het geheven.

Want waar ik nu slechts ween en smacht,

Is het enkel een schaduw die op mij wacht.

Al duren de jaren nog zo lang,

Ze morgen verstrijken, ik ben niet meer bang.

De poort is smal, een nauwe gang,

De lijst met straffen ellenlang,

Maar ik houd de teugels strak in handen,

Mijn zielenheil leg ik nimmer aan banden.

Invictus (‘onoverwinnelijk’), van de Engelse dichter William Ernest Henley (1849 –1903), in het Nederlands vertaald door Kris Eikelenboom. Leon Emmen putte kracht uit het gedicht tijdens zijn revalidatie. Het Engelstalige origineel hangt nu ingelijst in zijn woonkamer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.