Hoe aardig moet de mens-machine doen?

De robotica betreedt een nieuwe fase. Bewegen en rekenen zijn geen probleem meer. Nu moeten ze alleen nog leren zich onder de mensen te begeven.

Tijdens een workshop woensdag zit hij wat in zichzelf gekeerd in een notitieblokje te krabbelen. Zwart golvend sluik haar. Grote bril. Jas nog aan. Schrijft met een vierkleurenbalpen, en gebruikt daarvan – klik, klik, klik – systematisch alle kleuren. Wekt een mechanische indruk.

Maar dan loopt hij in de pauze de zaal uit om, al te menselijk, buiten op de gracht een sigaret te gaan roken. Dit moet de echte Ishiguro zijn. Zijn zelfgebouwde dubbelganger heeft hij thuisgelaten.

De afwezigheid van zelfs een geheide publiekstrekker als de robot-tweelingbroer van Ishiguro geeft aan dat de conferentie over Mens-Robot Interactie, die tot vandaag wordt gehouden in het Amsterdamse vergadercentrum Felix Merites, geen frivole conferentie is. Geen geinige demonstraties van apparaten op wieltjes die de bezoekers rondleiden, jassen ophangen of de boel even stofzuigen. Hoewel er wereldwijd inmiddels genoeg commerciële robots en prototypes bestaan die tot opmerkelijke kunstjes in staat zijn, komen de meeste daarvan op het symposium hooguit af en toe op een scherm voorbij, tijdens een powerpointpresentatie. Deze vier dagen draait het vooral om robotwetenschap.

Relatie
nde Institute for Electric and Electronic Engineers (IEEE) een bijeenkomst organiseren om de relatie tussen mens en machine te bespreken. Nu de rekenkracht van computers zo is toegenomen dat robots tientallen miljarden instructies per seconde kunnen verwerken, wordt de vraag steeds nijpender hoe die instructies moeten luiden.

Of, zoals robothoogleraar Red Whittaker van de Carnegie Mellon Universiteit in Pittsburgh, Pennsylvania, het onlangs verwoordde: ‘De hardware is bijna goed genoeg, het gaat er nu om de software goed te krijgen.’

Whittaker was met zijn universiteit de winnaar van de DARPA Grand Challenge vorig jaar, een race met onbemande voertuigen, georganiseerd door het Advanced Projects-agentschap van het Pentagon – een paar decennia terug een van de geestelijk vaders van het internet. In 2004 werd de race voor het eerst gereden, over een parcours van 228 kilometer door de woestijn, maar toen kwam geen van de deelnemers verder dan 12 kilometer. Het jaar daarop lukte het vijf voertuigen de hele afstand af te leggen, en vorig jaar slaagden zes robotauto’s in een veel complexer rij-examen door bijna honderd kilometer af te leggen in een stad met echt verkeer.

Het zijn geen menselijke robots, maar het geeft aan dat de vooruitgang enorm is, schreef Bill Gates begin dit jaar in het populair-wetenschappelijke blad Scientific American. In dat artikel vergeleek Gates robots nu met computers in de jaren zeventig. ‘De opwinding en verwachtingen doen me denken aan de tijd dat ik droomde van de dag dat er in elk huis op elk bureau een computer zou staan.’

Nu droomt Gates van een robot in elk huis, en dus loopt op de conferentie in Amsterdam ook iemand van Microsoft rond. En dus verschuift de aandacht, hoewel er nog van alles moet worden verbeterd aan de machinerie – hoe laat je een robot iets met de juiste kracht vastpakken, of het nu een hamer of een ijsje is? – al van de mechanische en elektronische aspecten van de robot naar de psychologische. Hoe moet zo’n apparaat zich straks gedragen om door mensen te worden geaccepteerd?

Efficiënt
In elk geval anders dan robots zich van oudsher gedragen, zegt Ben Kröse van de Universiteit van Amsterdam, een van de organisatoren van de conferentie. ‘In de traditionele robotica, toegepast aan lopende banden in de industrie, hebben robots altijd meegekregen om zich zo efficiënt mogelijk te bewegen. Via een optimaal pad van A naar B. Maar voor huishoudelijke toepassingen gelden heel andere regels. Ik wil helemaal niet dat zo’n apparaat van honderd kilo vlak achter me langs schiet om me een kopje koffie aan te reiken. Die moet met een boogje om me heen.’

De zoektocht naar nieuwe robotregels blijkt uit presentaties met titels als: ‘Design Patterns for Sociality in Human-Robot Interaction’, ‘Learning Polite Behaviour with Simulation Models’ en ‘Governing Lethal Behavior: Embedding Ethics in a Hybrid Deliberative/Reactive Robot Architechture – Part I: Motivation and Philosophy’. Robots moeten sociaal en beleefd worden, zelfs als ze mensen vermoorden.

Het onderzoek naar het gedrag van robots en de reactie van mensen daarop staat nog in de kinderschoenen. Er zijn wel regels voor robots, maar die zijn vaak nog heel globaal, en het onderzoek naar de interactie tussen mens en robot is vaak anekdotisch. ‘Dat proberen we nu in modellen te gieten’, zegt Kröse.

