Hij likte haar gezicht pointillistisch

UITSLUITEND doen waar je zin in hebt, maling hebben aan alles, aangetrokken worden door de Nachtzijde, Zwarte Romantiek, Het Kwaad en Gevaarlijk Leven....

De deugd verveelt sneller dan de ondeugd - zeker in de kunst. Toch leidt ook de modieuze verplichting om kijkers en lezers de ogen te openen (want in het jargon van de kunstenaar bevindt het publiek zich permanent in een toestand van dommel en dut) tot potsierlijke vertoningen.

Zelfs Renate Dorrestein beweerde zondagavond op de televisie al dat het haar taak is de lezers te verontrusten. Een opzienbarende mededeling van deze mettertijd conventioneler geworden auteur die jaarlijks een vlotte zedenschets afscheidt met hier en daar een moord, en die klaagt over het verval van waarden en normen onder verwijzing naar een ongevaarlijke entertainer als Paul de Leeuw, die zijn gasten niet laat uitpraten. Het is toch ongehoord dat dat tegenwoordig zomaar mag.

Met dit soort verontwaardiging onthult Dorrestein zelf een burger te zijn, die hooguit flirt met de troebele materie die onder het dunne laagje civilisatie zit. De Vlaamse schrijver Johan De Boose (1962) doet eveneens of hij in de zeven verhalen van zijn bundel Gestuite vlucht in het diepe duikt. Gaandeweg echter laadt hij de verdenking op zich de zelfkant alleen op te zoeken als garnering. In wezen is hij een schoonheidsminnaar; eropuit om mooie zinnetjes te maken, maar genoeg bij de tijd om te beseffen dat je niet meer kunt aankomen met bloemen, bijtjes en onaardse dromen.

Hij voert bij voorbeeld Leon op, een Europeaan uit een klein land die voor reportages in New York verblijft. Hij moet de underground-schilderes Elisabeth Feinstein interviewen. Wat gebeurt? Hij valt voor haar 'aquamarijne ogen', is gegrepen door haar oog voor 'het droevige, het gekwetste, het kapotte, het reeuwse'. Feinstein zet het al vroeg op de dag op een drinken en gebruikt vanzelfsprekend drugs. Leon tuint in haar pose, begint een woeste relatie met haar, schrikt niet terug voor een nummertje plas- of wurgseks, en wordt al net zo'n halve wilde als zij. Maar dan zonder kunst.

Je vermoedt eerst nog ironie van De Boose, wanneer hij schrijft: 'Hij aarzelde en likte haar gezicht, pointillistisch, dop voor dop. Er volgde geen explosie, tenzij van gelach.' Maar het is ernst. De Boose meent werkelijk dat dit titelverhaal gaat over een Europese jongeman die leert dat rauw leven pas echt leven is.

Elisabeth blijkt te lijden aan een ongeneeslijke ziekte, het gevolg van de roofbouw die zij moedwillig op haar lichaam heeft gepleegd. Een tragédienne derhalve. Leon echter is diep getroffen door haar lot, en eindigt zelf letterlijk aan lager wal, als zuiplap en sjouwer van duistere spulletjes in de haven van New York. Tel uit je winst.

Wat is hier verontrustend aan? Worden wij, beschaafde lezers die in een gerieflijke fauteuil de verhalen van De Boose tot ons nemen, soms geacht ons schuldbewust op het hoofd te krabben? Is het de bedoeling dat we inzien hoe verdomd deugdzaam wij zijn, door kaartjes te kopen en schilderijententoonstellingen te savoureren, zonder ons af te vragen met hoeveel bloed, zweet en tranen die kunst is geproduceerd?

Dat willen we best, maar liever niet als de ontvankelijkheid daarvoor tevens inhoudt dat we ons kritische oog moeten sluiten en geen onderscheid meer mogen aanbrengen tussen kwaliteit en quasi-romantisch gedweep met onaangepastheid. Onconventioneel zijn is nog geen verdienste. Zeggen dat je verontrusten wil, is nog geen schokkende verklaring, zeker niet in een kunstklimaat dat grensoverschrijding, op wat voor manier dan ook, zo ongeveer verordonneert.

De Boose waait onbekommerd mee op de zefier van de tijdgeest. In 'Teresa' laat hij een ik-figuur terugkeren in het haveloze Poolse stadje Swidnik. Tien jaar geleden had hij daar een amoureuze affaire met Teresa, een docente fysica. Bij het vrijen placht zij de ogen te sluiten. Ze liet hem niet toe in haar geheime wereld, die wellicht iets te maken had met de concentratiekampen. De man zoekt haar flat op, belt weer aan op de achtste verdieping. Een oude vrouw doet open: Teresa's moeder, die zegt dat haar dochter twee jaar geleden aan een hersentrombose is gestorven op de trappen voor het schoolgebouw. Met moeite hadden ze haar opengesperde ogen dicht kunnen knijpen.

Hij gaat naar haar school en legt een ruiker neer op de trappen. 'Het gezwollen oog van de zon zakte tussen de bossen waarop, van de andere kant, de wachttorens van Majdanek uitkeken.' Dus daar hadden haar dode ogen naar gekeken.

De man is in Polen zijn portie drama komen halen. Hij is nu met recht ook een beetje gekweld. En De Boose doopt zijn pen in de inkt, en tekent het verhaal in gevoelige zinnen op. En de lezer moet dan zeker denken: dit is Leven. In plaats daarvan neemt de wrevel toe over zoveel goedkope romantiek. Een tot mislukken gedoemde liefde in een luizig stadje nabij een concentratiekamp, weergegeven door een woordverliefd auteur: zie je ergernis dan maar eens te onderdrukken, en te blijven geloven in de nobele motieven van De Boose.

In 'Xenia' wordt de drankverslaving wederom verheerlijkt. Het verhaal begint aardig, over een man die altijd met een tafel op zijn rug loopt, als een bio-object, en met deze uitbreiding zeer content is. Dat is weer eens wat anders. Uit het vervolg is op te maken dat hij ooit in Maribor was (voormalig Joegoslavië), als doorsnee-toerist, nog zonder tafel op zijn rug.

Door toedoen van de drank zag hij in die dagen telkens een bijzondere vrouw voorbij lopen. De ene keer was ze een meisje, dan weer een blinde oma, een derde maal had ze de gedaante aangenomen van een heksachtige naakte rat. Dol geworden kleedde hij zich uit en wilde nader tot haar komen. Ze steeg op, en hij sprong ter verkoeling van zijn koorts in een rivier.

Hij wordt opgepakt en verhoord op het politiebureau. Ze gaan de aanstootgever het land uit gooien. Heel verstandig. Onverwacht dient zich op het bureau een meisje aan, dat voor zijn vrijlating pleit. Rara, wie zou dat zijn? Ze komt zijn cel binnen en kleedt zich uit. Haar armen, borsten en gelaat blijken van hout te zijn. De volgende ochtend wordt hij wakker op een grenen tafel. Nu wordt hij uit cel en land verwijderd. Zonder nadenken neemt hij de tafel op zijn rug en sjokt naar het busstation.

Zo is het allemaal gekomen. Ja, die dranklustige lieden, die halen soms vreemde streken uit! Zinderend of in enigerlei zin verontrustend kun je daarmee de verhalen van De Boose bezwaarlijk karakteriseren. De enige winst die eruit te peuren valt, is het antwoord op de beroemde vraag die Jan Foudraine in een grijs verleden stelde. Wie is van hout? Wel, Xenia.

Arjan Peters

Johan De Boose: Gestuite vlucht.

De Bezige Bij; 186 pagina's; * 32,50.

ISBN 90 234 3765 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden