Hoe data-analyse een nieuwe kijk geeft op de overlevingskans van Joden tijdens WO II

Niet alle Joden in Nederland liepen hetzelfde risico om tijdens de Holocaust te sterven. Door het combineren van verschillende data werpt socioloog Peter Tammes nieuw licht op de samenstelling van slachtoffergroepen.

Enkele van de 425 Joodse mannen die op 22 en 23 februari 1941 op en rondom het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam werden opgepakt. De razzia's waren de aanleiding van de Februaristaking (25 en 26 februari 1941). Foto Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Anefo

Ongehuwde en gescheiden Joden in Amsterdam hadden tijdens de Duitse bezetting een grotere kans om de oorlog te overleven dan getrouwde Joden. Het percentage vrouwen dat omkwam tijdens de Holocaust was even groot als het percentage mannen. Ongelovige Joden of Joden die zich tot een christelijke denominatie hadden bekeerd, waren beter af dan religieuze Joden. Poolse en Duitse Joden die zich in Amsterdam hadden gevestigd, ontsnapten vaker aan de dood dan Joden die in Nederland waren geboren.

In Parijs en Brussel was de overlevingskans van buitenlandse Joden juist weer kleiner dan die van de 'autochtone' Joden. In Parijs en Antwerpen was de overlevingskans van buitenlandse Joden juist weer kleiner dan die van de 'autochtone' Joden. Kortom: niet alle Joden liepen hetzelfde risico om door de Holocaust te worden vermalen.

Over de sociaal-demografische aspecten van de Holocaust schreef de empirisch socioloog Peter Tammes (45) een artikel dat onlangs in European Journal of Population is verschenen. Het is een vervolg op het proefschrift over de lokale verschillen in het percentage Holocaustslachtoffers dat Tammes eerder schreef met Marnix Croes. Momenteel verdiept hij zich aan de Universiteit van Bristol in een ander vraagstuk: gaan ouderen die vaker dezelfde huisarts zien minder vaak naar het ziekenhuis dan ouderen die verschillende huisartsen bezoeken - wat in Groot-Brittannië niet ongebruikelijk is.

Hoe kwam u destijds bij de demografie van de Holocaust terecht?

'Tijdens mijn studie stelden de sociologen Wout Ultee en Henk Flap de vraag aan de orde hoe het mogelijk was dat een grote groep mensen werd weggerukt uit de Nederlandse samenleving. Van de Joden in Nederland heeft 73 procent de oorlog niet overleefd. Dat blijft een verbijsterend percentage, hoe vaak je het ook hoort.'

Was nooit eerder naar de samenstelling van die grote slachtoffergroep gekeken?

'Jawel, maar de data waren altijd incompleet of ze zijn met een ander oogmerk dan het mijne verzameld. Zo heeft het Rode Kruis vlak na de oorlog geregistreerd wie uit concentratie- en vernietigingskampen zijn teruggekeerd. Op die manier kun je niet nagaan welke groepen waren over- en ondervertegenwoordigd onder de Holocaustslachtoffers. Ik heb verschillende bronnen op elkaar gelegd, en heb daardoor redelijk accuraat kunnen vaststellen hoe de slachtoffergroepen waren samengesteld.'

Mij verbaasde het dat buitenlandse Joden een relatief grote overlevingskans hadden. Hoe verklaart u dat?

'De meesten waren in de jaren dertig naar Nederland gekomen, op de vlucht voor Hitler. Zij kenden mogelijk beter de gevaren en de processen van vervolging, en hebben zich daar beter tegen kunnen verweren.'

Hoe dan?

'Velen zaten bij het uitbreken van de oorlog al in Westerbork, dat aanvankelijk als opvangkamp diende. Toen de deportaties van de Nederlandse Joden begonnen, in 1942, bezetten hun buitenlandse lotgenoten strategische posities binnen kamp Westerbork. Ook hielpen zij elkaar aan zogenoemde Sperren, die de dragers tot nader orde vrijwaarden van transport, en kwamen zij relatief vaak in kampen terecht waar de kans op overleven groter was dan in Auschwitz en Sobibor. In dagboeken van Westerborkbewoners, zoals Philip Mechanicus, komt de nijd tussen Duitse en Nederlandse Joden uitgebreid aan de orde.'

Waarmee hingen de grote regionale verschillen samen, waarover u eerder heeft gepubliceerd?

'De lokale verschillen waren groot. In plaatsen als Enschede en Utrecht is om en nabij de helft van de Joodse bevolking vermoord. In Amsterdam trof ruim driekwart van de Joden dit lot, en in het Noorden van het land liep dat op tot 80 procent of meer, zoals in Assen en Winschoten. Dit hing samen met de omstandigheid dat de deportaties hier eerder begonnen en met de sterke motivatie van SD'ers die in het Noorden actief waren. Ook waren er meer slachtoffers in plaatsen met relatief veel pro-Duitse politie.'