Zijn promovendus Marcel Heerink bijvoorbeeld werkt aan een proefschrift over de acceptatie van robots door ouderen. Zieken en bejaarden zullen straks de eerste belangrijke gebruikersgroep zijn, is de verwachting, en dus richt veel onderzoek zich op hen. Heerink zette de iCat van Philips, een primitieve elektronische kat, bij ouderen op de kamer om te zien wie hem wel en niet gingen gebruiken.

De robotkat kan niet zo heel veel. Hij loopt niet, maar praat wat, zegt de weersverwachting of vertelt een mop, en beweegt daarbij zijn kop. Toch heeft Heerink daar enige conclusies aan kunnen verbinden, die hij in een Robotisch Acceptatie Model probeert te gieten. ‘Belangrijkste is dat de robot sociaal aanwezig is. Als hij zijn gezelschap aankijkt, bij de naam noemt, en niet al te monotoon praat, dan doen de ouderen er meer mee dan wanneer de robot monotoon, rechtuit kijkend zijn riedel afdraait. Het zijn kleine dingen, maar die geven al de indruk dat er een echte persoon achter zit.’

Kinderen
Een echte persoon – dat is wat onderzoekers graag in hun robots zien. De Amerikanen Peter Hahn en Rachel Severson van de Universiteit van Washington hebben een experiment met kinderen uitgevoerd waarmee zij proberen te analyseren hoe die, robotgebruikers van de toekomst, robots kwalificeren.

Want al is er wel enige ervaring met mens-robot relaties (zoals met het speelgoeddiertje Tamagotchi), het ontbreekt tot dusver aan systematische methoden om het menselijk gedrag met robots te beschrijven, zegt Hahn.

Hij heeft negentig kinderen langs gehad voor een onderonsje met de universiteitsrobot, Robovie. Gedurende twaalf minuten laat die de kinderen zijn aquarium zien (‘dat is al jaren een hobby van me’), loopt met ze door een kamer, doet een spelletje ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-ziet en wordt dan vrij abrupt, ondanks tegensputteren, door een begeleider opgesloten in een bezemkast. Daarna zijn de kinderen, tussen 9 en 15 jaar oud, uitgebreid geïnterviewd.

‘Sommige onderzoekers observeren mensen in de nabijheid van robots, anderen interviewen hen over hun opvattingen over robots, maar een combinatie van observatie en interviews komt niet vaak voor’, zegt Kahn.

Een voorbeeld maakt duidelijk dat die combinatie veel kan verhelderen. Tijdens elke sessie vergist de robot zich opzettelijk tegenover de kinderen. ‘Goh, wat een mooie oranje schoenen heb jij’, zegt hij bijvoorbeeld tegen een proefpersoon met zwart-witte gympen. Sommige kinderen verbeteren de robot, andere horen het zwijgend aan en zeggen niets. Wat betekent dat?

Kahns aanvankelijke interpretatie van een zwijgende reactie was dat de kinderen de robot kennelijk een stom apparaat vinden, te dom om kleuren te onderscheiden en niet de moeite waard om te verbeteren. Maar in de interviews motiveerden sommige kinderen hun zwijgen heel anders. ‘Ik wilde zijn gevoelens niet kwetsen.’ Of: ‘Ik wilde hem niet in verlegenheid brengen, ik had hem net ontmoet.’

Morele oordeel
Severson was vooral benieuwd naar het morele oordeel van de kinderen over de robots, een ander nog weinig verkend onderzoeksterrein. De meeste kinderen vonden het ‘niet goed’ dat de robot in de kast werd opgesloten. Een twaalfjarige: ‘Dat gaf me een slecht gevoel, want hij zei dat hij bang was in het donker. Of je een bezem wel in een kast mag stoppen? Ja, een bezem wel, een bezem heeft geen gevoelens, die kan niet met je praten, die kan niet bang worden.’

Natuurlijk, het zijn kinderen, beseffen de onderzoekers. Maar ook veel vijftienjarigen, toch met een zeker moreel besef, lijken medelijden te hebben met de robot. ‘Al zien ze hem ook niet als echt volwaardig levend wezen. Hij heeft toch geen hart, jullie hebben er toch geen hart in gestopt, vroeg er eentje. Een robot zit een beetje tussen een bezem en een mens in.’

De Japanse bouwer van menselijke robots Ishiguro, hoogleraar aan de universiteit van Osaka, vindt het een interessant experiment. ‘Het bewijst dat gebruikers al morele gevoelens krijgen voor relatief simpele machines.’

Volgens hem betekent het dat het voor veel toepassingen voldoende is om niet al te menselijke robots te gebruiken. ‘Hoe langer het contact, hoe minder menselijk de robot hoeft te zijn. Aan de andere kant: hoe simpeler de taak, des te menselijker de benodigde robot. Een robotreceptioniste zul je zeer natuurgetrouw moeten maken, een robotverpleegster niet.’

Haken en ogen
Overigens zal het volgens Kröse van de UvA, ondanks alle optimisme van veel wetenschappers en softwarebouwers, waarschijnlijk nog wel even duren voor robots daadwerkelijk als helpende hand in bijvoorbeeld het verpleeghuis opduiken. ‘Er zitten veel juridische haken en ogen aan. Wie is er aansprakelijk als zo’n ding een foutje maakt? In de industrie staan zware robots meestal achter een dikke glazen wand. We zijn nog niet klaar om die wand weg te halen.’

\N
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden